Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:827

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
23-002940-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 141 SrArt. 266 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens medeplegen openlijke geweldpleging, belediging ambtenaren, vernieling en verduistering

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor medeplegen van openlijke geweldpleging tegen twee vrouwen, belediging van ambtenaren, vernieling en verduistering van een elektronische enkelband.

De bewezenverklaring is gebaseerd op verklaringen van de slachtoffers, getuigen en het feit dat verdachte de bestuurder was van de betrokken auto. De verdediging voerde onder meer aan dat de verklaringen onbetrouwbaar waren en dat sprake was van vormverzuim, maar deze verweren werden verworpen.

De straf is vastgesteld op een gevangenisstraf van 11 weken, verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast zijn schadevergoedingen toegekend aan de benadeelde partijen: € 750 aan immateriële schade aan een slachtoffer en € 592,90 aan materiële schade aan de Dienst Vervoer en Ondersteuning.

Het hof oordeelde dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige feiten die de lichamelijke integriteit van de slachtoffers aantasten en het gezag van ambtenaren ondermijnen. De eerdere veroordelingen en recidive speelden mee in de strafoplegging.

De verdachte is vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden. De opgelegde straf houdt rekening met de ernst van de feiten, de persoon van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 11 weken gevangenisstraf en toegewezen schadevergoedingen voor openlijke geweldpleging, belediging, vernieling en verduistering.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002940-23
datum uitspraak: 26 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 november 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-016018-23 (zaak A) en 13-054637-23 (zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
In zaak A:
primairhij op 29 mei 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg en/of de voor het publiek toegankelijke plaats, te weten, Bernard Loderstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij] en/of [slachtoffer] , welk geweld bestond uit
- het (met kracht) op/tegen het lichaam en/of in/op/tegen het gezicht/gelaat en/of hoofd slaan en/of stompen van voornoemde [slachtoffer] en/of [benadeelde partij] ;
- het (met kracht) op/tegen het lichaam en/of het hoofd trappen en/of schoppen van voornoemde [slachtoffer] en/of [benadeelde partij] ;
- het (met kracht) aan de haren trekken van voornoemde [slachtoffer] en/of [benadeelde partij] ;
- het (met kracht) op de grond gooien en/of duwen van voornoemde [benadeelde partij]
subsidiairhij op of omstreeks 29 mei 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde partij] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde partij] (met kracht)
- op/tegen haar lichaam en/of in/op/tegen haar gezicht/gelaat en/of haar hoofd te slaan en/of stompen en/of
- op/tegen haar lichaam en/of in/op/tegen haar gezicht/gelaat en/of haar hoofd te trappen en/of schoppen;
en/of
hij op of omstreeks 29 mei 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] (met kracht)
- op/tegen haar lichaam en/of in/op/tegen haar gezicht/gelaat en/of haar hoofd te slaan en/of stompen en/of
- op/tegen haar lichaam en/of in/op/tegen haar gezicht/gelaat en/of haar hoofd te trappen en/of schoppen;
In zaak B:
1.
hij op of omstreeks 9 februari 2023 te Amsterdam, opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en), te weten hoofdagent [verbalisant 1] en/of surveillant [verbalisant 2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: kankerhonden, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2.
hij op of omstreeks 21 december 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een elektronische enkelband, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Dienst Vervoer en Ondersteuning, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
3.
hij op of omstreeks 21 december 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een elektronische enkelband, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Dienst Vervoer en Ondersteuning, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als deelnemer aan elektronische monitoring, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt met betrekking tot de bewezenverklaring en strafoplegging dan de politierechter.

Bewijsoverweging ten aanzien van zaak A

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak A tenlastegelegde. Zij heeft daartoe primair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die geweldshandelingen heeft verricht. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters en getuigen onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn en daarom dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Bovendien lijken de verklaringen van de getuigen en aangeefsters op elkaar te zijn afgestemd voordat de politie ter plaatse was.
Het hof overweegt als volgt.
[benadeelde partij] en [slachtoffer] hebben ieder aangifte gedaan van openbare geweldpleging. [slachtoffer] , de ex-partner van de verdachte, heeft in haar aangifte en ook direct na het feit aan de ter plaatse gekomen politieambtenaren de verdachte en diens vriendin [persoon] als daders aangewezen. [benadeelde partij] was met [slachtoffer] meegekomen. [slachtoffer] had gezegd dat zij had afgesproken met [persoon] . Zij zag op de ontmoetingsplaats een man en een vrouw uit een auto (een Mini Cooper) stappen. [benadeelde partij] hoorde later van [slachtoffer] dat dit [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) en [persoon] waren. [verdachte] en [persoon] zijn volgens beide aangevers de personen die hen hebben geslagen, hen aan de haren hebben getrokken en [benadeelde partij] op de grond hebben gegooid. Het hof twijfelt niet dat het de verdachte is geweest die samen met [persoon] de gewelddadigheden heeft gepleegd. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij ter plaatse was en dat hij de bestuurder was van de Mini Cooper. Omstanders [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat de man die geweld pleegde in de Mini Cooper stapte en met hoge snelheid wegreed. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte degene is geweest die met (onder meer) [persoon] geweld heeft gepleegd tegen beide aangeefsters.
Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters en de getuigen overweegt het hof dat uit beide aangiftes volgt dat zij in grote lijnen en op de van belang zijnde punten hetzelfde verklaren. Dat de verklaringen op bepaalde punten verschillen en dat aangeefsters elk een iets andere beleving hebben gehad, acht het hof niet onbegrijpelijk. De beide aangeefsters werden plotseling met geweld geconfronteerd. Voorstelbaar is dat dit een angstige en onoverzichtelijke situatie voor hen meebracht, hetgeen invloed heeft gehad op hun waarnemingen. Het hof gaat daarom uit van die onderdelen van hun verklaringen die over en weer en/of in de verklaringen van de onafhankelijke getuigen ( [getuige 1] en [getuige 2] ) steun vinden. Het hof ziet geen solide aanknopingspunten in het dossier voor de stelling dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd. De omstandigheid dat de onafhankelijke getuigen op de plaats delict ten overstaan van de politie de namen van de verdachten hebben genoemd, terwijl zij bij de raadsheer-commissaris hebben verklaard de verdachten niet te kennen, doet niet af aan wat zij de verdachte aan handelingen hebben zien verrichten. Het hof acht het daarbij aannemelijk dat de getuigen de naam van de verdachte ter plaatse hebben gehoord van [slachtoffer] en deze namen ter wille van de duidelijkheid in hun verklaringen hebben gebruikt. Het hof baseert zoals hiervoor is overwogen de vaststelling dat de verdachte een van de geweldplegers was niet op dat onderdeel van de verklaringen van de getuigen.
De verweren van de raadsvrouw worden dus verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A primair en in zaak B onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
In zaak A:
primairhij op 29 mei 2022 te Amsterdam, met anderen, op de openbare weg, te weten de Bernard Loderstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij] en [slachtoffer] , welk geweld bestond uit
- het tegen het lichaam en hoofd slaan van [slachtoffer] en [benadeelde partij] ;
- het aan de haren trekken van [slachtoffer] en [benadeelde partij] ;
- het op de grond gooien van [benadeelde partij] .
In zaak B:
1.
hij op 9 februari 2023 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaren, te weten hoofdagent [verbalisant 1] en surveillant [verbalisant 2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: kankerhonden;
2.
hij op 21 december 2022 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een elektronische enkelband, die aan Dienst Vervoer en Ondersteuning toebehoorde, heeft vernield;
3.
hij op 21 december 2022 te Amsterdam, opzettelijk een elektronische enkelband, toebehorende aan Dienst Vervoer en Ondersteuning, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als deelnemer aan elektronische monitoring, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Hetgeen in de zaak A primair en in de zaak B onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A primair en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak
A primairbewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Het in zaak
B onder 1bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het in zaak
B onder 2bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Het in zaak
B onder 3bewezenverklaarde levert op:
verduistering.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A primair en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A primair en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A primair en in zaak B onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 weken met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van zaak B (wijzend op pagina 28 van het dossier) op het standpunt gesteld dat sprake is van een vormverzuim, nu de verdachte ten onrechte is medegedeeld dat hij recht had op een door hem zelf te betalen advocaat, terwijl hij recht had op kosteloze bijstand van een advocaat overeenkomstig de piketregeling. Dit dient te leiden tot strafvermindering. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en het bepaalde in artikel 63 Sr Pro, en om te volstaan met een taakstraf en voorwaardelijke straf.
Ten aanzien van het vormverzuimverweer in zaak B
Het hof overweegt met betrekking tot het aangevoerde vormverzuimverweer van de raadsvrouw als volgt.
Op grond van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Rechtsbijstand in verband met artikel 28d van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de rechtsbijstand aan een aangehouden verdachte kosteloos tenzij sprake is van verdenking van een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is in zaak B op 9 februari 2023 aangehouden en voorgeleid ter zake de belediging van ambtenaren. Uit het proces-verbaal van voorgeleiding van 9 februari 2023 (opgenomen op pagina 28 van het procesdossier) blijkt dat hem is medegedeeld dat hij recht heeft op consultatie- en verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat. Deze mededeling is naar het oordeel van het hof terecht aan hem gedaan, nu hij enkel werd voorgeleid in het kader van de belediging en dit geen feit betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte heeft desgevraagd laten weten geen gebruik te willen maken van consultatie- en verhoorbijstand. Overigens is hij toen ook niet (inhoudelijk) verhoord. Vervolgens is de verdachte de volgende dag, op 10 februari 2023 om 09.00 uur inhoudelijk verhoord ter zake de belediging en ook ter zake de vernieling van de enkelband (een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan). Voorafgaand aan dit verhoor is de verdachte gewezen op zijn recht op kosteloze verhoorbijstand van een (voorkeurs)piketadvocaat (blad 1 van het proces-verbaal van verhoor verdachte op pagina 20 van het procesdossier). De verdachte verklaarde echter hiervan geen gebruik te willen maken. Op dezelfde dag om 12.00 uur is de verdachte in verzekering gesteld ter zake van vernieling. Voorafgaande aan het verhoor in het kader van de inverzekeringstelling is de verdachte opnieuw gewezen op zijn recht op kosteloze consultatie- en verhoorbijstand (blad 1 van het proces-verbaal van inverzekeringstelling op pagina 31 van het procesdossier).
