ECLI:NL:GHAMS:2026:95

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
200.343.490/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake opzegging bankrekening en registratie frauduleuze transacties

In deze zaak gaat het om een kort geding dat is aangespannen door [appellant] tegen [geïntimeerde] naar aanleiding van de opzegging van haar bankrekening. De opzegging vond plaats na de ontvangst van frauduleuze gelden op de rekening van [appellant]. De bank heeft de rekening geblokkeerd en [appellant] opgenomen in een intern en extern verwijzingsregister. [appellant] vorderde herstel van de bankrelatie, verwijdering uit de registers en schadevergoeding. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen, waarna [appellant] in hoger beroep ging. Het hof bevestigt de beslissing van de voorzieningenrechter en wijst de gewijzigde eis van [appellant] af. Het hof oordeelt dat [geïntimeerde] voldoende redenen had om de bankrelatie op te zeggen, gezien de betrokkenheid van [appellant] bij frauduleuze transacties. De vordering tot herstel van de bankrelatie en verwijdering uit de registers wordt afgewezen, evenals de geldvordering en de vordering tot verklaring voor recht. [appellant] wordt in de proceskosten veroordeeld.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.343.490/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/748281/ KG ZA 24-242
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellant]
wonend in [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde], t.h.o.d.n. [geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. G.T. Flapper te Utrecht.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft de bankrekening van [appellant] opgezegd. Aanleiding daarvoor was de ontvangst van fraudegelden op die rekening. [appellant] heeft vervolgens in strijd met de waarheid over die transacties verklaard en ook anderszins geen opheldering verschaft over de herkomst en bestemming van de ontvangen gelden. Naar aanleiding van deze gang van zaken heeft [geïntimeerde] [appellant] opgenomen in het interne en het externe verwijzingsregister. [appellant] vordert in dit kort geding herstel van haar bankrelatie met [geïntimeerde] , verwijdering uit het interne en het externe verwijzingsregister en een (voorschot op) schadevergoeding. De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst voorts haar in hoger beroep gewijzigde eis af.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 30 mei 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 10 mei 2024 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens akte vermindering/wijziging van eis;
- memorie van antwoord.
Op 7 november 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben mr. R.E. Gerritsen, advocaat te Haarlem, namens [appellant] en mr. Flapper voornoemd namens [geïntimeerde] de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellant] heeft ter zitting nog een schriftelijke verklaring voorgedragen. Deze is ook overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
Met haar grieven I t/m III komt [appellant] op tegen de feiten waarvan de voorzieningenrechter in 2.1 tot en met 2.17 van het bestreden vonnis is uitgegaan. Zoals hierna bij de beoordeling zal blijken, zijn deze grieven tevergeefs voorgesteld. Het hof gaat daarmee uit van dezelfde feiten als de voorzieningenrechter, waar nodig aangevuld met nadere feiten.
3.2.
[appellant] is sinds maart 2015 houdster van een betaalrekening bij [geïntimeerde] met rekeningnummer [nummer 1] . Op de relatie tussen partijen zijn de Algemene Bankvoorwaarden (hierna: ABV) van toepassing.
3.3.
In de periode van 16 augustus 2023 tot en met 4 september 2023 zijn meerdere bedragen van in totaal ongeveer € 77.000,00 bijgeschreven op de betaalrekening van [appellant] bij [geïntimeerde] (met bovengenoemd rekeningnummer). De bedragen waren afkomstig van drie verschillende rekeningen:
- van een rekening bij SNS Bank op naam van [naam 1] ontving [appellant] bedragen van € 453,00 en € 1.145,00;
- van een rekening bij een buitenlandse bank op naam van [naam 2] ontving [appellant] bedragen van € 1.500,00 en € 2.029,00;
- van een rekening bij ABN AMRO op naam van [naam 3] (hierna: [naam 3] ) ontving [appellant] bedragen van € 2.316,00, € 4.115,00, € 5.538,00, € 9.982,00, € 19.990,00 en € 29.990,00.
3.4.
In de periode van 28 augustus 2023 tot en met 4 september 2023 zijn vanaf de door [appellant] bij [geïntimeerde] aangehouden betaalrekening de volgende bedragen: € 8.001,00, € 1.100,00, € 3.501,00, € 4.345,00, € 10.000,00, € 9.501,00 en € 2.029,00, overgemaakt naar een op [plaats 3] bij OpenPaydHoldings Ltd. aangehouden rekening op naam van [appellant] , met rekeningnummer [nummer 2] . Dit betrof een zogenoemde cryptowallet op naam van [appellant] .
3.5.
Bij e-mail van 4 september 2023 heeft ABN AMRO [geïntimeerde] geïnformeerd over een melding van haar rekeninghouder, [naam 3] , dat met haar betaalrekening was gefraudeerd. ABN AMRO heeft [geïntimeerde] daarbij verzocht om preventieve maatregelen te nemen met betrekking tot de begunstigde rekeninghouder. [geïntimeerde] heeft daarop de betaalrekening van [appellant] voor uitgaande betalingen geblokkeerd. Bij e-mail van 5 september 2023 heeft [geïntimeerde] aan ABN AMRO geschreven dat een bedrag van € 49.980,00 was veiliggesteld.
