Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1960 in Duitsland gehuwd onder huwelijkse voorwaarden die elke gemeenschap van goederen uitsloten. Na feitelijk uit elkaar gaan in 1991 en echtscheiding in 2012 ontstond een geschil over de financiële afwikkeling, met name over de verdeling van de echtelijke woning, bankrekeningen en een auto.
De vrouw had in 1972 een perceel grond gekocht en in 1974 de echtelijke woning, waarbij de man aanzienlijke financiële bijdragen leverde. Door de sterke waardestijging van het perceel en de woning in Nederland sinds aankoop, oordeelt het hof dat het onaanvaardbaar is dat de vrouw slechts het oorspronkelijk door de man geïnvesteerde bedrag hoeft terug te betalen zonder verrekening van waardevermeerdering.
Het hof bepaalt dat de vrouw de helft van de waarde van de woning per peildatum 16 november 2011 aan de man moet voldoen. Daarnaast moeten de saldi van twee gezamenlijke bankrekeningen gelijk worden verdeeld en wordt de man voor de helft van de waarde van de Honda-auto gecompenseerd. De betaling van de woningvergoeding mag in drie jaarlijkse termijnen geschieden. Het beroep op rechtsverwerking door de vrouw wordt verworpen.
Uitkomst: De vrouw moet de man de helft van de waarde van de echtelijke woning vergoeden en de gezamenlijke bankrekeningen en auto naar rato verrekenen.