ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9139
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- J.A.W. Lensing
- P. van Kesteren
- P.H.A.J. Cremers
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van kennis en aanwezigheid van grote hoeveelheden hasjiesj en hennep
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het aanwezig hebben van grote hoeveelheden hasjiesj en henneptoppen in een kantoor en een kazerne in een Nederlandse plaats op 31 oktober 2006. Het openbaar ministerie beschuldigde haar van medeplegen, maar het hof vond niet bewezen dat zij wist van de aanwezigheid van deze drugs of willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat deze aanwezig waren.
Het bewijs toonde aan dat de drugs waren aangetroffen in kasten die aan het zicht waren onttrokken, waar verdachte geen toegang toe had. Verdachte was weliswaar regelmatig in het kantoor aanwezig, maar er was onvoldoende bewijs dat zij de drugs voorhanden had of daarvan op de hoogte was. De hoofdgebruiker van het kantoor was een medeverdachte, en ook anderen hadden toegang.
Hoewel verdachte bekend was met de drugshandelactiviteiten van haar partner, was er geen bewijs dat zij op de dag van de vondst wist dat de drugs aanwezig waren. Ook verklaringen, afgeluisterde gesprekken en de aanwezigheid van contant geld in de woning konden dit niet overtuigend aantonen.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte vrij, omdat niet buiten redelijke twijfel was vastgesteld dat zij het ten laste gelegde feit had begaan.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van kennis en bezit van de drugs.