3.6.
Bij e-mail van 5 september 2023 heeft [geïntimeerde] aan OpenPaydHoldings Ltd. verzocht om de overboekingen te annuleren en de bedragen terug te storten naar de rekening van [appellant] bij [geïntimeerde] . Bij e-mail van 11 september 2023 heeft OpenPaydHoldings Ltd. daarop als volgt gereageerd:
“Unfortunately, no funds remain for recovery. The mentioned transfers were deposited to [bedrijf 1] underlying client “ [appellant] ” and then withdrawn to an external wallet.Our client ( [bedrijf 1] ) also informed us that, quote, “Unfortunately, the funds have been spent and a refund would not be possible.(…)The funds were used for purchases of cryptocurrency which was withdrawn to external wallet addresses.”
3.7.
In de maand september 2023 hebben [appellant] en [geïntimeerde] , naar aanleiding van een verzoek van [appellant] om haar betaalrekening te deblokkeren, via e-mails veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd. Voor zover van belang hebben partijen elkaar het volgende geschreven:
- 05-09-2023 [appellant] : “(…) Het was ook vreemd te zien dat de email van een fraude desk afkomstig is. Er is geen enkele sprake van fraude wat betreft mijn rekening. De vraag die u zou kunnen hebben betreft wellicht de 2 grotere bedragen die op mijn rekening zijn binnengekomen. Dat betreft een persoonlijke lening van een vriendin voor studie (…)”;- 06-09-2023 [geïntimeerde] : “Uw rekening is door ons geblokkeerd. Dat heeft te maken met onderstaande bedragen die u op uw rekening heeft gekregen. Kunt u aangeven waarvoor u deze bedragen heeft ontvangen en wat uw relatie is met de afzenders? (…);- 06-09-2023 [appellant] : “(…) De bedragen die ik heb ontvangen betreffen een persoonlijke lening van 2 vrienden. Ik heb het bankafschrift van [naam 3] bijgesloten zodat u de overboekingen kunt zien. (…)”;- 07-09-2023 [appellant] : “(…) Ik heb beide vragen wel beantwoord (De overboekingen zijn een persoonlijke lening van vrienden omdat ik tijdelijk krap zit (…)”;- 11-09-2023 [geïntimeerde] : “De bedragen vanuit de ABN AMRO zijn bij ons gemeld als frauduleus zijnde, derhalve kunt u hier momenteel niet bij. Er wordt momenteel ook politie ingeschakeld door mevrouw [naam 3] om aangifte te doen van fraude. De gelden zijn daarom ook bevroren op de rekening. Om een beter beeld te krijgen heb ik de volgende vragen voor u:- U geeft aan dat het een lening betreft, echter heeft u mij alleen een bankafschriftverstuurd. Kunt u met e-mails en communicatie aantonen dat dit vrijwillig gegaan is?- Verder noemt u dat u ZZP’er bent. Kunt u aangeven in welke werkzaamheden u uitvoerten in hoeverre dit relateert tot deze boeking?- Is de rekening [nummer 2] in uw eigen beheer?- Wat is de reden dat u de inkomende bedragen op uw rekening de afgelopen maandenoverboekt naar deze rekening?”;- 11-09-2023 [appellant] : “(…) Ik heb haar natuurlijk zelf gesproken en zij heeft helemaal niets bij haar bank gemeld en wist nergens van.(…) Zij heeft direct haar bank gebeld en gezegd dat er helemaal niets aan de hand is (…). Natuurlijk is dit vrijwillig gegaan! Als dit niet vrijwillig is stuurt zij mij toch niet haar bankafschrift van een hele maand? Er is geen specifieke communicatie hierover nodig tussen vrienden. We hebben beiden onze bankafschriften als bewijs van de overgeboekte bedragen.
