Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2013:7384

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 september 2013
Publicatiedatum
3 oktober 2013
Zaaknummer
200.128.259-03
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheren Jonkman, Den Hollander en Lenters van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, stellende dat er sprake zou zijn van onpartijdigheid vanwege onheus gedrag en discrepanties in processtukken.

De wrakingskamer heeft het verzoek ontvankelijk verklaard en de aangevoerde gronden onderzocht. De wrakingsgronden betroffen onder meer het vermeende onheus bejegenen door mr. Den Hollander tijdens een eerdere zitting, het gebruik van de term 'gezinsvoogd' in plaats van 'voogdijwerker', en vermeende discrepanties tussen het proces-verbaal en de beschikking.

De wrakingskamer oordeelde dat de aangevoerde feiten onvoldoende zwaarwegend waren om twijfel aan de onpartijdigheid te rechtvaardigen. Ook het niet onmiddellijk verstrekken van de namen van de raadsheren werd niet als indicatie van partijdigheid gezien. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde vrees voor onpartijdigheid.

Uitspraak

Beschikking 27 september 2013
Rekestnummer 200.128.259/02
HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
Wrakingskamer
Beschikkingin de zaak met zaaknummer 200.128.259/02

[verzoeker],

verzoeker in het wrakingsincident,
hierna te noemen
verzoeker,
advocaat mr. A.H. Staring, kantoorhoudende te Arnhem,
tegen

