In deze strafzaak stond de niet tijdige openbaarmaking van de jaarrekening 2020 door een rechtspersoon centraal. De economische politierechter sprak de verdachte in eerste aanleg vrij, maar het openbaar ministerie ging in hoger beroep.
Het hof stelde vast dat de administratie van de verdachte in mei 2018 in beslag was genomen door de FIOD en pas in 2022 was teruggegeven, waardoor de jaarrekening niet tijdig kon worden gedeponeerd. De verdachte had echter geen ontheffing aangevraagd, wat volgens het hof redelijkerwijs mogelijk was om strafbaarheid te voorkomen.
De verdediging voerde overmacht aan, maar het hof oordeelde dat dit niet slaagt omdat de verdachte naliet de ontheffing te vragen. Het hof veroordeelde de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van €600 met een proeftijd van twee jaar en legde een maatregel op om alsnog binnen negen maanden de jaarrekening te deponeren. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd.