Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
[appellant 3] ,
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
“Restverplichting contract [geïntimeerde] (verrekend over 60 maanden) €1.671,62 per maand”wordt genoemd.
“doelbewust een escalatie in prijsafstemming”.
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
grieven I en IIklagen [appellanten] erover dat de kantonrechter bij de beoordeling niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen en ten onrechte is uitgegaan van een (zuiver) taalkundige uitleg die [appellanten] bovendien onjuist achten. De kantonrechter had moeten onderkennen dat de marktconformiteitsclausule als beëindigingsclausule was bedoeld en had bij de uitleg daarvan acht moeten slaan op de wijze waarop de huurovereenkomsten tot stand zijn gekomen en wat daaraan telkens vooraf ging. [appellanten] noemen in dit verband specifiek dat de printers aan het einde van de looptijd van eerdere huurovereenkomsten niet naar behoren werkten en dat dit voor [appellant 1] nadelige gevolgen had. Zij hebben toegelicht dat eerdere ervaringen met verminderde werking van de printers tegen het einde van de looptijd voor [appellant 1] aanleiding waren om in 2016 een beëindigingsclausule op te nemen in de allonge waarmee de toen lopende overeenkomst werd verlengd. Deze clausule werd door [appellant 1] opgesteld en gaf haar de mogelijkheid om de verlengde overeenkomst kosteloos te beëindigen op de oorspronkelijke einddatum daarvan, in maart 2019, indien [geïntimeerde] dan geen marktconform voorstel zou kunnen stellen tegenover een door [appellant 1] te verkrijgen voorstel van een derde. Deze achtergrond speelt volgens [appellanten] een rol bij de uitleg die moet worden gegeven aan de tekst van de marktconformiteitsclausule in de in 2018 gesloten nieuwe overeenkomst. Volgens [appellanten] was de situatie in 2018 hetzelfde als die in 2016. Ook toen wilde [appellant 1] , vanwege haar ervaring met verminderde werking van de printers tegen het einde van de looptijd, deze beëindigingsclausule laten opnemen in de overeenkomst, aldus steeds [appellanten]
dezelfdeclausule als in 2016 te zullen toevoegen aan het voorstel. Dit betoog van [appellanten] vindt echter geen steun in de gang van zaken zoals die blijkt uit de in het geding gebrachte correspondentie. Bij e-mailbericht van 20 december 2018 heeft [appellant 1] bij [geïntimeerde] navraag gedaan naar de clausule met de tekst:
“Is er al iets bekend over de clausule?”Vervolgens heeft [geïntimeerde] op 20 december 2018 een aangepast voorstel toegezonden aan [appellant 1] waarin de hiervoor (onder 3.7) geciteerde clausule is toegevoegd. De tekst daarvan wijkt duidelijk af van de clausule uit 2016. In de begeleidende e-mail schreef [geïntimeerde] :
“Hierbij stuur ik jullie het aangepaste voorstel toe. Op pagina 11 vinden jullie de allonge. Ik ga ervan uit dat deze allonge jullie voldoende vertrouwen geeft voor de toekomst. Dennis en ik zien graag het akkoord tegemoet zodat we onze prettige samenwerking voort kunnen zetten.”Vervolgens heeft [appellant 1] het aldus aangevulde voorstel op 21 december 2018 getekend.
dezelfdeclausule als in 2016 zou worden toegevoegd en ook niet dat [appellant 1] de overeenkomst per maart 2023 kosteloos kon beëindigen. Voor de vraag of partijen bedoelden dit overeen te komen, gaat het er niet alleen om wat [appellant 1] heeft verzocht, maar ook of uit verklaringen of gedragingen kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] daarmee heeft ingestemd. Dat laatste is niet gebleken. Integendeel, uit het gegeven dat [geïntimeerde] in haar eerste voorstel geen marktconformiteitsclausule opnam, blijkt dat zij aanvankelijk in het geheel geen marktconformiteitsclausule wilde overeenkomen. Na het verzoek van [appellant 1] om dat toch te doen, heeft [geïntimeerde] vervolgens een aangepaste clausule opgenomen. Daaruit blijkt dat [geïntimeerde] niet bereid was om in 2018 dezelfde marktconformiteitsclausule op te nemen in de overeenkomst als in 2016. In de markconformiteitsclausule is niet opgenomen dat de overeenkomst in afwijking van artikel 24.3 AV kosteloos tussentijds kon worden beëindigd en dat volgt evenmin uit andere verklaringen of gedragingen.
