Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De motivering van de beslissing
Bij de brief van 1 juli 2013 heeft de advocaat van de vrouw het hof verzocht over de hoogte van de behoefte van de kinderen en de bijdrage daarin van de man een beslissing te nemen.
2.3 Zoals in de tussenbeschikking van het hof van 28 februari 2013 onder 5.1 is overwogen is het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen, afgeleid uit de Nibud-tabel, van € 490,- per kind per maand tussen partijen niet in geschil. Het hof dient te beslissen op het verschil in inzicht van partijen over de mate waarin dit bedrag per kind voor de berekening van de onderhoudsbijdrage van de man in 2012 nog dient te worden verhoogd met de bijkomende kosten voor sport en andere zaken.
De vrouw heeft in hoger beroep aangevoerd dat [kind 1] is gaan golfen, hetgeen volgens de vrouw leidt tot een hogere behoefte van [kind 1]. Het hof is van oordeel dat ook de deelname aan het recreatief beoefenen van de golfsport niet kan leiden tot een hogere behoefte van [kind 1]. De keuze voor de deelname van [kind 1] aan een sport die mogelijk bijzondere kosten met zich brengt ligt in beginsel bij beide ouders. Indien de keuze geen gezamenlijke is, in die zin dat over de onderlinge bijdrage in de daarmee gepaard gaande kosten tussen de ouders geen overeenstemming is bereikt, ziet het hof geen aanleiding deze - niet noodzakelijk geachte - kosten bij het bepalen van de behoefte in aanmerking te nemen en aldus de gevolgen van de keuze mede op de ouder af te wentelen die geen akkoord voor het maken van de kosten voor de betreffende sport heeft gegeven.
2.5 Ten aanzien van de tenniskosten van [kind 2] en [kind 3] is het hof met de rechtbank van oordeel dat er sprake is van bijzondere (behoefteverhogende) kosten, zolang zij deze sport op topniveau blijven beoefenen. De man heeft in eerste aanleg de deelname van [kind 2] en [kind 3] aan toptennis erkend, maar stelt dat zij inmiddels daarmee, net als [kind 1], zijn gestopt, althans dat deelname financieel niet haalbaar is. Gelet op het door de vrouw opgestelde kostenoverzicht en de verklaring van de vrouw terzake en bij gebrek aan onderbouwing van zijn stelling door de man is onvoldoende aannemelijk geworden dat de kosten voor toptennis van [kind 2] en [kind 3] niet meer worden gemaakt. De financiële haalbaarheid is een criterium dat niet bij het bepalen van de behoefte maar bij het bepalen van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. Zolang wordt deelgenomen aan toptennis, verhogen de kosten dan ook de behoefte van [kind 2] en [kind 3]. Het hof sluit voor de hoogte van de tenniskosten aan bij de door de vrouw als productie 3 bij haar verweerschrift in incidenteel hoger beroep overgelegde stukken, waaruit de kosten van privé training van [kind 2] en [kind 3] in het seizoen 2011/2012 (winter- en zomertraining) blijken. De vrouw heeft in haar overzicht de “in rekening gebrachte en betaalde kosten” voor [kind 2] en [kind 3] berekend op € 171,41 per kind per maand. Daarnaast stelt de vrouw nog bijkomende kosten voor de huur van de hal, welke echter niet geheel inzichtelijk worden gemaakt. Dat de kosten voor de huur van de hal horen bij de kosten voor toptennis wordt niet betwist, zodat het hof het onder de gegeven omstandigheden redelijk acht aan te sluiten bij het door de rechtbank gehanteerde bedrag van € 199,- per kind per maand.