ECLI:NL:GHARL:2013:CA0748

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
200.075.043/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 1:200 lid 1 sub b BWArt. 351 RvArtikel CIII Wet herziening gerechtelijke kaart
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot schorsing executie vonnis wegens strijd met goede procesorde

In deze civiele zaak behandelde het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een incidentele vordering tot schorsing van de executie van een eerder vonnis. De vordering was gebaseerd op een verzoek tot ontkenning van het vaderschap dat door een van de appellanten was ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland. Appellanten stelden dat toewijzing van dat verzoek zou betekenen dat zij geen deelgenoot zijn in de nalatenschap, waardoor de vordering van de Ontvanger tot verdeling van die nalatenschap zou moeten worden afgewezen.

Het hof stelde vast dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een hernieuwde beoordeling van de vordering rechtvaardigden. Het hof nam de inhoud van het eerdere tussenarrest van november 2011 over, waarin een soortgelijke vordering reeds was afgewezen. Gezien het ontbreken van nieuwe doorslaggevende stukken en het feit dat het verzoek tot ontkenning van het vaderschap nog niet was beslist, oordeelde het hof dat de incidentele vordering in strijd was met een goede procesorde.

Daarom wees het hof de vordering af en bepaalde dat de beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor voortzetting van de procedure. Het arrest werd uitgesproken door de kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te Leeuwarden op 21 mei 2013.

Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de executie van het vonnis wordt afgewezen wegens strijd met een goede procesorde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.075.043/01
(zaaknummer rechtbank Groningen 108395 / HA ZA 09-229)
arrest van de tweede kamer van 21 mei 2013 in het incident als bedoeld in
artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
1. [appellant 1],
2. [appellant 2],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],
advocaat: mr. G.A. Pots, kantoorhoudend te Leeuwarden,
tegen
Ontvanger van de Belastingdienst Noord kantoor Groningen,
gevestigd te Groningen,
in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,
hierna: Ontvanger,
advocaat: mr. S.C. zum Vörde Sive Vörding, kantoorhoudend te Amsterdam.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 29 november 2011 hier over.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1 De Ontvanger heeft op 8 januari 2013 een memorie van antwoord met productie genomen.
1.2 [appellanten] hebben op 19 februari 2013 een incidentele memorie houdende provisionele vordering ex artikel 223 Rv Pro, tevens akte overlegging producties genomen.
Deze vordering luidt:
"bij arrest, voor zoveel mogelijk wettelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 30 juni 2010, tussen partijen onder nummer 1098395 \ HA ZA 09-229 gewezen, te schorsen c.q. de uitvoerbaarheid bij voorraad zoals uitgesproken door de rechtbank, op te heffen, dan wel te schorsen tot op het hoger beroep zal zijn beslist;
II. overigens te bepalen dat de verdere behandeling van de hoofdzaak (het hoger beroep) zal worden aangehouden tot onherroepelijk op het verzoekschrift van de heer [appellant 1] tot gerechtelijke vaststelling van ontkenning van door het huwelijk ontstaan vaderschap zal zijn beslist;
III met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van het incident.".
1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest in het incident bepaald.
1.4 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.
2. De beoordeling
In het incident
2.1 Bij voormeld arrest van 29 november 2011 is de op artikel 351 Rv Pro gebaseerde incidentele vordering tot schorsing van de executie van het bestreden vonnis afgewezen.
2.2 De vorderingen in het onderhavige incident komen wederom neer op schorsing van de executie van het bestreden vonnis, zij het ditmaal in de vorm van een provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv Pro.
2.3 Voor de beoordeling of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het bestreden vonnis geldt dezelfde maatstaf als is opgenomen in de rechtsoverwegingen 6 en 7 van voormeld tussenarrest.
2.4 [appellanten] hebben aangevoerd dat [appellant 1] op 18 februari 2013 bij de rechtbank Noord-Nederland locatie Groningen een verzoek heeft ingediend tot ontkenning van het vaderschap van [de vader] op grond van artikel 1:200 lid 1 sub b BW Pro en dat valt aan te nemen dat dit verzoek zal worden toewezen. De consequentie hiervan zal volgens [appellanten] zijn dat [appellant 1] geen deelgenoot is in de nalatenschap van [de vader] en dat de vordering van de Ontvanger tot verdeling van die nalatenschap dient te worden afgewezen.
2.5 Het hof constateert dat nog niet is beslist op het thans aanhangige verzoek tot ontkenning van het vaderschap van [de vader] en dat in die procedure geen nieuwe - voor de toewijzing van het verzoek doorslaggevende - stukken zijn overgelegd. Daarmee zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen. Dit betekent dat het hof niet aan een inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering toekomt, omdat die vordering in dit geval als in strijd met een goede procesorde moet worden afgewezen (vergelijk Hof Amsterdam, 26 oktober 2010,
LJN: BO4585).
2.6 De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.
2.7 De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak.
In de hoofdzaak
2.8 De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor voortprocederen.
3. De beslissing
Het gerechtshof:
in het incident:
wijst de incidentele vordering van [appellanten] af;
bepaalt dat omtrent de kosten van het incident zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 2 juli 2013 voor voortprocederen.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, W. Breemhaar en B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 21 mei 2013.