Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:984

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.359.295/01 en 200.359.296/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bevestigd

De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een 17-jarige minderjarige, waarbij de moeder in hoger beroep ging tegen de beslissing van de kinderrechter. De moeder betwistte de noodzaak van verlenging en stelde dat de situatie thuis verbeterd was, met een positieve relatie en contact tussen haar en de minderjarige.

De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden echter voortzetting van de maatregelen vanwege aanhoudende zorgen over veiligheid, eerdere incidenten van huiselijk geweld, en onvoldoende voortgang in hulpverlening. De minderjarige verbleef sinds mei 2025 in een jeugdhulpvoorziening, met wisselende verblijfsregelingen bij de moeder.

Het hof oordeelde dat de verlenging op goede gronden was gebaseerd, gezien de risico's op escalatie bij volledige terugplaatsing en het moeizame contact tussen moeder en GI. De hulpverlening was nog niet voldoende opgestart en zichtbaar effectief. De omgangsregeling werd niet vastgesteld omdat de moeder haar beroep had ingetrokken. Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en wees het hoger beroep van de moeder af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 11 juli 2026 en verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het hoger beroep over de omgangsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.359.295/01 en 200.359.296/01
zaaknummers rechtbank: C/13/768754 / JE RK 25-320 (OTS en MUHP)
C/13/769590 / JE RK 25-359 (SA)
beschikking van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio [plaats A] ,
gevestigd te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (17 jaar).
De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 11 juli 2026. De moeder is het daarmee niet eens en wil dat de inleidende verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog worden afgewezen, dan wel worden toegewezen voor een kortere duur. De GI is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 17 september 2025, door middel van twee afzonderlijke hoger beroepschriften, in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter).
2.2
De GI heeft op respectievelijk 7 en 20 november 2025 twee afzonderlijke verweerschriften ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de moeder van 5 maart 2026 met bijlage;
- twee berichten van de moeder van 6 maart 2026.
2.4
De zitting heeft op 12 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd;
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.
2.5
De oudste raadsheer heeft na de zitting op 17 maart 2026 met [minderjarige] gesproken. Aan de moeder en de GI is de zakelijke inhoud van dit gesprek bekendgemaakt en zij zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De moeder heeft dat bij bericht van 26 maart 2026 gedaan.

3.De feiten

3.1
De moeder heeft een dochter, namelijk [minderjarige] , geboren [in] 2009 te [plaats A] .
3.2
De moeder oefent het gezag over [minderjarige] alleen uit.
3.3
Bij mondelinge uitspraak van 28 juni 2024, schriftelijk vastgelegd op 1 juli 2024, heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in de crisisopvang.
Bij beschikking van 11 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar (tot 11 juli 2025). Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 11 januari 2025. Bij beschikking van 26 november 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 11 juli 2025. Deze beschikking is door dit hof bij beschikking van 10 juni 2025 bekrachtigd.
3.4
Op 19 september 2024 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing vaststelling bezoekregeling in de zin van artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek (BW) gegeven waarin een omgangsregeling is vastgesteld inhoudende dat [minderjarige] en de moeder elke vrijdag van 18.00 uur tot 21.00 uur contact met elkaar mogen hebben op de groep. Hierbij wordt de keuze van [minderjarige] om geen contact te willen hebben gerespecteerd en is het de bedoeling dat zij niet onder druk wordt gezet door de moeder via WhatsApp of telefonisch.
Bij beschikking van 26 november 2024 heeft de kinderrechter de verzoeken van de moeder om deze schriftelijke aanwijzing (gedeeltelijk) vervallen te verklaren en een omgangsregeling vast te stellen afgewezen. Deze beschikking is door dit hof bij beschikking van 10 juni 2025 bekrachtigd.