Het hof stelt vast dat geen sprake is van de situatie dat de verdachte ten onrechte niet is gewezen op zijn recht op kosteloze rechtsbijstand, zodat geen sprake is van een vormverzuim. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Ten aanzien van zaken A en B
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Met name openlijke geweldpleging is een ernstig feit. Hij heeft zich samen met anderen gewelddadig en bruut gedragen tegen twee vrouwen en heeft zich daarbij duidelijk niet ingehouden. Zulke feiten maken een inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en dragen bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij, te meer omdat omstanders van het feit getuige waren. Ook het doorknippen en verduisteren van de enkelband die hij in het kader van schorstingsvoorwaarden moest dragen zijn kwalijke feiten. De verdachte is op vrije voeten gesteld in het vertrouwen dat hij zich zou houden aan de voorwaarden van de schorsing. De verdachte heeft door de band door te knippen en voorts te verduisteren, niet alleen het in hem gestelde vertrouwen geschonden, maar heeft daarmee de Dienst Vervoer en Ondersteuning ook schade berokkend. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de belediging van een tweetal ambtenaren. Hij heeft de politieambtenaren, die hun werk deden, in hun eer en goede naam aangetast en hun gezag als ambtsdrager ondermijnd. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen.
Het hof weegt in het nadeel van de verdachte mee dat uit zijn strafblad van 26 februari 2026 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vernieling en geweldsmisdrijven.
Gelet op de ernst van de feiten en de recidive kan niet worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in hoger beroep. Namens de verdachte is op 6 november 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 26 maart 2026 arrest. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met meer dan vier maanden. Het hof zal dit verdisconteren in de op te leggen straf.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof dit verminderen tot een gevangenisstraf voor de duur van elf weken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.770,35, bestaande uit € 2.770,35 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij is voor het overige in de vordering niet- ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, in de vordering niet-ontvankelijk is. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair heeft ze aangevoerd dat de gestelde psychische schade met onvoldoende concrete gegevens is onderbouwd. Ten slotte heeft de raadsvrouw bepleit de vordering voor zover die ziet op de armbanden, bij gebrek aan onderbouwing, af te wijzen.
Met betrekking tot de materiële schade is het hof van oordeel dat er geen rechtstreeks verband is tussen de gestelde materiële schade en het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk in de door haar gevorderde vergoeding van materiële schade.
Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte wel rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Nu de benadeelde partij (enig) lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde en dit ook heeft onderbouwd met een letselschaderapport, is de verdachte op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een deel van het gevorderde bedrag zal worden toegewezen. Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding heeft het hof rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de aard van het letsel, de ernst van het letsel en de verwachting ten aanzien van het herstel van dat letsel. Het hof heeft daarbij gelet op de bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Voor zover de immateriële schade is gegrond op psychisch letsel stelt het hof vast dat die schade niet is onderbouwd. Het hof stelt de geleden immateriële schade vast op een bedrag van € 750,00 en zal dit hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente. Het overige deel van de vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen.
Daarnaast zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij Dienst Vervoer en Ondersteuning

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 592,90 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.
De verdediging heeft de vordering niet betwist.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak B onder 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Nu de vordering door de verdediging niet is betwist en deze het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, is de verdachte tot vergoeding van die schade gehouden. De vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 141, 266, 267, 321 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-016018-23 primair en in de zaak B met parketnummer 13-054637-23 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak A met parketnummer 13-016018-23 primair en in de zaak B met parketnummer 13-054637-23 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
11 (elf) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-016018-23 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 4.250,00 (vierduizend tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor wat betreft
de materiële schadeniet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-016018-23 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 mei 2022.
Vordering van de benadeelde partij Dienst Vervoer en Ondersteuning
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Dienst Vervoer en Ondersteuning ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-054637-23 onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 592,90 (vijfhondertweeënnegentig euro en negentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Dienst Vervoer en Ondersteuning, ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-054637-23 onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 592,90 (vijfhondertweeënnegentig euro en negentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 december 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. M.L.M. van der Voet en mr. A.E.M. Röttgering, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2026.
mr. A.E.M. Röttgering is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.