ECLI:NL:GHARL:2013:4273

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 juni 2013
Publicatiedatum
23 juni 2013
Zaaknummer
200.121.395
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming verhuizing en wijziging hoofdverblijfplaats kinderen

In deze zaak staat het geschil centraal over de vervangende toestemming voor verhuizing van de kinderen naar een andere plaats en de wijziging van hun hoofdverblijfplaats. De moeder wil met de kinderen verhuizen naar een andere woonplaats vanwege haar sociale netwerk en persoonlijke redenen, terwijl de vader dit afwijst omdat dit niet in het belang van de kinderen zou zijn, mede vanwege de reistijd en het co-ouderschap.

Het hof heeft het geschil beoordeeld aan de hand van artikel 1:253a BW en het belang van de kinderen als uitgangspunt genomen. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de kinderen geworteld zijn in de huidige woonplaats, waar zij opgroeien en intensief contact hebben met de vader. Een verhuizing zou leiden tot wisseling van school en opvang en het verbreken van sociale contacten.

Hoewel de moeder een belang heeft bij terugkeer naar de andere plaats, weegt dit niet zwaarder dan het belang van de kinderen en de vader bij handhaving van de huidige situatie. De moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat het huidige contact met familie en kennissen niet volstaat. Ook acht het hof de reistijd van anderhalf uur belastend voor de kinderen en zal de rol van de vader aanzienlijk worden verkleind bij verhuizing.

Het hof bevestigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek van de moeder af. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de relatie tussen partijen en het belang van de kinderen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder af om vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing en wijziging hoofdverblijfplaats van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.121.395
(zaaknummer rechtbank Utrecht 327140)
beschikking van de familiekamer van 13 juni 2013
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. T. Husen te Amersfoort,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. N.C. de Vos te Amersfoort.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 31 oktober 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 30 januari 2013;
- het verweerschrift in hoger beroep, ingekomen op 19 maart 2013;
- een brief van mr. De Vos van 8 mei 2013 met bijlagen, ingekomen op 13 mei 2013;
- een brief van mr. Husen van 13 mei 2013 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 23 mei 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is, met kennisgeving vooraf, niemand verschenen.

3.De vaststaande feiten

3.1
Het geregistreerd partnerschap van partijen is op [datum] 2010 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [kind], geboren op [geboortedatum ] 2006, en
- [kind 2], geboren op [geboortedatum ] 2009.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
3.3
Bij ouderschapsplan, door partijen ondertekend op 28 januari 2010, zijn partijen, voor zover voor het schil in hoger beroep van belang, het volgende overeengekomen:
“Diversen (…)
Afstand om te verhuizen is niet meer dan 1 uur en 1 kwartier rijden met de auto.”
3.4
Bij herziene versie van het ouderschapsplan, door partijen ondertekend op 16 mei 2011, zijn de ouders, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:
“Na anderhalf jaar zich aan het eerder opgestelde ouderschapsplan gehouden te hebben, zijn beide ouders het er over eens dat de zorg van de kinderen niet geheel eerlijk verdeeld is.
Hierin hebben ze geconcludeerd dat de opvang op het moment 60 procent voor moeder is en 40 procent voor vader. Beide ouders willen graag dat de verdeling 50/50 is qua opvang maar ook het financiële gedeelte. Vandaar dat ze gezamenlijk gekeken hebben naar de herverdeling van opvang van de kinderen en de financiën en tot de conclusie zijn gekomen om voor co-ouderschap te gaan.”