3.5
Op 7 mei 2025 heeft de GI een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven, waarbij is bepaald dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] plaatsvindt op de vrijdagmiddag na school tot zaterdag bij de moeder thuis. Op de zaterdag om 18:00 (voor het avondeten) gaat [minderjarige] weer terug naar de groep. En van zondagmiddag tot maandagochtend 12:00 overnacht [minderjarige] ook bij de moeder. Het contact gaat alleen door als [minderjarige] dit wil/wenst. Ook was aangegeven dat indien de moeder besluit zich niet aan deze aanwijzing(en) te houden, de GI genoodzaakt is een geldboete te geven. Deze schriftelijke aanwijzing is op 12 juni 2025 ingetrokken.
Op 16 juni 2025 heeft de GI een schriftelijke aanwijzing aan de moeder uitgereikt met daarin eenzelfde omgangsregeling, maar zonder de boeteclausule. De rechtbank heeft bij de in zoverre niet bestreden beschikking waarvan beroep de schriftelijke aanwijzing van 16 juni 2025 vervallen verklaard.
3.6
[minderjarige] verblijft sinds mei 2025 op de Leef Leergroep van Levvel.
3.7
Vanaf half september 2025 tot begin januari 2026 verbleef [minderjarige] volledig bij de moeder. Sinds begin februari 2026 verblijft [minderjarige] van donderdag tot en met zondag bij de moeder en vanaf zondagavond 22.00 uur tot donderdag op de Leef Leergroep, overeenkomstig de aankondiging schriftelijke aanwijzing van 12 februari 2026.

4.De omvang van het hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.359.295/01 (verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing)
4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op dienovereenkomstig verzoek van de GI de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor verblijf in accommodatie jeugdzorg verlengd tot 11 juli 2026.
4.2
De moeder verzoekt de bestreden beschikking (in zoverre) te vernietigen en te bepalen dat de inleidende verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog worden afgewezen, dan wel worden toegewezen voor een kortere duur.
4.3
De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar verzoek in hoger beroep af te wijzen.
In de zaak met zaaknummer 200.359.296/01 (omgang)
4.4
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] afgewezen.
4.5
De moeder verzoekt de bestreden beschikking (in zoverre) te vernietigen en een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen waarbij [minderjarige] wanneer zij dat wil omgang met de moeder heeft, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.6
De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

In de zaak met zaaknummer 200.359.296/01 (omgang)
5.1
De moeder heeft het beroep tegen de beslissing van de rechtbank dat het verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] is afgewezen, bij bericht van 6 maart 2026 ingetrokken. Het hof maakt uit het bericht van de moeder op dat zij de gronden van het hoger beroep niet handhaaft. Dit heeft tot gevolg dat de door haar aangevoerde grieven niet meer kunnen worden onderzocht. Het hof zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep met zaaknummer 200.359.296/01.
In de zaak met zaaknummer 200.359.295/01 (verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing)
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige kan verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
Uit artikel 1:260, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur kan verlengen.
5.3
Uit artikel 1:265b, eerste lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met een jaar kan verlengen.
De standpunten van partijen
5.4
De moeder stelt dat de kinderrechter ten onrechte de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd. De rechtbank gaat uit van een risico, waarvan het helemaal niet zeker is dat dit zal intreden. Alles wijst erop dat een thuisplaatsing goed zal verlopen. De moeder erkent dat er in het verleden zorgen zijn geweest, maar stelt dat zij en [minderjarige] actief hebben gewerkt aan het herstel van hun band. Inmiddels is het vertrouwen tussen hen teruggekeerd. [minderjarige] voelt zich veilig en fijn bij haar moeder. Het contact tussen moeder en [minderjarige] verloopt goed en positief. [minderjarige] is liever bij de moeder dan op de groep. De moeder vindt het belangrijk dat er naar [minderjarige] geluisterd wordt. Zij is verbaasd dat [minderjarige] heeft aangegeven dat zij wenst dat de beschikking van de rechtbank in stand blijft. Moeder vreest dat [minderjarige] mogelijk niet vrijuit kan spreken of dat er sprake is geweest van een momentopname.
Er zijn inmiddels negen maanden verstreken sinds de bestreden beschikking en de faalervaring is niet gekomen, terwijl het contact tussen de moeder en [minderjarige] is geïntensiveerd. Van september 2025 tot januari 2026 heeft [minderjarige] bovendien de hele week bij de moeder verbleven en sinds januari 2026 de halve week. Dat is goed verlopen. Af en toe zijn er ruzies en spanning, maar dat is volgens de moeder normaal met een puber.
De moeder heeft het idee dat de GI blijft hangen in een risico-inschatting van mei 2024, als gevolg van één incident. Dat is inmiddels uitgesproken en heeft iedereen achter zich gelaten. De machtiging tot uithuisplaatsing dient te worden gebaseerd op actuele feiten en omstandigheden. Volgens de moeder zijn een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk en juist contraproductief. Zonder ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing komt er ook meer rust. Zowel [minderjarige] als de moeder voelen zich door de maatregelen beperkt en ervaren spanning. De moeder ervaart de communicatie met de GI als moeizaam. De moeder is het ermee eens dat zij en [minderjarige] hulp nodig hebben. De noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] kan ook vanuit de thuissituatie geboden worden. Daarvoor is volgens de moeder geen monitoring nodig vanuit de GI.
De moeder maakt zich ook zorgen over het huidige verblijf van [minderjarige] op de woongroep van Levvel. Tijdens haar verblijf in de crisisopvang zijn er serieuze incidenten geweest, waarbij de zorgen door de GI niet werden opgemerkt. Ook op de huidige groep zijn er signalen dat [minderjarige] zich onveilig voelt, aldus de moeder.
5.5
De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing nog altijd noodzakelijk zijn. Zowel de moeder als [minderjarige] hebben niet conform het advies van Families First (FF) en Het Rijk gewerkt aan hun individuele problematiek en vervolgens aan gezamenlijke systeemgesprekken. De GI acht deze vorm van hulpverlening essentieel om herhaling van het eerdere fysieke geweld te voorkomen. De GI denkt dat als [minderjarige] volledig bij haar moeder verblijft, de kans groot is dat er opnieuw escalaties zullen ontstaan. Het is daarom belangrijk om de plaatsing van [minderjarige] op de groep te kunnen waarborgen, aldus de GI.
Advies van de raad
5.6
De raad stelt voorop dat de relatie tussen [minderjarige] en de moeder is verbeterd sinds de start van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Er is volgens de raad echter nog onvoldoende gewerkt aan de doelen die binnen de ondertoezichtstelling zijn gesteld. De GI heeft meer zicht nodig op de thuissituatie van de moeder om te kijken of een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder veilig en goed is en wat daarvoor nodig is. Ook is het belangrijk dat de moeder voor zichzelf verdere ondersteuning zal krijgen. De moeder geeft ter zitting aan dat zij niet in staat is om de behandeling en begeleiding vorm te geven naast haar werk en opleiding en de zorg voor [minderjarige] .
De raad ziet een loyaliteitsconflict bij [minderjarige] . Ze heeft zelf bij de kinderrechter aangegeven dat zij graag bij haar moeder wil zijn, maar dat zij het ook fijn vindt op de groep. In de periode dat [minderjarige] volledig bij de moeder woonde, was er onvoldoende zicht op de situatie. Er was een schriftelijke aanwijzing nodig om ervoor te zorgen dat [minderjarige] weer terug ging naar de groep. De raad acht het van belang dat in het kader van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing de komende periode zal worden onderzocht of een terugplaatsing tot de mogelijkheden behoort of dat begeleid wonen meer passend is. Daarvoor is het wel nodig dat de GI meer in contact komt met de moeder en [minderjarige] en dat er hulpverlening en persoonlijke begeleiding voor de moeder wordt ingezet om te werken aan de doelen en om een plan te maken voor de toekomst van [minderjarige] . Als de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zouden wegvallen, dan ontstaat er een situatie waarbinnen onvoldoende verbetering is opgetreden en de kans bestaat dat het misgaat. De raad adviseert de bestreden beschikking daarom te bekrachtigen.
Beoordeling door het hof
5.7
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing op goede gronden heeft verlengd. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. [minderjarige] is in juni 2024 door middel van een machtiging uit huis geplaatst in de crisisopvang. Sinds mei 2025 verblijft zij in de Leef Leergroep van Levvel. Er waren al langere tijd signalen van huiselijk geweld van de moeder richting [minderjarige] . Sinds 2021 zijn meerdere meldingen bij Veilig Thuis gedaan met betrekking tot pedagogische verwaarlozing, bedreigingen, de vermissing van [minderjarige] en (zware) mishandeling van [minderjarige] door de moeder. Daarnaast zijn er signalen ontvangen over mogelijk drugsgebruik door de moeder en een vervuilde en verwaarloosde woonsituatie. De school en leerplicht hadden zorgen over [minderjarige] vanwege een hoog schoolverzuim en zorgelijk gedrag. Het Ouder- en Kindteam (OKT) was sinds half maart 2024 betrokken bij het gezin.
In mei 2024 zou de moeder [minderjarige] hebben gebeten, geprobeerd te wurgen, geslagen en met een mes hebben bedreigd. Uit het TOP/TEEN-onderzoek, waaraan de moeder aanvankelijk niet wilde deelnemen, blijkt dat [minderjarige] op dat moment diverse verwondingen had: bijtafdrukken op haar schouder, blauwe plekken rond de ogen, in totaal 36 verwondingen en een afdruk in de nek die mogelijk is veroorzaakt door een scherp voorwerp. Daarnaast werd bij [minderjarige] haaruitval geconstateerd, vermoedelijk doordat er hard aan haar haren was getrokken.
Families First is van 14 mei 2024 tot 24 juni 2024 door Veilig Thuis ingezet om zicht te krijgen op de thuissituatie en de actuele zorgen. Veilig Thuis concludeerde vervolgens dat er sprake is van structurele onveiligheid op het gebied van de opvoeding, de sociaal- emotionele ontwikkeling, persoonlijke ontwikkeling, ouder- kind relatie en het gezag. Families First adviseerde naast een uithuisplaatsing ook individuele behandeling en systemische behandeling gericht op de ontwikkeling van [minderjarige] en de relatie met de moeder.
5.8
De GI wilde ambulante hulpverlening inzetten om de omgangsmomenten intensief te begeleiden en daarmee het risico op herhaling van fysiek geweld te verkleinen. De moeder wilde daar echter niet aan meewerken. De GI heeft op 30 mei 2025 aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven die erop gericht is de medewerking van de moeder te krijgen om hulpverlening voor zowel de moeder als [minderjarige] op te starten. De moeder heeft deze schriftelijke aanwijzing niet opgevolgd.
De moeder heeft tot op heden nog geen individuele hulpverlening gehad. Zij is wel met de praktijkondersteuner van de huisarts in gesprek geweest over passende hulp. Zij heeft op 14 november 2025 via haar advocaat laten weten dat zij is aangemeld bij de Praktijk voor Psychotherapie & Trauma te [plaats A] . Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder aangegeven dat zij op dit moment, naast haar eigen werk en opleiding en de zorg voor [minderjarige] geen ruimte heeft om een hulpverleningstraject voor zichzelf te volgen.
Ook de therapie voor [minderjarige] is niet van de grond gekomen, omdat [minderjarige] het moeilijk vindt om zich bloot te geven en de hulpverlening te aanvaarden.
Het hof is, met de GI en de raad, van oordeel dat het belangrijk is dat de moeder individuele therapie krijgt, waaronder agressieregulatietherapie en mogelijk traumatherapie. Ook voor [minderjarige] zal moeten worden gekeken of therapie in de toekomst weer kan worden opgestart als zij daarvoor open staat.
