Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:876

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
23-000392-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 394 lid 1 Boek 2 BWArt. 394 lid 3 Boek 2 BWArt. 394 lid 5 Boek 2 BWArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet tijdige openbaarmaking jaarrekening door rechtspersoon

In deze strafzaak stond de niet tijdige openbaarmaking van de jaarrekening 2020 door een rechtspersoon centraal. De economische politierechter sprak de verdachte in eerste aanleg vrij, maar het openbaar ministerie ging in hoger beroep.

Het hof stelde vast dat de administratie van de verdachte in mei 2018 in beslag was genomen door de FIOD en pas in 2022 was teruggegeven, waardoor de jaarrekening niet tijdig kon worden gedeponeerd. De verdachte had echter geen ontheffing aangevraagd, wat volgens het hof redelijkerwijs mogelijk was om strafbaarheid te voorkomen.

De verdediging voerde overmacht aan, maar het hof oordeelde dat dit niet slaagt omdat de verdachte naliet de ontheffing te vragen. Het hof veroordeelde de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van €600 met een proeftijd van twee jaar en legde een maatregel op om alsnog binnen negen maanden de jaarrekening te deponeren. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd.

Uitkomst: De verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €600 en een maatregel tot het alsnog deponeren van de jaarrekening binnen negen maanden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000392-24
datum uitspraak: 31 maart 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 9 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 82-137063-23 tegen
[bedrijf] B.V.,
gevestigd te [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij in Zandvoort, althans in Nederland, (als rechtspersoon) niet uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar 2020, op de in artikel 394 lid 1 Boek Pro 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt, aangezien op of omstreeks 1 november 2022, voormelde jaarrekening nog niet openbaar was gemaakt door nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar, ten kantore van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de economische politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij in Zandvoort, als rechtspersoon, niet uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar 2020, op de in artikel 394 lid 1 Boek Pro 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt, aangezien op 1 november 2022, voormelde jaarrekening nog niet openbaar was gemaakt door nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar, ten kantore van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Standpunten van partijen
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring en zich op het standpunt gesteld dat het beroep van de verdediging op overmacht, anders dan de politierechter heeft geoordeeld, niet kan slagen. Weliswaar kon de verdachte niet voldoen aan haar verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening van 2020 als gevolg van een inbeslagname van de administratie, maar zij had in dat geval een ontheffing moeten aanvragen van die verplichting. Door dit na te laten slaagt een beroep op overmacht niet.
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van overmacht. De verdachte kon niet voldoen aan haar verplichting tot het opmaken en openbaar maken van de jaarrekening van 2020 als gevolg van een inbeslagname van de administratie. De omstandigheid dat de verdachte heeft nagelaten een ontheffing aan te vragen van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening staat niet in de weg aan een geslaagd beroep op overmacht. De verdachte wordt immers alleen verweten dat zij de jaarrekening niet openbaar heeft gemaakt en niet (ook) dat zij geen ontheffing van die verplichting heeft aangevraagd. Ook in het geval van een ontheffing van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening zou de verdachte het tenlastegelegde feit hebben begaan.
Oordeel van het hof
Het hof stelt het volgende vast. De administratie van de verdachte is in mei 2018 inbeslaggenomen door de FIOD in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en in 2022 teruggegeven. Daardoor kon de verdachte niet voldoen aan haar verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening van 2020. De verdachte heeft geen ontheffing van die verplichting aangevraagd. Een inbeslagname van administratie door de FIOD kan l een reden zijn voor het verlenen van deze ontheffing.
Met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte in dit geval geen geslaagd beroep op overmacht toekomt. In de hiervoor gegeven omstandigheden had de verdachte redelijkerwijs kunnen voorkomen dat zij een strafbaar feit beging door een ontheffing te vragen van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening van 2020. De verdachte had ruim vóór het ontstaan van die verplichting kunnen voorzien dat zij daaraan niet kon voldoen als gevolg van de inbeslagname van de administratie en daarom ontheffing kunnen aanvragen. Ontheffing brengt met zich dat de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening (tijdelijk) niet geldt (artikel 2:394 lid 5 van Pro het Burgerlijk Wetboek), zodat het niet voldoen aan die verplichting geen strafbaar feit oplevert.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 394, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De economische politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 600,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en dat aan de verdachte de maatregel ex artikel 8 sub c van Pro de Wet op de economische delicten zal worden opgelegd inhoudende dat zij binnen 9 maanden alsnog de jaarrekening deponeert (voor zover dit nog niet is gebeurd).
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft niet uiterlijk binnen 12 maanden na afloop van het boekjaar 2020 de jaarrekening van dat boekjaar openbaar gemaakt door nederlegging van de jaarrekening ten kantore van het handelsregister. Door aldus te handelen heeft de verdachte derden de kans ontnomen zelfstandig enig inzicht te krijgen in de vermogenspositie van het bedrijf.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 maart 2026 is zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte en een maatregel ex artikel 8 sub c van Pro de Wet op de economische delicten passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op artikel 394 van Pro het Burgerlijk Wetboek (Boek 2), de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2, 6 en 8 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 4 juli 2023 onder CJIB-nummer
[CJIB-nummer] .
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 600,00 (zeshonderd euro).
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Legt op als maatregel de verplichting tot verrichting van hetgeen wederrechtelijk is nagelaten, te weten: het alsnog deponeren van de jaarrekening - voor zover dat nog niet gebeurd is - binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 maart 2026.
mr. A.P.M. van Rijn en mr. C. Beuze zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.