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen zijn in hoger beroep in geschil de verzoeken van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing met de kinderen naar [plaats] en om de kinderen uit te schrijven bij de school/KDV/BSO te [woonplaats] en hen in te schrijven bij een school/KDV/BSO te [plaats] en om de hoofdverblijfplaats van [kind] bij haar te bepalen.
De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen.
4.2
De moeder heeft tegen de bestreden beschikking dertien grieven geformuleerd.
4.3
Het hof zal de grieven in hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank, en in hoger beroep het hof, worden voorgelegd.
5.2
De moeder voert- kort weergegeven - in haar beroepschrift en ter mondelinge behandeling aan dat zij wil terugkeren naar [plaats], omdat zij niet kan aarden in [woonplaats] en omdat zij in [plaats] beschikt over een beter sociaal netwerk. Een verhuizing naar [plaats] is volgens de moeder niet heel ingrijpend, zeker nu de kinderen al vanaf hun geboorte vertrouwd zijn met het reizen naar familie en kennissen in [plaats]. De moeder ontkent dat sprake is van een co-ouderschap, maar zij zal ook na de verhuizing de vader waar mogelijk betrekken in de opvoeding van de kinderen. Zij verzoekt het hof te bepalen dat de raad een onderzoek verricht. De moeder stelt ten slotte dat zij niet in haar eigen belang handelt, maar in het belang van de kinderen.
5.3
De vader stelt - kort weergegeven - in zijn verweerschrift en ter mondelinge behandeling dat een verhuizing naar [plaats] niet in het belang van de kinderen is. Volgens de vader is sprake van een co-ouderschap, hetgeen als de kinderen naar [plaats] verhuizen door de lange reistijd niet meer mogelijk is. De vader stelt voorts dat de kinderen weliswaar vertrouwd zijn met het reizen naar [plaats], maar dat hiermee niet is gegeven dat zij een verhuizing naar [plaats] aankunnen. Bovendien, zo stelt de vader, zijn de kinderen verweven met [woonplaats]. Volgens de vader is niet gebleken dat de moeder de belangen van de kinderen in haar verzoek heeft betrokken.
5.4
Het hof stelt voorop dat uit het bepaalde in artikel 1:253a BW volgt dat het hof een zodanige beslissing dient te nemen als het hof in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.
5.5
Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek door de raad te gelasten. Voorop staat dat de kinderen geworteld zijn in [woonplaats]. Zij zijn daar geboren, groeien daar op en hebben intensief contact met de vader. Een verhuizing naar [plaats] brengt mee dat [kind] van school en buitenschoolse opvang zal moeten wisselen, dat [kind 2] naar een ander kinderdagverblijf zal moeten en dat hun sociale contacten worden verbroken.
Hoewel de moeder er, omdat zij niet kan aarden in [woonplaats], een belang heeft bij een terug keer naar [plaats] om daar een nieuw bestaan op te bouwen, dient dit belang in het onderhavige geval niet zwaarder te wegen dan de belangen van de kinderen en de vader bij handhaving van de huidige woonplaats. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat de wijze waarop zij op dit moment contacten onderhoudt met haar familie en kennissen in [plaats] niet langer volstaat. De enkele stelling van de moeder dat zij niet kan aarden in [woonplaats] en dat zij een betere moeder kan zijn als zij terugkeert naar [plaats] is niet voldoende om haar vervangende toestemming te verlenen om te verhuizen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat bij een verhuizing naar [plaats] de reistijd zeker anderhalf uur zal bedragen, hetgeen het hof - bij de door de moeder voorgestane intensieve omgangsregeling tussen de kinderen en de vader van drie weekenden per maand - bijzonder belastend acht voor de kinderen. Het hof heeft bij zijn beslissing voorts betrokken dat, daargelaten of in de huidige situatie al dan niet sprake is van co-ouderschap, de vader thans een grote rol speelt in het leven van de kinderen, welke rol bij een verhuizing naar [plaats] aanzienlijk zal worden verkleind.
5.6
Op grond van het vorenstaande zal het hof de moeder geen vervangende toestemming verlenen om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen. Het hof zal - evenals de rechtbank - de hiermee samenhangende verzoeken, te weten het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [kind] bij de moeder en het verlenen van vervangende toestemming om de kinderen uit te schrijven bij de school/KDV/BSO in [woonplaats] en in te schrijven bij de school/KDV/BSO in [plaats], afwijzen.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen treffen de grieven geen doel. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 31 oktober 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, R. Krijger en M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 13 juni 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.