5.9
[minderjarige] volgt momenteel een mbo-opleiding college [X] en ze wil graag stewardess worden. Volgens de moeder gaat [minderjarige] inmiddels wel weer naar school in tegenstelling tot de periode dat [minderjarige] in de crisisopvang verbleef. De GI heeft een ander beeld van de schoolgang van [minderjarige] en merkt op dat de school haar zorgen heeft uitgesproken over het verzuim van [minderjarige] . De schoolgang van [minderjarige] blijft dan ook naar het oordeel van het hof een punt van zorg en aandacht.
5.1
De relatie tussen de moeder en [minderjarige] wordt door de hulpverlening omschreven als ambivalent. Ook [minderjarige] is wisselend in haar houding ten aanzien van het contact met haar moeder.
Het hof constateert dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] sinds februari 2025 is verbeterd. Maar er zijn ook nog zorgen. Er zijn verschillende schriftelijke aanwijzingen gegeven, waarbij de omgang is uitgebreid. Vanaf september 2025 verbleef [minderjarige] volledig bij de moeder. Ondanks meerdere verzoeken van de GI is [minderjarige] pas in januari 2026 weer teruggekeerd naar de groep. De communicatie tussen de moeder en de GI verliep moeizaam. De moeder had ook aangegeven geen contact met de groepsleiding van [minderjarige] te willen. In die periode was geen zicht op de thuissituatie van [minderjarige] . Bovendien heeft de leefgroep op 16 oktober 2025 gemeld dat [minderjarige] de week ervoor emotioneel contact had opgenomen met de groepsleiding, omdat er een ruzie zou hebben plaatsgevonden tussen haar en haar moeder. De groepsleiding gaf aan te vermoeden dat de moeder [minderjarige] wederom zou hebben gebeten.
Begin januari 2026 zijn er nieuwe omgangsafspraken gemaakt, waarbij [minderjarige] van donderdag tot en met zondag bij de moeder mag verblijven als zij dat wil. Op zondag moet [minderjarige] uiterlijk om 22:00 uur terug zijn op de groep. Extra verblijf bij de moeder of een vriendin is incidenteel mogelijk als de groep daarvoor toestemming geeft aan [minderjarige] . Deze regeling wordt sinds februari 2026 grotendeels nageleefd.
5.11
Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat moet worden voorkomen dat het thuis weer misgaat. De band tussen de moeder en [minderjarige] is verbeterd, maar blijft ook kwetsbaar en de kans bestaat dat wanneer [minderjarige] volledig bij haar moeder gaat wonen, er toch (fysieke) ruzies ontstaan die kunnen escaleren. Er bestaat op dit moment een mooie balans tussen een verblijf thuis bij de moeder en een verblijf op de groep. Ook heeft [minderjarige] zelf aangegeven dat zij zich kan vinden in de beslissing van de rechtbank.
Daarbij komt dat de hulpverlening voor zowel de moeder als [minderjarige] onvoldoende van de grond is gekomen. Dat zal eerst daadwerkelijk opgestart moeten worden en merkbaar vrucht hebben afgeworpen voordat kan worden bezien of een thuisplaatsing bij de moeder haalbaar is. Daarnaast is op dit moment nog onvoldoende zicht op de thuissituatie bij de moeder, omdat het contact tussen de GI en de moeder moeizaam verloopt. Sinds kort zijn de uitvoerdersoverleggen weer op gang gekomen en is het gelukt om afspraken te maken over de ruime omgang met de moeder. Het hof hoopt dat deze positieve lijn kan worden voortgezet en wijst erop dat het belangrijk is dat het contact tussen de GI en de moeder gaat verbeteren.
5.12
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing ook thans nog noodzakelijk zijn. Het hof ziet, gegeven die noodzaak, geen aanleiding om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor een kortere duur te verlengen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen en het verzoek van de moeder in hoger beroep afwijzen.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.359.296/01 (omgang):
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;
in de zaak met zaaknummer 200.359.295/01 (verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing):
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.