ECLI:NL:GHARL:2013:BZ3280
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eigendom en beslaglegging contant geld na faillissement en huiszoeking
Appellante, gehuwd onder uitsluiting van gemeenschap van goederen, vorderde dat het bij een huiszoeking in beslag genomen bedrag van ruim €45.000 aan haar toebehoorde en dat de curator dit bedrag op zijn vordering op haar en haar echtgenoot moest afboeken. De curator betwistte dit en stelde dat het geld niet van appellante was, mede gelet op de verzekeringsuitkering en de omstandigheden rond de woning en het faillissement van de echtgenoot.
De rechtbank wees de vorderingen van appellante af omdat het eigendom van het geld door vermenging was verloren gegaan. Het hof bekrachtigde dit oordeel, maar voegde toe dat het niet alleen ging om eigendom, maar ook om de vraag of appellante rechthebbende was op het geld en dus een vordering had op de Staat, hetgeen zij onvoldoende had onderbouwd.
Appellante faalde in haar stelplicht en kon onvoldoende bewijs leveren dat het geld van haar was. Het hof oordeelde dat haar vorderingen daarom niet toewijsbaar waren en verwees haar in de kosten. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd, waarmee de curator in het gelijk werd gesteld.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellante af wegens onvoldoende bewijs van eigendom van het in beslag genomen geld.