(…)Ik ben ZZPer en werk momenteel in projectmanagement en ondersteuning in verschillende soorten projecten; momenteel veel in de congresbranche. Afgelopen weken bijvoorbeeld op het grote Internationale Cardiologie congres in de RAI in [plaats 1] maar ook bijv. als style advisor in een heren mode zaak in [plaats 1] . Mijn werkzaamheden als ZZPer hebben niets te maken met deze boekingen.Natuurlijk is de rekening [nummer 2] in mijn eigen beheer. Ik vind het veilig en prettig om mijn geld over te boeken naar deze persoonlijke rekening omdat ik niet bepaald blij ben met de service van de [geïntimeerde] . (…)”;- 12-09-2023 [appellant] : “Ik ben heel blij u gesproken te hebben om e.e.a. toe te lichten en te verduidelijken. (…) Mijn vriendin heeft de ABN Amro gebeld en zij geven aan dat alles in orde is en dat er geen enkel probleem is maar de bevestiging waar u (en ik) op wacht loopt waarschijnlijk via een ander kanaal (…).”- 19-09-2023 [geïntimeerde] : “(…) U heeft vorige week bij mij aangegeven te willen investeren in een stuk grond in Spanje samen met een partner van u. Echter hebben wij inmiddels vanuit de buitenlandse bank te horen gekregen dat de gelden geïnvesteerd zijn in [bedrijf 1] , een bedrijf actief in de cryptovaluta. Dit komt niet overeen met uw telefonische verklaring. Ik heb daarom nog wat aanvullende vragen aan uw adres.- Kunt u dit wat nader toelichten waarom u de gelden in Cryptovaluta investeert?- U heeft aangeven dit samen te doen met uw partner, kunt u aangeven wie hij is?- Doet u de boekingen op verzoek van uw partner?Ook heb ik een melding ontvangen over een betaling die u eerder op de rekening heeft ontvangen van een SNS Bank klant, zij geeft aan te zijn opgelicht en wilt nu ook aangifte doen. Het gaat om deze overboeking: (…) [naam 4] € -1.145,00 (…)Ook had ik afgesproken u te informeren over mijn contact met de ABN AMRO en het eerdere verhaal van fraude en dat er aangifte wordt gedaan is bevestigd. (…)”;- 19-09-2023 [appellant] : “(…) U hebt denk ik niet helemaal goed begrepen wat ik u vertelde over mijn plan om over een tijd een stukje grond/ een klein huisje in Spanje te kunnen aanschaffen. Ik doe dat niet met een partner maar op eigen kracht. Het geld dat ik daar voor bij elkaar spaar stuur ik naar mijn rekening in [plaats 3] zoals ik heb aangegeven. Ik beleg dat met de reden dat er met regulier sparen niets te ‘verdienen’ valt en ik hoop dat dit mij kan helpen om sneller mijn droom te kunnen laten uitkomen. (…) Zoals u ziet zijn de betalingen door mijzelf van mijn eigen rekening gedaan naar mijn eigen rekening daar en is er geen sprake van een partner. Ik ben capabel genoeg om mijn eigen zaken te regelen. (…)”.
3.8.
Bij e-mail van 21 september 2023 heeft [appellant] expliciet aan [geïntimeerde] verzocht om de bancaire relatie tussen hen te beëindigen.
3.9.
Bij e-mail van 25 september 2023 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] voor zover van belang het volgende geschreven:
“Helaas geeft u verder geen antwoord op mijn vragen, u heeft hier meerdere keren de kans toe gekregen zowel telefonisch als vorige week per e-mail. Inmiddels heb ik wel meer te horen gekregen vanuit ABN AMRO, u bent begunstigde van fraudegelden. De gelden op de rekening zijn niet van u afkomstig en daarom kunt u hier ook niet over beschikken of gebruiken om uw eigen huur te betalen. De ABN AMRO gaat dan ook een formeel verzoek indienen de overgebleven gelden van hun benadeelde klant retour te krijgen.Op grond van onze bevindingen en onder verwijzing naar artikel 35 van onze algemene voorwaarden, hebben wij besloten om uw rekening(en), overeenkomst(en) en overige contracten welke vallen onder de merken van [geïntimeerde] , te beëindigen. (…).”
3.10.
Bij brief van 28 september 2023 heeft de advocaat van [appellant] [geïntimeerde] verzocht om kopieën van bepaalde documenten te verschaffen en [geïntimeerde] gesommeerd om aan [appellant] met onmiddellijke ingang haar bankrekening met het daarop aanwezige saldo weer ter beschikking te stellen.
3.11.
Bij brief van 29 september 2023 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven dat zij de persoonsgegevens van [appellant] voor de duur van acht jaar heeft opgenomen in de gebeurtenissenadministratie, het daaraan gekoppelde intern verwijzingsregister (IVR), het incidentenregister en het daaraan gekoppelde extern verwijzingsregister (EVR). Daarbij heeft [geïntimeerde] de volgende motivering gegeven:
“U ontvangt deze brief vanwege uw betrokkenheid bij frauduleuze overboekingen van in totaal€ 73.076,00 tussen 24 augustus 2023 tot en met 4 september 2023 ten gunste van uw rekening [nummer 1] . Hiervan is aangifte gedaan bij de politie.Het frauduleus overboeken van een bedrag naar een bepaald rekeningnummer gebeurt niet zonder reden; het doel is om dat bedrag in handen te krijgen. Daarbij is van belang dat zoiets alleen mogelijk is met medewerking van de rekeninghouder, die het bedrag ontvangt. Alleen de rekeninghouder is immers bevoegd en in staat om geld van zijn of haar rekening op te nemen. Dit rechtvaardigt dan ook de conclusie dat u betrokken bent geweest bij de fraude, of de fraude op enigerlei wijze heeft gefaciliteerd door bijvoorbeeld uw rekening of bankpas aan een derde af te staan.”
3.12.