“Restverplichting contract [geïntimeerde] ”verrekend, zo volgt uit het voorstel dat [geïntimeerde] op 17 december 2018 aan [appellant 1] heeft gedaan (zie 3.5 hiervoor). [appellant 1] heeft destijds niet (kenbaar) bezwaar gemaakt tegen deze vermelding in het voorstel van 2018.
grief II en de beide grieven III, dat [geïntimeerde] [appellant 1] op het verkeerde been heeft gezet door toezending van een clausule die afweek van de tekst uit 2016 zonder op de aanpassingen daarin te wijzen, kan mede in het licht van het voorgaande niet ertoe leiden dat het restant van de projectsom niet verschuldigd is. Hierbij heeft het hof ook in ogenschouw genomen dat de omstandigheid dat de situatie in 2018 afweek van die in 2016 meebrengt dat de tekst uit 2016 per definitie niet één op één kon worden overgenomen in het voorstel van [geïntimeerde] . [appellant 1] moest dus bedacht zijn op aanpassingen. De clausule was bovendien de enige wijziging in het voorstel van 2018 en [geïntimeerde] heeft daar in haar e-mail van 20 december 2018 nadrukkelijk naar verwezen (zie 6.8 hiervoor). Dat [geïntimeerde] met het begeleidende e-mailbericht de indruk zou hebben gewekt dat de marktconformiteitsclausule uit 2016 ongewijzigd was overgenomen en dat [appellant 1] door dit bericht zou zijn misleid, volgt het hof ook niet. De begeleidende e-mail van [geïntimeerde] duidt er veeleer op dat de tekst van de clausule was aangepast. Het lag derhalve (des te meer) op de weg van [appellant 1] om de tekst van de clausule zorgvuldig door te nemen. Door ondertekening van het voorstel, inclusief de daaraan door [geïntimeerde] toegevoegde clausule, heeft [appellant 1] tot uitdrukking gebracht in te stemmen met de (gewijzigde) tekst van die clausule.
“resterende contractverplichtingen”en de context waarin deze woorden worden gebruikt, volgt duidelijk en begrijpelijk dat het gaat om de nog niet gefactureerde termijnen voor de resterende duur van de overeenkomst. Redelijkerwijs kan geen twijfel over de betekenis van deze woorden bestaan. Anders dan [appellanten] aanvoeren maakt de laatste zin van de marktconformiteitsclausule dat niet anders. Het voorgaande geldt in het bijzonder ook omdat in het voorstel van [geïntimeerde] uit 2018 een kostenvergelijking is opgenomen met de offerte van een derde partij (OSN) waarin [geïntimeerde] de post
“Restverplichting contract [geïntimeerde] ”heeft opgenomen. Hieruit blijkt op welke wijze de resttermijnen in de vergelijking zouden worden betrokken. [appellant 1] moet geacht worden dit in het door haar voor akkoord getekende voorstel te hebben gelezen. Dat zij de post
“Restverplichting contract [geïntimeerde] ”destijds in het voorstel uit 2018 heeft zien staan, is bovendien ter zitting van het hof bevestigd. Het standpunt van [appellant 1] dat pas ter gelegenheid van de beëindiging in december 2022 door [geïntimeerde] is gecommuniceerd dat altijd al een restwaarde in rekening werd gebracht bij tussentijdse beëindiging, kan het hof gelet op het voorgaande niet volgen. Deze betalingsverplichting mocht bovendien bekend worden verondersteld, omdat deze in artikel 24.3 AV stond.
grieven II en IV, in onderling verband en samenhang beschouwd, nog aangevoerd dat in de marktconformiteitsclausule een kosteloze opzeggingsbevoegdheid moet worden gelezen, omdat de bepaling anders zinledig zou zijn. Ook dit betoog faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Op grond van artikel 24.3 AV kon de overeenkomst onder voorwaarden tussentijds worden opgezegd. De marktconformiteitsclausule gaf [appellant 1] de mogelijkheid om zich eind 2022 opnieuw op de markt te oriënteren en [geïntimeerde] tussentijds een marktconform voorstel te vragen. Op basis daarvan zou [appellant 1] voor het einde van de looptijd van de overeenkomst een nieuwe overeenkomst kunnen aangaan, waarbij nieuwe printers konden worden verkregen tegen marktconforme kosten, onder betaling van het restant van de projectsom. Indien de nieuwe overeenkomst met [geïntimeerde] werd aangegaan, en dus de relatie net als in 2018 werd gecontinueerd, konden de resterende termijnen van het lopende contract dan worden verdisconteerd in het nieuwe contract en dus over een langere periode worden uitgesmeerd. Voor [appellant 1] kon dit (mede) afhankelijk van de prijsontwikkeling leiden tot een verlaging van de maandlasten in combinatie met het voordeel eerder nieuwe printers in gebruik te kunnen nemen.
€ 4.704(tarief IV × 2 punten)