Belanghebbende is eigenaar van twee Enercon E-66 windturbines waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2009 was vastgesteld op €2.243.000. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd deze waarde verminderd tot €1.992.708. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de technische en functionele afschrijving, de werktuigenvrijstelling en de vervangingswaarde onjuist waren toegepast.
De heffingsambtenaar verdedigde de waarde van €1.992.708, gebaseerd op taxatiewijzers opgesteld door de VNG en andere partijen, met een werktuigenvrijstelling van 30%. Belanghebbende betoogde dat hij niet gebonden was aan deze taxatiewijzers en overlegde een eigen taxatierapport met een lagere waarde van €1.688.000, gebaseerd op een hogere werktuigenvrijstelling van 35% en een lagere restwaarde.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet gebonden was aan de taxatiewijzers omdat hij niet betrokken was bij het overleg en dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde juist was vastgesteld. Het Hof stelde de vervangingswaarde vast op basis van een prijsopgave van de producent en corrigeerde deze naar de waardepeildatum. Tevens achtte het Hof een werktuigenvrijstelling van 35% aannemelijk en een restwaarde van 5% passend vanwege verwijderingskosten.
Hierdoor kwam het Hof tot een lagere waarde van €1.581.342, wat lager is dan de door belanghebbende voorgestelde waarde. Het Hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de eerdere uitspraken en stelde de WOZ-waarde vast op €1.688.000. Daarnaast veroordeelde het Hof de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende.