ECLI:NL:GHAMS:2026:897

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
200.357.745
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611d RvArt. 222 RvArt. 353 RvArt. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in civiele zaak over opschorting en executie van dwangsommen bij levering schip

In deze civiele procedure stond een geschil centraal over de levering van een schip en de daarbij opgelegde dwangsommen. Appellante was aangewezen als koper van het schip, maar de juridische levering vond niet tijdig plaats. In kort geding werd een dwangsom opgelegd om levering af te dwingen.

De levering vond uiteindelijk plaats, maar het hof vernietigde het vonnis in kort geding waarin de dwangsommen waren opgelegd. Hierdoor verviel de titel voor aanspraak op dwangsommen. In eerste aanleg werd de looptijd van de dwangsom opgeschort en werd appellante bevolen de executie van dwangsommen te staken.

Appellante kwam in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof oordeelde dat zij geen belang meer had bij haar vorderingen omdat het arrest dat de dwangsommen vernietigde onherroepelijk was geworden. Het hoger beroep werd daarom verworpen en appellante werd veroordeeld in de proceskosten van zowel het incident als het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof verwierp het hoger beroep wegens gebrek aan belang en veroordeelde appellante in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht team I
zaaknummer : 200.357.745/01
zaaknummer / rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/770374/KG ZA 25-422
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] , Zwitserland,
appellante,
advocaat: mr. M.H.R.N.Y. Cordewener te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] , gemeente Stichtse Vecht,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.H.J. Langerak te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Hoger beroep van een 611d Rv-procedure, waarbij de voorzieningenrechter de looptijd van de dwangsom heeft opgeschort en geboden heeft de executie van dwangsommen te staken. Het kort geding vonnis waarbij de dwangsomveroordeling is opgelegd is inmiddels door het hof vernietigd. Omdat geen cassatie tegen dit arrest is ingesteld heeft appellante geen belang meer bij haar vorderingen, nu de titel voor aanspraak op dwangsommen is komen te ontvallen.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 25 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 3 juli 2025 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
  • incidentele memorie tot voeging ex artikel 222 jo Pro 353 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), tevens houdende memorie van grieven, met producties;
  • incidentele memorie van antwoord, met productie.
Bij tussenarrest van 16 december 2025 is de incidentele vordering tot voeging afgewezen en de beslissing over de kosten in het incident aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
[geïntimeerde] heeft daarna een memorie van antwoord met productie ingediend.
Vervolgens is arrest gevraagd.
[appellant] vordert dat het hof – voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – het bestreden vonnis vernietigt en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in zowel de eerste aanleg als in hoger beroep met nakosten en wettelijke rente.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de grieven, met veroordeling van [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van (naar het hof begrijpt) het geding in hoger beroep.
[appellant] heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.
Ten slotte is uitspraak bepaald.

3.Feiten

Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.
3.1
[geïntimeerde] houdt zich bezig met de in- en verkoop van schepen. [appellant] is de echtgenote van [naam] (hierna: [naam] ).
3.2
Op 4 juli 2023 is tussen [naam] ‘
or entity to be designated by Mr. [naam]’ en Almost Three Ltd. gevestigd te Malta, daarbij vertegenwoordigd door [geïntimeerde] , een overeenkomst tot stand gekomen tot koop en verkoop van een in Malta geregistreerd schip (hierna: [schip naam 1] ) voor € 3.730.000,00 exclusief btw, in deelbetalingen te voldoen, waaronder een deelbetaling door levering van een schip van (indirect) [naam] (hierna: [schip naam 2] ). De overeenkomst bevat een forumkeuzebeding waarbij de rechter in Amsterdam is aangewezen als de bevoegde rechter en Nederlands recht van toepassing is verklaard.
3.3
Bij brief van 6 maart 2024 is [appellant] door [naam] aangewezen als de uiteindelijke koper van [schip naam 1] .
3.4
De juridische levering van [schip naam 1] heeft niet tijdig plaatsgevonden.
3.5
[appellant] heeft [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard tot – kort gezegd – veroordeling van [geïntimeerde] om uiterlijk 9 mei 2025 [schip naam 1] vrij van hypotheek te (doen) leveren op straffe van dwangsommen. Bij vonnis in kort geding van 29 april 2025 (hierna: het vonnis in kort geding van 29 april 2025) is de vordering van [appellant] toegewezen, in dier voege dat de uiterste datum voor levering op 13 mei 2025 is gesteld, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] niet aan het gebod tot levering voldoet met een maximum van € 1.000.000,00.
3.6
Vervolgens heeft [appellant] , onder verwijzing naar het op 6 mei 2025 betekende vonnis in kort geding van 29 april 2025, bevel gedaan tot betaling van verbeurde dwangsommen over de periode van 14 mei 2025 tot 2 juni 2025 ter hoogte van € 190.000,00 te vermeerderen met rente en kosten.
3.7
De juridische levering van [schip naam 1] heeft uiteindelijk op 5 juni 2025 plaatsgevonden.
3.8
Bij arrest van dit hof van 18 november 2025 heeft het hof het vonnis in kort geding van 29 april 2025 vernietigd en de vordering van [appellant] (inclusief de opgelegde dwangsommen) alsnog afgewezen.

4.De procedure in eerste aanleg

4.1
In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] – kort gezegd – opheffing van de dwangsommen van het vonnis in kort geding van 29 april 2025 gevorderd, althans gevorderd de opgelegde dwangsommen te verminderen tot nihil, althans de looptijd van twee weken op te schorten tot en met 5 juni 2025 en [appellant] te gebieden de executie van dwangsommen te staken en gestaakt te houden.
4.2
Nadat [appellant] verweer had gevoerd heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] al hetgeen heeft gedaan dat in haar macht lag om tijdig aan de veroordeling te voldoen, maar dat voldoen aan het vonnis voor haar tijdelijk onmogelijk was, reden waarom de looptijd van de dwangsom is opgeschort tot en met 5 juni 2025. [appellant] is geboden om met inachtneming van deze veroordeling, de executie van dwangsommen te staken en gestaakt te houden.

5.Beoordeling

5.1
Tegen voornoemd oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in hoger beroep op met negen grieven. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden.
5.2
De preliminaire bevoegdheidsvraag moet worden beoordeeld op basis van de grondslag van de vordering. Dat is de overeenkomst van 4 juli 2023 met het forumkeuzebeding waarin de rechter in Amsterdam is aangewezen. De voorzieningenrechter heeft zich dus terecht bevoegd verklaard, zodat ook het hof bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.
5.3
De advocaat van [appellant] heeft het hof desgevraagd bericht dat geen cassatie is ingesteld tegen het arrest van dit hof van 18 november 2025. Met de vernietiging van het vonnis in kort geding van 29 april 2025 heeft [appellant] geen belang meer bij haar vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis waarbij de looptijd van de dwangsom is opgeschort tot en met 5 juni 2025 en [appellant] is geboden om de executie van dwangsommen te staken en gestaakt te houden. Immers, door de vernietiging van het vonnis in kort geding van 29 april 2025 is voor [appellant] de titel voor aanspraak op dwangsommen komen te ontvallen. Bij deze uitkomst heeft [appellant] geen belang bij haar vorderingen in de zin van artikel 3:303 BW Pro. Het hoger beroep zal dan ook worden verworpen. Om die reden hoeven de grieven niet te worden behandeld en is er evenmin aanleiding [appellant] toe te laten tot het bewijs van haar stellingen.
5.4
[appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 6.803,00
- salaris advocaat € 4.707,00 (tarief € 4.707,00, 1,00 punt)
Totaal € 11.510,00
5.5
[appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het incident, tot nu vastgesteld op € 4.707,00 (tarief € 4.707,00, 1 punt).

6.Beslissing

Het hof:
verwerpt het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 11.510,00;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het incident, tot nu vastgesteld op € 4.707,00;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. van der Burg, R.A. Boon en A.L. Bervoets en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.