Uitspraak
[appellant],
wonende te [woonplaats],
de curator,
1.Het geding in eerste aanleg
30 november 2011 van de rechtbank Zwolle-Lelystad.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft de aansprakelijkheid van een bestuurder van Stichting De Wieden, actief in welzijnswerk voor personen met een afstand tot de arbeidsmarkt. De stichting startte een exploitatie van een winkel en leerwerkcentrum, die van meet af aan verliesgevend was zonder een deugdelijke begroting of financiële dekking. Ondanks deze situatie werd de exploitatie voortgezet, wat uiteindelijk leidde tot het faillissement van de stichting.
De curator stelde de bestuurders, waaronder de appellant, aansprakelijk wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:138 en Pro 2:300a BW. De rechtbank had de bestuurders al deels aansprakelijk gesteld en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat de appellant zich bewust was van het verliesgevende karakter van de exploitatie en het ontbreken van financiële zekerheid, maar de exploitatie toch voortzette in de ongefundeerde verwachting dat financiering alsnog zou komen.
De appellant voerde onder meer aan dat hij geen bestuurlijke rol van betekenis had en dat sprake was van een economische crisis die de situatie verergerde. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat van iedere bestuurder waakzaamheid mag worden verwacht, zeker bij bekendheid met een verliesgevende exploitatie zonder uitzicht op verbetering. De aansprakelijkheid werd niet gematigd. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd en de appellant werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De bestuurder is hoofdelijk aansprakelijk gesteld wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.