Medio oktober 2023 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 49.980,00 van de geblokkeerde betaalrekening overgemaakt naar ABN AMRO. Op 16 oktober 2023 heeft [geïntimeerde] het resterende banksaldo op de betaalrekening van [appellant] van € 2.589,70 overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] .
3.13.
Op 21 oktober 2023 heeft [naam 3] bij de politie aangifte gedaan van horizontale fraude. In het proces-verbaal van aangifte staat voor zover van belang het volgende:
“ABN AMROOp 31-08-23, 01-09-2023 en 04-09-23 is er geld van mijn rekening overgemaakt naar een Nederlands account:A.W.M. [appellant] (Astrid)NL21 ASNB 0709 0726 27Dit zijn de bedragen : ? 2.316,00 - ? 5.538,00 - ? 4.115,00 - ? 9.982,00 - ?19.990,00- ?29.990,00Het totaalbedrag bedraagt: ?71.931,00Uiteindelijk zou er een bedrag van ?82.000,00 gestort worden op mijn rekening.Hierbij heb ik contact gehad met verschillende personen van de afdeling Fraude bij de ABN-AMRO bank. Zij adviseerden mij om mijn computer te laten reinigen.(…)Op 13 oktober 2023 is er een bedrag van 49980 euro op mijn bankrekening van ABN Amro met rekening nummer (…) terug gestort. (…)”
3.14.
Bij e-mail van 24 oktober 2023 heeft de advocaat van [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven dat zijn gegevens uitwijzen dat er maar één benadeelde partij is en dat dat [appellant] is, omdat zij het slachtoffer is van een malafide beleggingsfirma, [bedrijf 2] . Daarop heeft [geïntimeerde] bij e-mail van dezelfde dag geantwoord dat dit een verrassende wending is gezien de eerdere verklaring van [appellant] dat zij zelf over de gelden beschikte en vrijwillig wilde investeren via haar rekening op [plaats 3] .
3.15.
Bij brief van 26 oktober 2023 heeft de advocaat van [appellant] aan [geïntimeerde] een nadere toelichting gegeven op de gang van zaken rondom de investeringspoging van [appellant] waarbij zij (volgens haar advocaat) het slachtoffer is geworden van een corrupt beleggingsplatform in Londen. Daarbij heeft de advocaat van [appellant] verzocht om een oplossing en daarnaast onder meer om de persoonsgegevens van [appellant] reeds te verwijderen uit de registers.
3.16.
Bij brief van 16 november 2023 heeft [geïntimeerde] aan de advocaat van [appellant] geschreven dat en waarom zij niet zal overgaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [appellant] uit het Incidentenregister en het EVR.
3.17.
Op 11 december 2023 heeft [appellant] bij de politie aangifte gedaan tegen [bedrijf 2] (fraude met betaalproducten), tegen [naam 3] (verduistering) en tegen [geïntimeerde] (belediging).
3.18.
Op 14 maart 2024 heeft Interro Recherchediensten een onderzoeksrapport opgemaakt naar aanleiding van een verzoek van [appellant] om deze kwestie te onderzoeken. De conclusie van het onderzoek is dat het op zijn zachtst gezegd er alle schijn van heeft dat [appellant] daadwerkelijk slachtoffer is geworden van crypto- dan wel boilerroomfraude.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt bevolen de bankrelatie met [appellant] te herstellen en de registraties in de gebeurtenissenadministratie, het incidentenregister, het IVR en het EVR door te halen, wordt geboden afschrift uit het AVG register aan [appellant] te verstrekken, één en ander op straffe van een dwangsom en wordt veroordeeld tot betaling van (voorschotten op) schadevergoeding, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
4.2.
