In deze zaak ging het om de vraag of de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee kinderen rechtmatig was. De kinderrechter had op 7 november 2012 een beschikking gegeven waarin de termijn van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing werd verlengd. Verzoekster stelde dat deze beschikking niet op die datum was gegeven, maar pas op 8 november 2012, waardoor de verlenging niet tijdig was en de uithuisplaatsing onrechtmatig.
De voorzieningenrechter wees de vordering van verzoekster tot afgifte van de kinderen af, maar het hof oordeelde in hoger beroep dat de uitspraakdatum van de beschikking inderdaad niet op 7 november 2012 lag, maar op 8 november 2012. Hierdoor was de machtiging tot uithuisplaatsing op dat moment al verlopen en kon deze niet meer worden verlengd.
Het hof vernietigde daarom het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde de stichting tot afgifte van de kinderen aan verzoekster, voor zover zij nog uit huis waren geplaatst op basis van de vernietigde beschikking. De stichting werd tevens veroordeeld in de kosten van beide instanties. Het hof zag geen aanleiding tot het opleggen van een dwangsom.
Deze uitspraak benadrukt het belang van tijdige en correcte procedurele handelingen bij verlenging van uithuisplaatsingen en bevestigt dat een niet-tijdige beschikking de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing aantast.