mrs. G. Jonkman, M.P. Den Hollander en H. Lenters,

raadsheren in dit hof,
verweerders in het wrakingsincident.
Het verloop van de procedure
Bij de afdeling civiel van het hof is een procedure aanhangig met verzoeker als appellant en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering als geïntimeerde.
Ter zitting van 10 september 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn:
- verzoeker, bijgestaan door mr. A.H. Staring;
- mevrouw [X] en de heer [Y], namens de William Schrikker Stichting
Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
- [Z], bijgestaan door mr. F. Hofstra.
Op deze zitting is door verzoeker een verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheren.
De voorzitter heeft hierop de behandeling van de zaak geschorst.
Er is een proces-verbaal opgemaakt van het wrakingsverzoek. De in het proces-verbaal opgenomen verklaring van verzoeker is door verzoeker en mr. Staring ondertekend. Daarnaast is het proces-verbaal door de griffier en door mr. Jonkman, als voorzitter van de behandelende zittingscombinatie van het hof, ondertekend.
De wrakingskamer heeft kennis genomen van de schriftelijke reacties op het wrakingsverzoek van mr. Jonkman d.d. 12 september 2013, mr. Den Hollander d.d.
17 september 2013 en mr. Lenters d.d. 17 september 2013.
Het wrakingsverzoek is op de zitting van 20 september 2013 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker en mr. Staring zijn ter zitting verschenen. Mr. Staring heeft het woord ter zitting gevoerd mede aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota.
Mrs. Jonkman, Den Hollander en Lenters hebben voorafgaand aan de zitting desgevraagd aangegeven af te zien van hun recht om ter zitting te worden gehoord en hebben aangeven niet te berusten in het wrakingsverzoek
De beoordeling
De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek
1.
De wrakingskamer acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk.
De gronden van het wrakingsverzoek
2.
Het door de griffier opgemaakt proces-verbaal van het wrakingsverzoek van verzoeker luidt als volgt:
"Ik wraak rechter Den Hollander en dit hof, omdat Den Hollander zich onbehoorlijk jegens mij heeft gedragen op de zitting van 14 februari 2013 in de wijze waarop zij mij tegemoet trad in woord en gebaar, nadat ik haar had verzocht of zij als rechter de juiste benaming voor de gezinsvoogd wilde hanteren zoals die in de wet staat in artikel 1 Uitvoeringsbesluit Pro van de Wet op de Jeugdzorg. Dit werd door deze rechter structureel geweigerd. Voorts weigerde deze rechter de beschikking van de zitting van 14 februari 2013 aan te passen, terwijl het proces-verbaal een andere versie weergaf van hetgeen ter zitting is voorgevallen.
Daarnaast wordt gesteld dat dit hof niet in staat is een deugdelijk proces-verbaal weer te geven zoals gebleken is tijdens de zitting van 10 september 2013.
Ik heb verzocht aan de rechters om hun namen te geven en dat hebben ze geweigerd, daarom wraak ik ook."
De beoordeling van het wrakingsverzoek
3.
Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 6 EVRM Pro heeft een ieder recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.
5.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv Pro/artikel 6 EVRM Pro kan onderscheid gemaakt worden tussen subjectieve en objectieve aspecten van onpartijdigheid. Bij de subjectieve aspecten gaat het om de persoonlijke instelling van de rechter. Bij de objectieve aspecten gaat het om feiten of omstandigheden die, ongeacht de persoonlijke instelling van de rechter, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. De verzoeker hoeft niet te bewijzen dat die feiten of omstandigheden ook werkelijk tot vooringenomenheid hebben geleid: "legitimate doubt" kan voldoende zijn. De feiten waarop de verzoeker zich beroept moeten aannemelijk zijn geworden. Zij moeten zwaarwegende redenen opleveren voor (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid.
6.
Verzoeker heeft een viertal wrakingsgronden aangevoerd die deels alleen zien op de onpartijdigheid van mr. Den Hollander en deels op de onpartijdigheid van de gehele zittingscombinatie van 10 september 2013. Het hof zal eerst de wrakingsgronden ten aanzien van mr. Den Hollander behandelen en volgens de overige gronden.
De wrakingsgronden ten aanzien van mr. Den Hollander
7.
Verzoeker heeft twee gronden aangevoerd op basis waarvan hij vreest dat
mr. Den Hollander niet onpartijdig naar de huidige zaak van verzoeker kan kijken. De wrakingskamer zal beide punten afzonderlijk bespreken.
*
De bejegening ter zitting van 14 februari 2013
8.