[appellant] heeft daartoe, samengevat, gesteld dat [geïntimeerde] haar zorgplicht jegens [appellant] heeft geschonden door zonder deugdelijk onderzoek de bankrekening van [appellant] op te zeggen vanwege betrokkenheid bij frauduleuze overboekingen naar haar bankrekening en door haar persoonsgegevens te registreren in het IVR en het EVR. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.3
De voorzieningenrechter heeft de door [appellant] gevraagde voorzieningen geweigerd en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter heeft voldoende aannemelijk geoordeeld dat [appellant] fraudegelden op haar bankrekening heeft ontvangen, dat zij (een deel van) die gelden daarna direct via haar Maltese rekening en een cryptoplatform heeft omgezet in cryptomunten en over de verschillende transacties aan [geïntimeerde] geen bevredigende verklaring heeft gegeven. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [geïntimeerde] in redelijkheid kunnen aannemen dat [appellant] fraude heeft gefaciliteerd via het gebruik van haar betaalrekening bij [geïntimeerde] en om die reden kunnen overgaan tot opzegging van de bankrekening van [appellant] . De vordering tot verwijdering van registraties uit het IVR en het EVR heeft de voorzieningenrechter ook afgewezen.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] heeft zeven grieven tegen het bestreden vonnis geformuleerd. In hoger beroep vordert [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis en, na wijziging van eis:
i. i) [geïntimeerde] te bevelen de opzegging van de bankrelatie in te trekken en de bankrelatie voort te zetten, subsidiair de opzegging op te schorten totdat in een bodemprocedure in kracht van gewijsde is vastgesteld hoe de rechtsverhouding tussen partijen moet worden geduid;
ii) [geïntimeerde] te bevelen om onmiddellijk na betekening van het vonnis de registraties in de gebeurtenissenadministratie, het incidentenregister, het IVR en het EVR door te halen en bewijs daarvan aan [appellant] te verzenden;
iii) [geïntimeerde] te gebieden [appellant] op eerste verzoek al de gegevens die [geïntimeerde] als verwerkingsverantwoordelijke heeft opgeslagen in het AVG register aan [appellant] c.q. haar raadsman rechtstreeks ter beschikking te stellen zonder de omweg van verwijzing naar “portals” en dergelijke;
iv) [geïntimeerde] te veroordelen een bedrag van € 49.980,00 aan [appellant] te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente daarover;
v) te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellant] gemaakte juridische en onderzoekskosten, op te maken bij staat;
vi) het gevorderde onder i), ii), iii) en v) op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 ineens en € 5.000,00 voor iedere dag dat [geïntimeerde] na betekening van het vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen, althans een dwangsom in goede justitie te bepalen;
vii) met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, waaronder de nakosten.
5.2.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [appellant] en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. [geïntimeerde] heeft gevorderd [appellant] bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, waaronder de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. Het hof zal het verweer van [geïntimeerde] betrekken bij de beoordeling van de grieven van [appellant] .

6.Beoordeling

6.1.
Een vordering kan in dit kort geding alleen worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure dat ook zal doen, de eisende partij bij die vordering, ook ten tijde van de uitspraak in hoger beroep, een spoedeisend belang heeft en het – mede gelet op de belangen van partijen over en weer – gerechtvaardigd is op de toewijzing in een bodemprocedure vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Hierna zal het hof eerst het spoedeisend belang en de geschiktheid voor kort geding beoordelen.
6.2.
[appellant] stelt in dit hoger beroep onder meer de vordering in tot herstel van haar bankrelatie met [geïntimeerde] (5.1.sub i) hiervoor) en tot verwijdering van registraties in de verschillende registers (5.1.sub ii) hiervoor). De aard van de vorderingen verzet zich in beginsel niet tegen behandeling in kort geding, zoals [geïntimeerde] heeft betoogd. Het spoedeisend belang bij de vordering ten aanzien van de registratie in (het incidentenregister behorend bij) het EVR is voldoende gegeven. Van [appellant] kan bezwaarlijk worden verlangd dat zij een (mogelijk langdurige) bodemprocedure afwacht terwijl de in haar ogen foutieve en diffamerende registratie in het EVR voortduurt. Omdat de EVR-registratie gebaseerd is op de omstandigheden van de opzegging, zal deze in het onderstaande ook worden beoordeeld. Dat neemt niet weg dat [appellant] het spoedeisend belang bij herstel van de bankrelatie met [geïntimeerde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Nu [appellant] inmiddels elders bankiert, is niet duidelijk waarom de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Wat betreft de registratie in (de gebeurtenissenadministratie behorend bij) het IVR kan het spoedeisend belang in het midden blijven, gelet op wat hierna wordt overwogen.
6.3.
De sub 5.1. sub iv) gevorderde veroordeling tot betaling van een bedrag van € 49.980,00 is reeds niet toewijsbaar omdat het daarvoor vereiste spoedeisend belang ontbreekt en gelet op de maatstaf die overigens geldt voor de toewijsbaarheid van een geldvordering in kort geding. Zie voorts hierna in 6.24.
Feiten
6.4.
Met grieven I t/m III bestrijdt [appellant] de vaststelling van de feiten die in het bestreden vonnis tot uitgangspunt zijn genomen bij de beoordeling. Ten aanzien van 2.3 in het bestreden vonnis voert [appellant] aan dat OpenPaydHoldings Ltd. geen bank is, maar dat is ook niet wat in het vonnis is vastgesteld. Uit wat [appellant] met grieven I t/m III voor het overige heeft aangevoerd volgt niet dat de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten onjuist zijn, en miskent zij dat de rechter vrij is in de selectie van vaststaande feiten die voorafgaand aan de beoordeling worden weergegeven en welke relevante feiten zo nodig later bij de beoordeling aan de orde komen. Wat [appellant] met grieven I t/m III heeft aangevoerd wordt voor zover relevant hierna bij beoordeling van de overige grieven betrokken.
Herstel bankrelatie
6.5.
