Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:990

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
23-001861-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor winkeloverval met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 augustus 2024 bevestigd, behalve de strafoplegging die het vernietigde en opnieuw bepaalde. De verdachte werd samen met een medeverdachte veroordeeld voor een overval op een winkel in Alkmaar waarbij het slachtoffer werd bedreigd en een glazenwasser werd mishandeld.

De rechtbank had een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar opgelegd. De advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte vorderden een taakstraf van 240 uur met een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Het hof nam deze vordering over, mede vanwege de bekennende verklaring van de verdachte en zijn positieve gedragsverandering.

Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de traumatische gevolgen voor het slachtoffer en de maatschappelijke onrust die dergelijke misdrijven veroorzaken. Tegelijkertijd woog het hof mee dat de verdachte op het moment van het delict 19 jaar was, zich had losgemaakt van slechte invloeden, school en werk combineerde en verantwoordelijkheid nam voor zijn handelen.

Verder speelde mee dat ruim vier jaar waren verstreken sinds het bewezenverklaarde feit en dat de verdachte in de tussentijd was veroordeeld voor een soortgelijk feit. Het hof legde daarom een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar op, als stimulans voor gedragsverbetering en ter voorkoming van recidive.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001861-24
datum uitspraak: 14 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 augustus 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-069119-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
31 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmotivering – gelet op de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting in hoger beroep – schrapt en de bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft zich aangesloten bij de vordering van de advocaat-generaal.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het plegen van een overval op de winkel ‘[winkel]’ in Alkmaar. De verdachte en zijn medeverdachte hebben het slachtoffer, de medewerker, opgewacht tot hij aankwam en als eerste voor opening de winkel betrad. Op het moment dat het slachtoffer het pand binnenging zijn de verdachten hem gevolgd en hebben zij het slachtoffer op de grond geduwd. Daarbij hebben zij hem bedreigd door tegen hem te zeggen dat hij niet naar achteren mocht kijken omdat er anders ‘rare dingen’ zouden gebeuren. Even later is de glazenwasser bij het winkelpand aangekomen en heeft daar aangebeld. De verdachte heeft de deur opengedaan en is met de glazenwasser in worsteling geraakt waarbij de verdachte de glazenwasser in zijn gezicht heeft geschopt. Een winkeloverval is een zeer ernstig feit. Het is een feit van algemene bekendheid dat de slachtoffers van dit soort misdrijven nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij, zonder zich op dat moment enige rekenschap te geven van de traumatische gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers, samen met de medeverdachte is overgegaan tot het plegen van dit feit en zich enkel heeft laten leiden door financiële motieven. Daarbij geldt voor de samenleving in het algemeen dat dergelijke misdrijven, begaan op een voor het publiek toegankelijke plaats als zeer bedreigend worden ervaren en gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengen.
Gelet op de ernst van het feit en straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd zou in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur gerechtvaardigd zijn.
In strafmatigende zin houdt het hof echter rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die door de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte, die ten tijde van het plegen van het feit 19 jaren oud was, heeft zich onttrokken aan slechte invloeden uit het verleden, gaat naar school en werkt. Daar komt bij dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn handelen. Op grond van deze informatie heeft het hof de indruk gekregen dat de verdachte een begin heeft gemaakt met een positieve ontwikkeling in zijn leven om onder meer te bewerkstelligen dat hij niet meer met justitie in aanraking komt. Het hof wil deze (kennelijke) positieve gedragsverandering niet doorkruisen en ziet (onder meer) hierin reden de verdachte – als stimulans om deze intentie tot verandering ook daadwerkelijk om te zetten in daden – een taakstraf en een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, die mede kan dienen als stok achter de deur voor de momenten dat de verdachte in de verleiding komt in zijn oude gedrag te vervallen. Het is mede in het belang van de maatschappij dat de verdachte daadwerkelijk een positieve wending aan zijn leven weet te geven, omdat daarmee het gevaar op herhaling van het plegen van soortgelijke misdrijven wordt beperkt. In strafmatigende zin houdt het hof verder rekening met de tijd – ruim vier jaren – die sinds het bewezenverklaarde is verstreken en (in het verlengde van het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht) met de omstandigheid dat de verdachte in de tussentijd is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Het hof ziet daarom aanleiding om ten voordele van de verdachte af te wijken van de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een taakstraf van de maximale duur, te weten 240 uren, passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een
proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Bevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. V.J.M. Goldschmeding, mr. R. van der Heijden en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 april 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.