ECLI:NL:GHAMS:2026:880
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- C. Beuze
- A.P.M. van Rijn
- A.M. Koolen - Zwijnenburg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep uitkeringsfraude met taakstraf en niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep vrijspraak
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor uitkeringsfraude, waarbij zij opzettelijk niet had gemeld dat zij werkzaamheden verrichtte, waardoor zij ten onrechte een uitkering ontving. De rechtbank Noord-Holland veroordeelde haar tot een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis.
De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis, waaronder ook tegen haar vrijspraak voor de WIA-uitkering. Het hof verklaarde dit deel van het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat tegen een vrijspraak geen hoger beroep mogelijk is. Het hof bevestigde verder het vonnis van de rechtbank, maar verving de strafmotivering en matigde de straf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De advocaat-generaal had een lagere straf geëist, maar het hof legde een hogere straf op gezien de ernst van de feiten. De raadsman verzocht rekening te houden met persoonlijke omstandigheden en een voorwaardelijke straf, maar het hof wees dit af. De verdachte heeft geen strafblad en is alleenstaande ouder met psychische druk, maar dit leidde niet tot strafvermindering.
Het hof benadrukte het belang van correcte vaststelling van uitkeringsrechten en het tegengaan van misbruik van sociale voorzieningen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 31 maart 2026.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor vrijspraak; taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis bevestigd voor uitkeringsfraude.