Met grief IV, V en VI komt [appellant] op tegen de afwijzing van haar vordering tot herstel van de bankrelatie. [appellant] heeft ter onderbouwing van die vordering gesteld dat [geïntimeerde] in strijd heeft gehandeld met haar bancaire zorgplicht door de bankrelatie met [appellant] op te zeggen nadat zij, zonder deugdelijk onderzoek, heeft aangenomen dat [appellant] van fraude afkomstige geldbedragen op haar bankrekening heeft ontvangen en bij die fraude betrokken is geweest. [appellant] heeft gesteld dat zij daarentegen zelf het slachtoffer van fraude is geworden, waarbij zij uit een erfenis ontvangen gelden heeft overgemaakt naar [bedrijf 2] om dat geld voor haar in cryptomunten te laten beleggen. Nadat zij had ontdekt dat zij daarbij misleid was, heeft zij een aanbod van een persoon die zich [naam 5] noemde aanvaard om haar te helpen bij het (zoveel mogelijk) terugkrijgen van haar geld. De geldbedragen die zij op haar bankrekening heeft ontvangen, waren het resultaat van de inspanningen van deze [naam 5] , aldus [appellant] , en zij heeft die bedragen vervolgens in opdracht van [naam 5] in cryptomunten omgezet, aldus nog steeds [appellant] .
Voor zover het transactieverloop op haar rekening in augustus/september 2023 voor [geïntimeerde] aanleiding is geweest tot de opzegging, stelt [appellant] dat [geïntimeerde] dan ook gealarmeerd had moeten zijn door de overboekingen die zij in maart/april 2023 heeft gedaan naar rekeningen die haar waren aangewezen door [bedrijf 2] en dat [geïntimeerde] in dat geval door toen niet te waarschuwen haar bancaire zorgplicht heeft verzaakt, zodat ook daarom de opzegging geen stand kan houden.
6.6.
Bij de beoordeling van de opzegging van de bankrelatie stelt het hof artikel 35 ABV voorop. Op grond daarvan is uitgangspunt dat een bank contractueel steeds bevoegd is de bankrelatie met een cliënt op te zeggen. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt.
6.7.
Voor de beoordeling is in de eerste plaats van belang dat aannemelijk is dat de betalingen met een totaalbedrag van ongeveer € 77.000,00 die [appellant] in de periode van 16 augustus tot en met 4 september 2023 vanaf verschillende bankrekeningen op haar bankrekening heeft ontvangen, van fraude afkomstig zijn en dat dit bovendien voor [appellant] kenbaar was of had moeten zijn. Zo had de hiervoor genoemde [naam 5] haar voorgehouden dat [naam 3] een accountant van [bedrijf 2] was en dat [naam 3] daarom de verschillende bedragen naar [appellant] overmaakte. Als ‘bewijs’ daarvan stuurde [naam 5] een handgeschreven verklaring van [naam 3] toe, waarin stond dat zij verschillende grote bedragen als persoonlijke lening naar [appellant] had overgemaakt. [appellant] wist dat die verklaring in strijd was met de waarheid. Desondanks heeft [appellant] gesteld dat zij mede op basis daarvan heeft aangenomen dat er met de gang van zaken niets mis was en heeft zij ook nadien nog op instigatie van deze [naam 5] gehandeld, bijvoorbeeld bij de overboeking van de ontvangen gelden naar haar Maltese cryptowallet voor vermeende transactiekosten en belastingen en bij het afleggen van onware verklaringen over de herkomst van de ontvangen betalingen (zie 6.8. hierna).
6.8.
Daarnaast leverde de melding van ABN AMRO op 4 september 2023 dat [naam 3] zich bij haar had gemeld als slachtoffer van fraude voor [geïntimeerde] een aanwijzing op van frauduleus gebruik van de bankrekening van [appellant] . Op het verzoek van ABN AMRO om maatregelen te treffen heeft [geïntimeerde] de bankrekening van [appellant] geblokkeerd. Direct na de blokkade van de rekening, en nog voordat [geïntimeerde] bij [appellant] navraag had gedaan naar de herkomst van de ontvangen gelden, veronderstelde [appellant] al dat de blokkade verband hield met door haar ontvangen gelden van [naam 3] . Zij heeft daarover – zo heeft zij in deze procedure ook erkend – in strijd met de waarheid aan [geïntimeerde] gemeld dat deze gelden een lening van een vriendin betroffen en niets met fraude te maken hadden. Ook over de overboekingen die [appellant] vervolgens zelf naar haar Maltese cryptowallet heeft verricht, heeft zij onware verklaringen afgelegd. Zij verklaarde immers tegenover [geïntimeerde] dat zij die overboekingen naar [plaats 3] deed vanwege een gewenste aankoop van onroerend goed in Spanje in de toekomst, terwijl zij later heeft verklaard dat zij deze overboekingen deed op instructie van [naam 5] . Ook nadat [geïntimeerde] in de weken daarna nadere vragen stelde over de herkomst van de gelden, is [appellant] bij haar eerdere verklaringen gebleven en heeft zij nadere vragen naar aanleiding van inconsistenties in haar eerdere verklaringen niet beantwoord (zie 3.7. hiervoor).
6.9.
