ECLI:NL:GHARL:2013:7355
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onttrekking reserveringspotje
In deze zaak staat de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling voor appellanten centraal. De rechtbank had de regeling beëindigd omdat appellanten tijdens het minnelijk traject en na ondertekening van het verzoek tot toepassing van de regeling forse bedragen van hun rekening bij de Stadsbank hadden opgenomen, zonder deze ten goede te laten komen aan hun schuldeisers.
Appellanten voerden aan dat zij niet wisten dat opname van het reserveringspotje niet was toegestaan en dat zij het geld voornamelijk besteedden aan noodzakelijke uitgaven voor hun in 2011 geboren tweeling. Zij boden aan het bedrag terug te betalen en vroegen om verlenging van de regeling.
Het hof oordeelde dat appellanten hadden behoren te begrijpen dat het reserveringspotje bedoeld was voor schuldeisers en dat zij onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de uitgaven dringend noodzakelijk waren. Ook erkenden zij bewust belastingteruggaven niet via de Stadsbank te hebben laten lopen. Het hof concludeerde dat de regeling op grond van artikel 350 lid 3 onder Pro f Fw terecht was beëindigd, omdat appellanten niet te goeder trouw waren geweest en onvoldoende vertrouwen hadden gewekt in nakoming van hun verplichtingen.
Een verlenging van de regeling om terugbetaling mogelijk te maken werd afgewezen omdat terugbetaling uit het vrij te laten bedrag moet plaatsvinden en niet uit toekomstig inkomen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens onttrekking van gelden aan het reserveringspotje zonder ten behoeve van schuldeisers te zijn aangewend.