ECLI:NL:GHARL:2013:8857

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 november 2013
Publicatiedatum
20 november 2013
Zaaknummer
P13-360
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid terbeschikkinggestelde in hoger beroep tegen verlenging TBS-maatregel

De terbeschikkinggestelde was in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam om zijn TBS-maatregel met een jaar te verlengen. Tijdens de behandeling van het beroep werd de terbeschikkinggestelde gehoord, evenals een deskundige reclasseringswerker. Hoewel de terbeschikkinggestelde aanvankelijk bezwaar maakte tegen mogelijke voorwaarden die de reclassering wilde opleggen, gaf hij aan geen bezwaar te hebben tegen de verlenging zelf.

Het openbaar ministerie en de terbeschikkinggestelde waren het eens dat er geen reden was om het beroep voort te zetten. Het hof concludeerde dat de terbeschikkinggestelde geen belang meer had bij de behandeling van het beroep. Ondanks dat de behandeling al was begonnen en een deskundige was gehoord, verklaarde het hof de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk.

De beslissing van de rechtbank Rotterdam werd daarmee integraal bevestigd en het beroep werd beëindigd. De uitspraak werd gedaan door een kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 7 november 2013.

Uitkomst: De terbeschikkinggestelde werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de verlenging van de TBS-maatregel.

Uitspraak

TBS P13/0360
Beslissing d.d. 7 november 2013
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[naam terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege wonende te [woonplaats].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2013, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
- de beslissing waarvan beroep;
- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 14 augustus 2013;
- het derde voortgangsverslag TBS van 25 juli 2013;
- de aanvullende informatie van de reclassering van 21 oktober 2013.
Het hof heeft ter zitting van 24 oktober 2013 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. drs. H.J. Ruysendaal, advocaat te Rotterdam, de deskundige mw. H.C. Nagtegaal, reclasseringswerker, en de advocaat-generaal mr A.A. Schut.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman
De terbeschikkinggestelde heeft geen bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank houdende de verlenging van de maatregel met een termijn van een jaar alsmede de door de rechtbank geformuleerde voorwaarden. Desondanks heeft de terbeschikkinggestelde beroep ingesteld tegen die beslissing. De terbeschikkinggestelde vreest immers dat de door de reclassering als mogelijkheid geopperde forensische RIBW constructie als dwingende voorwaarde zal worden opgelegd hetgeen hij ervaart als een achteruitgang in zijn resocialisatietraject. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De terbeschikkinggestelde is het eens met de beslissing van de rechtbank en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Gelet op deze omstandigheden heeft de terbeschikkinggestelde in beginsel geen belang meer bij behandeling van zijn zaak in beroep. Aangezien de behandeling van de zaak reeds is aangevangen en er ter zitting van het hof een deskundige is gehoord, is het echter niet mogelijk de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep. De beslissing van de rechtbank dient daarom integraal te worden bevestigd.
Het oordeel van het hof
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de terbeschikkinggestelde zich kan vinden in de beslissing waarvan beroep. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Naar het oordeel van het hof heeft de terbeschikkinggestelde daarom
geen belang meer bij behandeling van de zaak in beroep. Nu ook de advocaat-generaal heeft doen blijken dat behandeling van de zaak in beroep wat het openbaar ministerie betreft niet meer behoeft plaats te vinden, en het hof daartoe ambtshalve ook geen reden ziet, zal de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk worden verklaard in het beroep. Dat de behandeling van de zaak in beroep reeds was aangevangen en dat er gaande die behandeling een deskundige is gehoord, maakt dat niet anders.

Beslissing

Het hof:
Verklaart de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Aldus gedaan door
mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,
mr. J.W. Rijkers en mr J.M.J. Denie als raadsheren,
en drs. J. Boon en drs. I.M. van Woudenberg als raden,
in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen als griffier,
en op 7 november 2013 in het openbaar uitgesproken.
Mr. J.W. Rijkers en mr J.M.J. Denie en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.