Ter zitting van 10 september 2013 heeft verzoeker gesteld dat hij mr. Den Hollander wraakt omdat zij hem op de zitting van 14 februari 2013 onheus zou hebben bejegend omdat zij het woord gezinsvoogd bezigde in plaats van de op de wet gebaseerde term voogdijwerker.
9.
Onheuse bejegening op een eerdere zitting kan een reden kan zijn om te vrezen dat de onpartijdigheid van een rechter schade lijdt.
10.
Verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer echter niet (nader) uiteengezet waaruit die onheuse bejegening door mr. Den Hollander ter zitting van het hof van 14 februari 2013 blijkt. Ter zitting van 10 september 2013 heeft verzoeker in dit verband slechts gewezen op het gebruik van de term gezinsvoogd door mr. Den Hollander. Het gebruik van die term levert echter geen grond op om te vrezen dat mr. Den Hollander niet in staat zou zijn de thans aan het hof voorliggende zaak van verzoeker onpartijdig te beoordelen.
Nu verzoeker deze wrakingsgrond voor het overige niet heeft onderbouwd kan deze niet slagen.
* De discrepantie tussen de tekst van de beschikking van 21 februari 2013 en het proces-
verbaal van de zitting van 14 februari 2013
11.
Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker gesteld dat in de beschikking van het hof van 21 februari 2013 staat dat verzoeker erkend heeft dat hij zijn partner slaat, hetgeen hij ter zitting van het hof van 14 februari 2013 echter volgens verzoeker niet erkend heeft.
De wrakingskamer constateert dat de gewraakte ‘erkenning’ noch in de beschikking noch in het proces-verbaal van de zitting van 14 februari 2013 vermeld staat. In zoverre is er dan ook geen sprake van enige discrepantie tussen de tekst van de beschikking en de inhoud van het proces-verbaal van de zitting.
12.
Voor zover verzoeker bedoelt te stellen dat er sprake is van een discrepantie tussen de beschikking en het proces-verbaal nu in de beschikking staat vermeld dat "de vader ter zitting heeft erkend dat momenteel grote spanningen bestaan tussen hem en zijn partner, waarvan de kinderen getuigen zijn" terwijl dit niet in het proces-verbaal staat overweegt de wrakingskamer als volgt.
13.
Uit de stukken en de gevoerde correspondentie rondom het door verzoeker verzochte herstel van de beschikking van 21 februari 2013 blijkt dat verzoeker erkent dat er binnen zijn gezin sprake was van spanningen, maar dat verzoeker deze spanningen wijt aan de ondertoezichtstelling en de dreigende uithuisplaatsing. De wrakingskamer constateert
- met verzoeker - dat de bewuste zin inderdaad niet in het proces-verbaal van de zitting van 14 februari 2013 vermeld staat, maar constateert tevens dat in de beschikking geen oorzaak voor de spanningen vermeld is. Die beschikking sluit de door verzoeker genoemde oorzaak dus niet uit.
14.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechter bij de vaststelling in zijn beschikking van het ter zitting verhandelde niet aan de inhoud van het proces-verbaal gebonden is, zodat een verschil tussen de inhoud van het proces-verbaal en de overweging van de rechter waarop de beslissing steunt, deze laatste niet zonder meer onbegrijpelijk maakt (o.a. HR 02 april 1999, NJ 1999, 656 en HR 21 januari 1994, NJ 1994, 335). Het enkele feit dat er een discrepantie bestaat tussen de inhoud van het proces-verbaal en de inhoud van de beschikking, brengt derhalve niet mee dat mr. Den Hollander reeds om die reden geacht moet worden vooringenomen te zijn in de thans aan het hof voorliggende zaak. Voorts overweegt de wrakingskamer dat de genoemde zin niet dragend is geweest voor de beslissing uit de beschikking van 21 februari 2013.
De wrakingsgronden ten aanzien van mrs. Jonkman, Den Hollander en Lenters gezamenlijk
15.
Ten aanzien van mrs. Jonkman, Den Hollander en Lenters heeft verzoeker een tweetal gronden aangevoerd op basis waarvan hij vreest dat deze raadsheren het huidige appel van verzoeker niet onpartijdig kunnen beoordelen. De wrakingskamer zal beide punten afzonderlijk bespreken.
*
Het feit dat de raadsheren ter zitting hun namen niet gegeven hebben
16.
Verzoeker stelt dat bovengenoemde raadsheren ter zitting van 10 september 2013 hebben geweigerd desgevraagd hun namen te noemen. Volgens verzoeker was de behandelende samenstelling van het hof op deze datum anders dan tevoren door de griffie van het hof aan hem was doorgegeven en heeft hij de voorzitter vervolgens gevraagd om de namen van de zittende raadsheren te noemen. De reden hiervan was volgens verzoeker gelegen in het feit dat hij niet wilde dat de raadsheren die tijdens de vorige procedure bij het hof over het appel van verzoeker hadden geoordeeld, en dan met name mr. Den Hollander, wederom over zijn zaak zouden oordelen. De advocaat van verzoeker heeft hieraan toegevoegd dat verzoeker in staat moet zijn om de nevenfuncties van raadsheren die over zijn zaak oordelen te kunnen controleren.
