Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
1.Het geding in eerste aanleg
25 mei 2011 en 7 maart 2012 van de rechtbank Assen.
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 juni 2012,
- de memorie van grieven (met producties),
- de memorie van antwoord.
"bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Assen d.d. 7 maart 2012 (zaaknummer 85652/HA ZA11-206) en opnieuw rechtdoende te bepalen:
Staatsblad2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.
3.De beoordeling
[de holding van appellante], welke vennootschap statutair bestuurder is van [appellante].
factuurdatum factuurnummer factuurbedrag (inclusief btw)a. 16 februari 2009 [nummer] € 44.344,99
b. 24 maart 2009 [nummer] € 17.850,-
c. 8 februari 2010 [nummer] € 6.756,94
d. 8 maart 2010 [nummer] € 2.722,72
e. 8 maart 2010 [nummer] € 17.850,-.
“[directeur van appellante], [adres]”.
“[appellanten]", onder meer het volgende:
De grieven strekken tot handhaving van de verweren die [appellante] in eerste aanleg heeft gevoerd en worden in het navolgende thematisch behandeld.
grieven I tot en met IIIzien op het door de rechtbank verworpen verweer dat [directeur van appellante] Metaal ten onrechte wordt aangemerkt als de contractuele wederpartij van
[geïntimeerde] Volgens [appellante] is de opdracht door de heer [directeur van appellante] privé (hierna kortheidshalve: [directeur van appellante]) gegeven en is met hem de contractuele band tot stand gekomen. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
[appellante]. Voorts ging het bij de verbouwing weliswaar om een aan [directeur van appellante] in eigendom toebehorend woonhuis maar gesteld noch gebleken is dat hij daarin ook woonde. Het enige adres dat in de stukken als woonadres van [directeur van appellante] is vermeld, is [adres]. Alle facturen die [geïntimeerde] heeft verzonden zijn consequent gericht aan "[directeur van appellante]" welke naam zowel op [appellante] als op [directeur van appellante] persoonlijk kan duiden. De facturen zijn echter alle gericht aan het adres van [appellante] en niet aan het privé-adres van [directeur van appellante]. Hetzelfde geldt voor de door [geïntimeerde] verzonden correspondentie. Op de aldus verzonden factuur van 16 februari 2009 volgde betaling vanaf de bankrekening van [appellante]. Verder werd de bespreking op 9 januari 2009, naar aanleiding van de problemen rond firma [voorganger van geïntimeerde], plaats in de bedrijfsruimte van
[appellante]. Ten slotte heeft AFI zich in haar brieven van 23 april en 7 mei 2009 uitdrukkelijk gericht tot [appellante]. Die rechtspersoon wordt in gebreke gesteld en zij wordt gewaarschuwd voor een gerechtelijke procedure. Echter ook op dat moment heeft [directeur van appellante] niet per omgaande gemeld dat niet [appellante] maar hijzelf te beschouwen is als contractspartij. Pas op 12 juli 2010, bijna een à twee jaar na uitvoering van de werkzaamheden en ruim twee maanden na de eerste brief van AFI stelt [directeur van appellante] zich op het standpunt dat niet [appellante] maar hijzelf contractspartij is.
[appellante] beklaagt zich er ten onrechte over dat haar geen gelegenheid is geboden tot het leveren van bewijs (naar het hof aanneemt bedoelt [appellante] tegenbewijs) met name door het doen horen van de heer [namens geïntimeerde]. Aan tegenbewijs wordt hier echter niet toegekomen. De door [geïntimeerde] gestelde (onder 3.3.4. opgesomde) feiten en omstandigheden worden door [appellante] immers niet weersproken en het zijn die feiten en de van de zijde van
aangedragen en evenmin bestreden feiten, gelezen in hun onderlinge verband, waaruit volgt dat [geïntimeerde] [appellante] en niet [directeur van appellante] persoonlijk als haar contractuele wederpartij mocht beschouwen.
[appellante] dat aldus [geïntimeerde] alsnog zelf te doen. De rechtbank vervolgt dat
heeft gesteld dat zij op 9 januari 2009
"uit coulance overwegingen heeft ingestemd met het voorstel van [appellante] om ieder de helft van het verlies voor eigen rekening te nemen."
[appellante] heeft gesteld volgt niet meer dan dat een derde (firma [voorganger van geïntimeerde]) de schuld van [appellante] zou voldoen en niet dat die schuld zelf ook overging op firma [voorganger van geïntimeerde].
. Nu vaststaat dat firma [voorganger van geïntimeerde] niet heeft betaald en dit gezien haar faillissement ook niet meer zal doen, rust derhalve op [appellante] nog steeds de opeisbare verplichting tot betaling aan [geïntimeerde] heeft dan ook terecht een beroep gedaan op de op [directeur van appellante] Metaal rustende verplichting tot betaling van € 35.700,- inclusief btw.
"Tegen de meerwerkfacturen van € 6.756,94 en € 2.722,72 is geen verweer gevoerd, zodat deze als onweersproken zullen worden toegewezen."