Tijdens het onderzoek heeft [appellant] niet toegelicht dat zij (eerder) zelf slachtoffer was geworden van fraude. Die toelichting heeft zij pas later, meer dan een maand nadat de bankrelatie al beëindigd was, aan [geïntimeerde] gegeven. Daarop strandt gelijk het verwijt aan [geïntimeerde] dat zij in strijd met haar zorgplicht in maart/april 2023 geen actie heeft ondernomen naar aanleiding van de overboekingen die [appellant] toen in opdracht van [bedrijf 2] stelt te hebben verricht. [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze overboekingen voor [geïntimeerde] ook zonder fraudemelding door haar aanleiding hadden moeten zijn spontaan te informeren naar de legitimiteit daarvan.
6.10.
Volgens [appellant] maakt de gestelde omstandigheid dat zij in het onderhavige geval slachtoffer en geen dader is geweest van fraude, dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hoewel het zo kan zijn dat [appellant] zelf (ook) slachtoffer is geweest van frauduleuze praktijken, is aannemelijk dat [appellant] een verwijtbare rol heeft gespeeld bij fraudeleuze handelingen waarvan anderen de dupe zijn geworden. Zoals hiervoor al is overwogen, is haar bankrekening gebruikt om daarop van fraude afkomstige gelden te ontvangen. [appellant] heeft die gelden vervolgens eigenhandig overgeboekt naar haar cryptowallet op [plaats 3] . Van daaruit zijn de gelden omgezet in cryptomunten en dus niet meer (eenvoudig) terug te halen. Bovendien heeft [appellant] geen opheldering verschaft over de herkomst en de bestemming van de gelden.
6.11.
Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die voor [geïntimeerde] bij aanvang van en in de loop van haar (cliënten)onderzoek bekend waren en werden en de opstelling van [appellant] tijdens dat onderzoek, is voorts niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat [geïntimeerde] haar (cliënten)onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft uitgevoerd, door haar rekening zonder aankondiging te blokkeren, geen leefgeld ter beschikking te stellen, schending van hoor en wederhoor en onheuse bejegening, zoals door [appellant] is gesteld. Ter toelichting dient het volgende.
6.12.
Na ontvangst van het verzoek van ABN AMRO om de rekening van [appellant] te blokkeren vanwege de bijschrijving van fraudegelden daarop heeft [geïntimeerde] die rekening voor uitgaande betalingen geblokkeerd om de ontvangen bedragen veilig te stellen. Op basis van de informatie die [geïntimeerde] op dat moment had en van [appellant] ontving is [appellant] medegedeeld dat geen leefgeld kon worden verstrekt. Tijdens het onderzoek van [geïntimeerde] naar aanleiding van de melding van ABN AMRO ontving [geïntimeerde] een tweede fraudemelding waarbij de rekening van [appellant] als begunstigde betrokken was. In haar onderzoek heeft [geïntimeerde] getracht, initieel telefonisch en vervolgens schriftelijk, door middel van vragen aan [appellant] opheldering te krijgen over de herkomst en bestemming van de ontvangen bedragen, maar [appellant] heeft in reactie daarop onware verklaringen afgelegd en nadere vragen niet beantwoord. Bij die stand van zaken is [geïntimeerde] overgegaan tot opzegging. In de brief van 29 september 2023 is [appellant] over de bevindingen van het onderzoek en de opzegging geïnformeerd.
Door haar (cliënten)onderzoek aldus uit te voeren, kan voorshands niet geoordeeld worden dat [geïntimeerde] dat op onzorgvuldige wijze heeft gedaan
6.13.
Tot besluit van haar onderzoek heeft [geïntimeerde] het bedrag dat zij na de betalingen door [naam 3] op de bankrekening van [appellant] had kunnen veiligstellen – en waarvan dus aannemelijk is dat deze van fraude afkomstig zijn en onverschuldigd zijn betaald – naar [naam 3] overgeboekt. Het bedrag dat daarna resteerde heeft [geïntimeerde] overgemaakt op de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] . Het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerde] daarmee zonder goede grond het aan [appellant] toekomende saldo heeft teruggeboekt en daarover geen rekening en verantwoording heeft afgelegd en dus ook daarmee onzorgvuldig heeft gehandeld, is dan ook onterecht. Voor zover (de toelichting op) grief VI hierover klaagt, faalt deze.
6.14.
Het betoog van [appellant] dat de opzegging van haar bankrekening haar onevenredig treft, omdat zij daardoor niet meer kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer gaat niet op, nu zij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij haar maandelijkse inkomsten ontvangt op een bankrekening die zij bij Revolut aanhoudt.
6.15.
Ten slotte gaat [appellant] met de stelling dat zij als (onevenredig) gevolg van de opzegging haar erfenisgeld kwijt raakte, voorbij aan haar eigen stelling dat zij dat geld in mei 2023 zelf aan [bedrijf 2] heeft overgemaakt en dus toen al is kwijtgeraakt. De opzegging is daar niet de oorzaak van.
6.16.
