ECLI:NL:GHARL:2013:BY8432
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging vonnis in civiele zaak
In deze civiele zaak heeft de vrouw incidenteel gevorderd dat de executie van het vonnis van 24 augustus 2012 wordt geschorst. Zij stelde dat zij het bedrag van € 300,- reeds had terugbetaald en dat zij niet in staat was dit bedrag te voldoen, terwijl zij vreest dat de man het bedrag niet zal terugbetalen indien haar vorderingen in hoger beroep worden toegewezen.
De man voerde aan dat er geen voldoende grond was voor schorsing van de tenuitvoerlegging. Het hof overwoog dat voor schorsing op grond van artikel 351 Rv Pro feiten of omstandigheden moeten zijn die na het vonnis zijn ontstaan of dat het vonnis kennelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. Dit was niet gesteld of gebleken.
De vrouw had haar belangen onvoldoende onderbouwd, onder meer door geen inzicht te geven in haar financiële situatie en het ontbreken van bewijs dat de man niet zou kunnen terugbetalen. Het hof achtte het belang van de man bij executie van het vonnis zwaarder dan het belang van de vrouw bij schorsing.
Daarom wees het hof de incidentele vordering af en besloot de proceskosten van het incident aan te houden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling.
Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen.