ECLI:NL:GHARL:2013:9487

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 december 2013
Publicatiedatum
12 december 2013
Zaaknummer
200.118.546
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:81 BWArrest Boon/Van Loon (Hoge Raad 27 november 1981, LJN: AG4271)Wet verevening pensioenrechten na scheiding
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verrekening pensioenrechten bij echtscheiding volgens Boon/Van Loon

Partijen waren van 1962 tot 1982 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap werden de pensioenrechten van de man tot 1982 niet meegenomen. De vrouw startte een procedure voor verrekening van deze pensioenrechten op grond van het arrest Boon/Van Loon.

De rechtbank wees de vordering af, en de vrouw ging in hoger beroep met vier grieven. Het hof oordeelde dat de vrouw ontvankelijk was omdat de vordering van onbepaalde waarde was. Volgens het arrest Boon/Van Loon dienen pensioenrechten die tijdens het huwelijk zijn opgebouwd, in beginsel betrokken te worden bij de verdeling door waardeverrekening, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.

Het hof stelde vast dat de man sinds 2009 gepensioneerd is met een laag inkomen, dat hij rekening hield met zijn pensioen bij alimentatie aan zijn tweede ex-echtgenote, en dat de vrouw na de echtscheiding geen eigen pensioen heeft opgebouwd. Gezien deze omstandigheden en het tijdsverloop van dertig jaar na echtscheiding en tweeënhalf jaar na pensionering, oordeelde het hof dat toewijzing van de verrekeningsvordering onredelijk zou zijn.

De grieven van de vrouw faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Arnhem. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijst de verrekeningsvordering van de vrouw af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.118.546
(zaaknummer rechtbank Arnhem 228071)
arrest van de vierde kamer van 10 december 2013
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
appellante in het principaal hoger beroep,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. J. Keereweer,
tegen:
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. M.J.S. Linssen.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
6 juni 2012 en 10 oktober 2012 die de rechtbank Arnhem tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 december 2012,
- de memorie van grieven,
- de memorie van antwoord.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3.De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het bestreden vonnis van 10 oktober 2012.

4.De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1
Het gaat in dit geding, kort weergegeven, om het volgende. Partijen zijn vanaf 5 april 1962 tot 12 juli 1982 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn de pensioenrechten die de man heeft opgebouwd tot 12 juli 1982 niet meegenomen. De man heeft op [datum] 2009 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en ontvangt sindsdien ouderdomspensioen. Zowel de man als de vrouw zijn nog voor een tweede keer met een andere partner gehuwd geweest.
4.2
De vrouw heeft bij inleidende dagvaarding van 26 maart 2012 de onderhavige procedure gestart. Zij heeft onder meer verrekening van de door de man tot 12 juli 1982 opgebouwde pensioenrechten gevorderd op grond van het arrest Boon/Van Loon (Hoge Raad 27 november 1981, LJN: AG4271). De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van
10 oktober 2012 de vorderingen van de vrouw afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
4.3
De vrouw is met vier grieven tegen het vonnis van 10 oktober 2012 opgekomen. Deze grieven beogen een beoordeling van het geschil in volle omvang.
4.4
Het hof zal allereerst de stelling van de man beoordelen dat de vrouw niet-ontvankelijk is haar hoger beroep, omdat de waarde van de vordering van de vrouw beneden de appelgrens blijft van € 1.750,-. Het hof is van oordeel dat de vrouw ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat hier sprake is van een vordering van onbepaalde waarde.
4.5
Het huwelijk van partijen is ontbonden in de periode na het wijzen van het arrest Boon/Van Loon en voorafgaand aan de invoering van de Wet verevening pensioenrechten na scheiding op 1 mei 1995, zodat op de opgebouwde pensioenrechten de regels van het arrest Boon/Van Loon van toepassing zijn. Dit houdt in dat pensioenrechten die voorafgaand en in die huwelijkse periode door de echtgenoten zijn opgebouwd, in het algemeen bij de verdeling van de gemeenschap dienen te worden betrokken door middel van waardeverrekening. Het hof voegt hier aan toe, dat het pensioen (in ieder geval in de periode waarvoor het arrest Boon/Van Loon geldt) uit maatschappelijk oogpunt bestemd is (was) te voorzien in de behoeften van beide echtgenoten en dat de opbouw van dit pensioen in verband met de gehele of gedeeltelijke financiering daarvan uit de gemeenschap en de toen bij vele echtparen bestaande taakverdeling binnen het huwelijk, in beginsel moet worden gezien als het resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten, voortvloeiende uit de zorg die zij op grond van artikel 1:81 van Pro het Burgerlijk Wetboek aan elkaar verschuldigd zijn. In die zin kan de vrouw hier in beginsel een nadere verdeling van het door de man opgebouwde ouderdomspensioen vorderen in de vorm van een waardeverrekening ten gunste van haar (verder: verrekeningsvordering).
Op welke wijze en tot welke bedragen in geval van echtscheiding een verrekening als bovenbedoeld moet plaatsvinden, dient te worden vastgesteld aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid, die op de verdeling van een gemeenschap van toepassing zijn. In verband met de bijzondere aard van de pensioenrechten als de onderhavige, kan de verrekeningsvordering worden gematigd of kan in het geheel geen vordering worden toegekend, zoals wanneer de pensioengerechtigde reeds op andere wijze in de verzorging van de andere echtgenoot heeft voorzien of redelijkerwijs niet tot enige uitkering in staat is. Voorts kunnen er andere bijzondere omstandigheden bestaan die nopen tot afwijzing van de vordering van de vrouw dan wel tot matiging daarvan.
4.6
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een verrekeningsvordering heeft op de man ter zake de door de man opgebouwde pensioenrechten. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de eisen van redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat de vordering van de vrouw (geheel of gedeeltelijk) wordt toegewezen.
4.7
De vrouw komt met haar verzoek dertig jaar na de echtscheiding en tweeënhalf jaar na de pensionering van de man. Partijen zijn twintig jaar met elkaar getrouwd geweest; de vrouw heeft in die periode niet buitenshuis gewerkt, maar de vijf kinderen van partijen verzorgd en opgevoed. Uit de stukken blijkt dat de vrouw is hertrouwd in gemeenschap van goederen en na een huwelijk van zes jaar in 2001 is gescheiden. Ter comparitie van
10 september 2012 heeft de vrouw verklaard dat er nog navraag wordt gedaan bij haar (tweede) ex-man of zij nog recht heeft op een deel van zijn pensioen. De man is ook van zijn tweede echtgenote gescheiden en heeft vanaf 2000 tot 1 maart 2012 een alimentatieverplichting gehad jegens zijn tweede ex-echtgenote. Ter comparitie van
10 september 2012 heeft de man verklaard dat met de berekening van de alimentatie ten behoeve van zijn tweede ex-echtgenote rekening is gehouden met het ouderdomspensioen, dat hij vanaf augustus 2009 ontvangt. Zowel de man als de vrouw hebben in eerste aanleg verklaard dat zij niet wisten dat de door de man opgebouwde pensioenrechten in de huwelijksgemeenschap vielen en voor verdeling in aanmerking kwamen. Thans woont de vrouw als alleenstaande in een sociale huurwoning en heeft zij geen vermogen, zo heeft zij onbetwist aangevoerd. Zij heeft (kennelijk) niet deelgenomen aan het arbeidsproces na de echtscheiding in 1982 en zodoende geen eigen pensioen kunnen opbouwen. De man heeft een eigen (koop)woning waarin hij samenwoont met een (nieuwe) levenspartner; op de woning rust een hypotheek van ongeveer € 80.000,-.
4.8
Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat hij thans redelijkerwijs niet tot enige uitkering in staat is, als gevolg van het feit dat hij immers al sinds 2009 gepensioneerd is, hij zijn huishouden heeft gebaseerd op zijn inkomen bestaande uit een AOW uitkering en een pensioenuitkering van in totaal ongeveer
€ 400,- bruto per maand en dat bij het bepalen van de onderhoudsbijdrage voor zijn tweede ex-echtgenote ook rekening is gehouden met zijn hiervoor vermelde inkomen. De man kan zijn financiële positie aldus niet meer “herstellen”. Naar het oordeel van het hof behoefde de man er dertig jaar na de echtscheiding én tweeënhalf jaar na zijn pensionering niet meer op bedacht te zijn, dat zijn eerste ex-echtgenote nog een nadere verdeling zou vorderen van het door de man tot 12 juli 1982 opgebouwde pensioen door middel van waardeverrekening.
Al deze hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden het hof tot het oordeel, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat aan de vrouw geen verrekeningsvordering wordt toegekend ter zake van het voor en tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde ouderdomspensioen van de man.

5.Slotsom

5.1
De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.
5.2
In de omstandigheid dat partijen elkaars gewezen echtgenoten zijn en het geschil uit de ontbinding van hun huwelijk voortvloeit, ziet het hof aanleiding voor compensatie van de kosten in hoger beroep.

6.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 oktober 2012;
compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M.H.H.A. Moes en A.J.H. Blaisse-Ozinga is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 december 2013.