Op basis van al het voorgaande is onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat [geïntimeerde] in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld of dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De vordering tot herstel en voortzetting van de bankrelatie is daarom, mede gelet op de wederzijdse belangen van partijen, niet toewijsbaar.
Doorhaling registraties in EVR en IVR
6.17.
Met inachtneming van de voorgaande overwegingen, komt het hof toe aan beoordeling van de vordering (5.1. sub ii) tot verwijdering van registraties in (het incidentenregister behorend bij) het EVR en (de gebeurtenissenadministratie bij) het IVR.
6.18.
In grief VI komt [appellant] op tegen de afwijzing van haar vordering tot verwijdering van registraties uit (het incidentenregister behorend bij) het EVR.
6.19.
In het EVR legt een financiële instelling (persoons- of identificatie)gegevens van betrokkenen bij incidenten en een korte toelichting vast, zonder dat daarin het concrete incident wordt beschreven. Het EVR is toegankelijk voor andere financiële instellingen. Als een andere financiële instelling meer informatie wil krijgen over een incident, moet zij contact opnemen met de financiële instelling die de registratie gedaan heeft. Het EVR fungeert daarmee als waarschuwingssysteem voor financiële instellingen.
6.20.
De maatstaf voor registratie van een strafbaar feit of van ander onoorbaar gedrag in het EVR-register volgt uit artikel 5.2.1. van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021 (PiFi 2021). Daarin is het volgende bepaald:

De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en onder toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.
De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële Instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële Instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. (…)
6.21.
Voor opname van strafrechtelijke gegevens in het EVR is vereist dat het gaat om zodanig concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring – in de zin van artikel 350 van het Wetboek van strafvordering – kunnen dragen en de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan.
6.22.
Ten aanzien van [appellant] zijn in het EVR haar naam en geboortedatum geregistreerd, en is in het incidentenregister vermeld dat zij begunstigde is geweest van fraudegelden door middel van “boilerroomfraude” en “return fee scam”, zo heeft [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep verklaard. Nu het bij deze registratie niet noodzakelijkerwijs gaat om strafbare gedragingen van [appellant] , is genoemde verzwaarde maatstaf voor deze registratie niet van toepassing.
6.23.
Het hof is voorshands van oordeel dat de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de beëindiging van de bancaire relatie met [appellant] kwalificeren als gedragingen die een bedreiging (kunnen) vormen voor [geïntimeerde] , haar klanten en de integriteit van de financiële sector en dus registratie in het EVR rechtvaardigen. Ook de registratie voor de maximale duur van acht jaar is naar het oordeel van het hof voorshands gerechtvaardigd. Uit wat [appellant] heeft aangevoerd blijkt bovendien onvoldoende belang om, vooruitlopend op de uitkomst van een bodemprocedure, de registraties door te halen. Hierbij komt gewicht toe aan het feit dat [appellant] (al) beschikt over een rekening bij een andere bank. Daartegenover heeft Janssen-Reinen in dit kort geding verder onvoldoende gesteld dat tot verkorting van de termijn aanleiding zou moeten geven. De vordering tot doorhaling van de registratie in het incidentenregister en het EVR is dan ook niet toewijsbaar. Om dezelfde redenen is de vordering tot doorhaling van de interne registraties niet toewijsbaar.
Geldvordering
6.24.
Een geldvordering is in kort geding slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang daarvan in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat. [appellant] heeft onvoldoende gesteld waaruit zou volgen dat een dergelijke mate van spoedeisendheid bestaat bij toewijzing van deze geldvordering. Zij heeft niet onderbouwd dat zij in geldnood verkeert; ter zitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat zij inkomsten heeft uit haar werkzaamheden als zzp-er. Daarnaast acht het hof onvoldoende aannemelijk dat [appellant] rechthebbende op het gevorderde bedrag is. Van het bedrag dat [appellant] in mei 2023 als erfenis had ontvangen heeft zij destijds zelf € 44.000,00 naar [bedrijf 2] overgeboekt en van enige relatie tussen [bedrijf 2] en [naam 3] is, anders dan [appellant] heeft betoogd, niet gebleken. Deze geldvordering komt ook daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
Verklaring voor recht
6.25.
De vordering dat het hof voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellant] gemaakte juridische en onderzoekskosten is niet toewijsbaar in kort geding.
Dwangsom
6.26.
Aangezien de vorderingen van [appellant] zullen worden afgewezen, kan ook van de gevorderde dwangsom geen sprake zijn. Deze vordering is dus ook niet toewijsbaar.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.27.
De grieven I tot en met VII falen. Voor bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. Het hof ziet geen aanleiding voor het gelasten van deskundigenonderzoek. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 2.175,-
- salaris advocaat
€ 4.426,-(tarief IV à € 2.213, 2 punten)
Totaal € 6.601,-

7.Beslissing

Het hof:
7.1
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 6.601,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.4
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.B.F. Valk, S.C.H. Molin en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.