17.
De voorzitter had, daarin heeft verzoeker gelijk, toen dat werd gevraagd de namen van de leden van de zittingscombinatie meteen moeten meedelen. De verplichting daartoe vloeit onder andere voort uit de mogelijkheid die partijen moeten hebben te controleren of de betrokken raadsheren nevenfuncties hebben die conflicteren met de behandeling van de zaak. Uit het enkele feit echter dat de namen niet meteen genoemd zijn, kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat er reden is te vrezen dat de onpartijdigheid van de betrokken raadsheren in het geding is. Toen verzoeker het hof vroeg of mr. Den Hollander deel uitmaakte van de zittingscombinatie is hier vervolgens namelijk meteen bevestigend op geantwoord. Dat wijst niet op een poging verborgen te houden wat kenbaar gemaakt moest worden, integendeel, de verlangde openheid werd alsnog betracht.
*
Het opmaken van het proces-verbaal
18.
Verzoeker stelt dat het hof niet in staat is om een deugdelijk proces-verbaal van de zitting op te stellen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst verzoeker naar de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 10 september 2013 dat verzoeker toegezonden heeft gekregen in het kader van de wrakingsprocedure en dat deelt uitmaakt van het wrakingsdossier.
Deze stelling mist echter feitelijke grondslag nu het proces-verbaal waar namens verzoeker ter zitting van de wrakingskamer naar is verwezen het wrakingsproces-verbaal betreft en niet het proces-verbaal van de zitting van 10 september 2013. Het wrakingsproces-verbaal is in feite een verkort proces-verbaal en bevat enkel de gronden van het wrakingsverzoek van verzoeker.
19.
Voor zover verzoeker heeft willen stellen dat het hof in zijn algemeenheid niet in staat is
om een proces-verbaal op te stellen en dus onvoldoende onpartijdig is omdat de zittingscombinatie van de zitting van 10 september 2013 ter zitting niet terstond in staat zou zijn geweest om de door verzoeker aangedragen wrakingsgronden te reproduceren overweegt de wrakingskamer als volgt.
20.
Tijdens de zitting maakt een griffier (veelal in steekwoorden) aantekeningen van hetgeen door partijen ter zitting gezegd wordt en aan de hand hiervan wordt normaliter ná de zitting een proces-verbaal opgemaakt. In het proces-verbaal wordt een zakelijke weergave gegeven van hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht. Bij het opmaken van het proces-verbaal kan de griffier naast de eigen gemaakte aantekeningen en herinneringen ook gebruik maken van de aantekeningen van de voorzitter en/of de andere raadsheren. Nadat de griffier het proces-verbaal heeft opgesteld wordt dit gecontroleerd en eventueel aangevuld door de voorzitter alvorens het door de griffier en de voorzitter getekend wordt.
21.
In het onderhavige geval heeft verzoeker de griffier tijdens zitting verzocht voor te lezen welke (wrakings)gronden verzoeker even te voren had aangevoerd. Hiertoe was zij volgens verzoeker niet in staat. Wat er ook zij van het feit dat de griffier niet in staat zou zijn geweest de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden terstond te reproduceren, de wrakingsgronden in het wrakingsproces-verbaal zijn juist opgenomen, hetgeen mede blijkt uit het feit dat verzoeker en zijn advocaat hier beiden hun handtekening onder hebben gezet. De geschetste gang van zaken leidt dan ook niet tot de conclusie dat het hof niet in staat zou zijn een juist proces-verbaal op te stellen en op die grond objectief gezien een gerechtvaardigde vrees voor gebrek aan onpartijdigheid kan bestaan.
Slotsom
22.
In het voorgaande is ten aanzien van elke grond overwogen of daaruit (een schijn van) partijdigheid kan worden afgeleid. Dit is niet het geval. Alles afwegende is de wrakingskamer van oordeel dat de gronden ook in onderling verband en samenhang bezien niet de conclusie kunnen schragen dat de behandelende kamer van het hof blijk heeft gegeven van vooringenomenheid dan wel objectief gezien de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Het wrakingsverzoek zal om die reden worden afgewezen.
De beslissing
Het gerechtshof (de wrakingskamer):
- wijst af het verzoek tot wraking.
Aldus gewezen door mr. J.J. Beswerda, mr. W.P.M. ter Berg en mr. J.H. Kuiper, leden van de wrakingskamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 september 2013 in bijzijn van de griffier mr. M. Koster.