Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
5.Slotsom
€ 9.409,-
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen werkten sinds 1998 samen in een vennootschap onder firma (v.o.f.) en hielden zich bezig met loonwerk en grondverzet op een locatie met bekende bodemverontreiniging. Na ontbinding van de v.o.f. en overdracht van onroerende zaken aan appellant, verkocht deze de percelen voor woningbouw. Later bleek uit bodemonderzoek dat de verontreiniging ernstiger was dan eerder bekend.
Appellant stelde dat geïntimeerde hiervan op de hoogte was en hem had moeten informeren, en vorderde vernietiging van de verdelingsovereenkomst, ontbinding of schadevergoeding wegens dwaling, bedrog of onrechtmatig handelen. Het hof onderzocht of geïntimeerde een mededelingsplicht had over de ernstiger verontreiniging.
Het hof oordeelde dat geïntimeerde niet op de hoogte was van de voorgenomen bestemmingswijziging naar woningbouw en dat bij voortzetting van industrieel gebruik geen saneringsnoodzaak bestond. Daarom rustte geen mededelingsplicht op geïntimeerde. De vorderingen van appellant werden afgewezen en het vonnis van de rechtbank Zutphen bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van appellant af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zutphen.