ECLI:NL:GHAMS:2026:863
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderalimentatie en zorgregeling na afwijzing verhuizing minderjarige
In deze zaak stond de vaststelling van kinderalimentatie centraal na het afwijzen van het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing met de minderjarige naar Griekenland. Het hof bepaalde dat de moeder en het kind in Nederland blijven wonen, waardoor de alimentatieverplichting van de vader opnieuw moest worden vastgesteld.
De ingangsdatum van de alimentatie werd vastgesteld op 12 mei 2023, de datum waarop de moeder haar zelfstandig verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie indiende. De behoefte van het kind werd vastgesteld op €690 per maand, exclusief kinderopvangkosten. Het hof besloot de netto kinderopvangkosten toe te voegen aan de behoefte, omdat de moeder deze kosten droeg terwijl de vader hiervan profiteerde.
De draagkracht van beide ouders werd uitgebreid geanalyseerd, waarbij rekening werd gehouden met loon, bonussen, RSU’s en fiscale voordelen zoals de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De vader moest bijdragen volgens een draagkrachtvergelijking, waarbij ook een zorgkorting werd toegepast vanwege de zorgregeling tussen vader en kind.
Uiteindelijk bepaalde het hof de maandelijkse bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind op €381 vanaf 12 mei 2023, met aanpassingen voor de jaren 2024 tot en met 2026. De eerdere beschikking werd vernietigd en de nieuwe bijdrage werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vader moet kinderalimentatie betalen vanaf 12 mei 2023 met aangepaste bedragen tot 2026, rekening houdend met zorgregeling en kinderopvangkosten.