Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2013:5243

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juli 2013
Publicatiedatum
17 juli 2013
Zaaknummer
200.120.047
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking verlenging uithuisplaatsing wegens te late afgifte

In deze zaak ging het om de vraag of de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee kinderen rechtmatig was. De kinderrechter had op 7 november 2012 een beschikking gegeven waarin de termijn van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing werd verlengd. Verzoekster stelde dat deze beschikking niet op die datum was gegeven, maar pas op 8 november 2012, waardoor de verlenging niet tijdig was en de uithuisplaatsing onrechtmatig.

De voorzieningenrechter wees de vordering van verzoekster tot afgifte van de kinderen af, maar het hof oordeelde in hoger beroep dat de uitspraakdatum van de beschikking inderdaad niet op 7 november 2012 lag, maar op 8 november 2012. Hierdoor was de machtiging tot uithuisplaatsing op dat moment al verlopen en kon deze niet meer worden verlengd.

Het hof vernietigde daarom het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde de stichting tot afgifte van de kinderen aan verzoekster, voor zover zij nog uit huis waren geplaatst op basis van de vernietigde beschikking. De stichting werd tevens veroordeeld in de kosten van beide instanties. Het hof zag geen aanleiding tot het opleggen van een dwangsom.

Deze uitspraak benadrukt het belang van tijdige en correcte procedurele handelingen bij verlenging van uithuisplaatsingen en bevestigt dat een niet-tijdige beschikking de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing aantast.

Uitkomst: De stichting wordt veroordeeld tot afgifte van de kinderen aan verzoekster wegens niet tijdige verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.120.047
(zaaknummer rechtbank Arnhem 236761)
arrest in kort geding van de vierde kamer van 16 juli 2013
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna: [verzoekster],
advocaat: mr. R. Skála,
tegen:
Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
geïntimeerde
hierna: de stichting,
advocaat: mr. N.R. Kasteel.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
13 december 2012 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem tussen [verzoekster] als eiseres en de stichting als gedaagde heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 8 januari 2013,
  • de memorie van grieven met 1 productie,
  • de memorie van antwoord met producties.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3.De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis van 13 december 2012.

4.De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1
Bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking met dagtekening 7 november 2012 (hierna: de beschikking) heeft de kinderrechter in de rechtbank Arnhem de termijn van de ondertoezichtstelling van de kinderen van [verzoekster], [kind 1] en [kind 2], verlengd tot 8 november 2013 en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs verlengd tot 8 mei 2013. [verzoekster] vordert in dit kort geding afgifte door de stichting van de kinderen aan haar. Zij stelt dat de beschikking weliswaar is gedateerd op 7 november 2012, maar dat deze niet op 7 november 2012 is gegeven noch in het openbaar is uitgesproken, waardoor de lopende termijn van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing op 7 november 2012 om 24:00 uur is verstreken en verlenging daarna niet meer mogelijk is. Ter onderbouwing van deze stelling voert [verzoekster] aan dat zij op 7 november 2012 omstreeks 10:00 uur en omstreeks 16.30 uur en op 8 november 2012 omstreeks 9:00 uur telkens telefonisch contact heeft gehad met een medewerk(st)er van de griffie van de rechtbank Arnhem, die haar desgevraagd telkenmale meedeelde dat ter griffie geen beschikking was gegeven. Haar advocaat heeft op 8 november 2012 rond 13.10 uur de beschikking ontvangen. Bij dagvaarding in kort geding heeft [verzoekster] afgifte van de kinderen gevorderd op de (kennelijke) grondslag dat hun uithuisplaatsing onrechtmatig is, omdat de verlengingsbeschikking niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op 7 november 2012, is gegeven. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [verzoekster] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. [verzoekster] komt met 7 grieven op tegen de beslissing van de voorzieningenrechter. Zij beoogt met deze grieven het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.
4.2
Het is het hof ambtshalve bekend dat dit hof bij beschikking van 23 mei 2013 in het hoger beroep dat [verzoekster] had ingesteld tegen de beschikking met dagtekening 7 november 2012 heeft geoordeeld als volgt. Het hof stelt hierbij voorop dat ook de stichting en [verzoekster] met deze beschikking bekend zijn, nu aan ieder van hen (bij [verzoekster] via haar advocaat mr. Skála) een afschrift daarvan is verstrekt. Uit de door de [verzoekster] in die procedure gestelde feiten en omstandigheden blijkt ondubbelzinnig de onjuistheid van de in de beschikking genoemde uitspraakdatum 7 november 2012. De dag van de uitspraak, zijnde de dag waarop de rechterlijke beslissing openbaar wordt gemaakt, is 8 november 2012. Dit brengt mee dat de uitspraakdatum van de bestreden beschikking niet is gelegen vóór de afloop van de geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, zodat die machtiging niet meer kon worden verlengd. Het hof heeft de beschikking daarom vernietigd.
4.3
In dit kort geding in hoger beroep richt het hof zich naar hetgeen is overwogen en beslist in de voornoemde beschikking van 23 mei 2013 en oordeelt dat de grieven van [verzoekster] in elk geval in zoverre slagen dat de beschikking in weerwil van de dagtekening op 7 november 2012 pas is gegeven op 8 november 2012. Dit betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing, waarvan de geldigheidsduur op 8 november 2012 al was verstreken, op die dag niet meer kon worden verlengd. Bij gebreke van een geldige machtiging tot uithuisplaatsing was de stichting gehouden de kinderen aan [verzoekster] af te geven. Het hof ziet daarin aanleiding de gevorderde voorziening tot afgifte alsnog te geven. Het hof zal de stichting veroordelen tot afgifte van de kinderen aan [verzoekster], voor zover de kinderen nog uit huis zijn geplaatst op grond van de vernietigde beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Arnhem met dagtekening 7 november 2012 of een daarbij aansluitende verlenging van die machtiging. De overige grieven van [verzoekster] behoeven geen beoordeling, nu dat niet tot een ander beslissing kan leiden. Het hof gaar ervan uit dat de stichting gevolg zal geven aan de bij dit arrest gegeven voorziening en ziet geen aanleiding aan de verplichting van de stichting tot afgifte van de kinderen een dwangsom te verbinden.

5.Slotsom

5.1
De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd.
5.2
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof de stichting in de kosten van beide instanties veroordelen.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [verzoekster] zullen worden vastgesteld op:
  • explootkosten € 101,12
  • griffierecht
subtotaal verschotten € 368,12
- salaris advocaat
€ 527,-
Totaal € 895,12
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de stichting zullen worden vastgesteld op:
  • explootkosten € 99,35
  • griffierecht
subtotaal verschotten € 398, 35
- salaris advocaat
€ 894,-(1 punt x tarief 2)
Totaal € 1.292,35

6.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 13 december 2012 en doet opnieuw recht;
veroordeelt de stichting tot afgifte van de kinderen [kind 1] en [kind 2] aan [verzoekster], voor zover [kind 1] en [kind 2] nog uit huis zijn geplaatst op grond van de vernietigde beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Arnhem met dagtekening 7 november 2012 of een daarbij aansluitende verlenging van die machtiging;
veroordeelt de stichting in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [verzoekster] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 398,12 voor verschotten en op € 527,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 398,35 voor verschotten en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Dozy en R. Krijger en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2013.