ECLI:NL:GHAMS:2026:812

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.345.903/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof gelast raadsonderzoek naar herstel zorgregeling tussen vader en kinderen

De zaak betreft een geschil over de zorgregeling tussen de vader en zijn twee minderjarige kinderen, waarbij de rechtbank een opbouwende zorgregeling had vastgesteld. De moeder verzet zich tegen deze regeling vanwege het ontbreken van contact tussen de kinderen en de vader sinds eind 2023, terwijl de vader het contact wil herstellen en openstaat voor hulpverlening.

In hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de zorgregeling niet van de grond is gekomen omdat de kinderen weigeren contact met de vader te hebben. De moeder en vader verschillen van mening over de oorzaak van het contactgebrek. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een raadsonderzoek om te achterhalen waarom het contact niet tot stand komt en welke hulpverlening nodig is.

Het hof acht het in het belang van de kinderen, vooral van de jongste, dat het contact wordt hersteld, maar vindt dat onvoldoende informatie beschikbaar is om een definitieve zorgregeling vast te stellen. Daarom gelast het hof een onderzoek door de raad en houdt de zaak pro forma aan tot uiterlijk 22 november 2026, waarbij ook een eerste voorzichtig contact tussen vader en jongste kind is gestimuleerd.

Uitkomst: Het hof gelast een raadsonderzoek naar het herstel van contact en houdt de zaak pro forma aan tot het onderzoeksrapport is ontvangen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.345.903/01
zaaknummer rechtbank: C/13/746623 / FA RK 24-1092 (VZ/WvL)
beschikking van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: voorheen mr. S.L. Fronik te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. N. Bevelander te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2]
.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de kinderen).
1.2
De rechtbank heeft op 12 juni 2024 een opbouwende zorgregeling vastgesteld tussen de vader en de kinderen, waarbij de kinderen uiteindelijk eens in de veertien dagen van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader zijn. De moeder is het daar niet mee eens en meent dat het in het belang van de kinderen is dat er een zeer beperkte zorgregeling, of geen zorgregeling wordt vastgesteld tussen de vader en de kinderen. De vader is het wel eens met de bestreden beschikking voor zover daarin een reguliere zorgregeling is vastgesteld, maar wil dat daarnaast bepaald wordt dat de ouders, zodra de reguliere zorgregeling naar behoren verloopt, in onderling overleg dienen te bepalen hoe de overige vakanties en feestdagen worden verdeeld.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 10 september 2024 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 12 juni 2024 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De vader heeft op 31 oktober 2024 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 20 december 2024 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 20 december 2024 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de moeder van 21 januari 2025 met bijlagen.
2.5
Het hof heeft de kinderen de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
2.6
De zitting heeft op 31 januari 2025 plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Tijdens de mondelinge behandeling is besloten dat de ouders, de raad en FamilySupporters in gezamenlijk overleg zullen bepalen welk hulpverleningstraject wordt ingezet, met het oog op het op gang brengen van de zorgregeling. De verdere behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling is pro forma aangehouden tot zondag 1 juni 2025.
2.7
Bij het hof is – na de pro forma aanhouding – een bericht van de zijde van de vader van 19 december 2025 ingekomen.
2.8
De nadere mondelinge behandeling heeft op 19 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. J. Brouwer, waarnemend voor mr. Fronik;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.

3.De feiten

3.1
De zaak heeft betrekking op:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011 te [plaats A] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2014 te [plaats A] .
3.2
De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Uit die relatie is [minderjarige 2] geboren. [minderjarige 1] is een dochter van de moeder uit een eerdere relatie. De vader heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] erkend.
3.3
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
3.4
De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Surinaamse nationaliteit. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad een zorgregeling bepaald waarbij de kinderen bij de vader zijn:
- te beginnen met een keer in de veertien dagen op zaterdagmiddag van 15.00 uur tot 17.00 uur, voor drie keer,
- daarna eens in de veertien dagen op zaterdag van 15.00 uur tot 20.00 uur na het avondeten, voor drie keer,
- daarna eens in de veertien dagen van vrijdagavond 18.00 uur met avondeten bij de vader tot zaterdag 11.00 uur, voor drie keer,
- daarna eens in de veertien dagen van vrijdagavond 18.00 uur met avondeten bij de vader tot zaterdag 20.00 uur na het avondeten, voor drie keer,
- vanaf daarna eens in de veertien dagen van vrijdag na school tot maandag naar school.
4.2
De moeder verzoekt in principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat een zeer beperkte zorgregeling, dan wel geen zorgregeling wordt vastgesteld tussen de vader en de kinderen, althans een zorgregeling zoals het hof in goede justitie zal bepalen.
4.3
De vader verzoekt in principaal hoger beroep – naar het hof begrijpt – het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de reguliere zorgregeling. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader te bepalen dat partijen, zodra de reguliere zorgregeling naar behoren verloopt, in onderling overleg dienen te bepalen hoe de overige vakanties en feestdagen worden gedeeld, waarbij de kinderen in ieder geval afwisselend het ene jaar met kerst en het andere jaar met oud en nieuw bij de vader verblijven.
4.4
De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep het verzoek van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

In principaal en incidenteel hoger beroep
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Nu de vader de Surinaamse nationaliteit heeft, heeft deze procedure een internationaal karakter. Het hof stelt vast dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over de zorgregeling. Het oordeel dat op het verzoek Nederlands recht van toepassing is, is niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Zorgregeling en regeling ten aanzien van kerst en oud en nieuw
Wettelijk kader
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
De standpunten
5.3
De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte een opbouwende zorgregeling heeft bepaald. De kinderen hebben sinds eind 2023 niet of nauwelijks contact gehad met de vader. Na de bestreden beschikking heeft de vader de kinderen voor het eerst opgehaald op 29 juni 2024. De broer van de moeder (die de kinderen naar beneden bracht) heeft daarover aangegeven dat de kinderen overstuur waren en niet met de vader mee wilden. Tot op heden hebben de kinderen de vader niet gezien. Beide kinderen hebben aangegeven dat zij geen contact willen met de vader. Dat is de reden dat er geen omgang heeft plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij geen contact wil met de vader omdat hij niet haar biologische vader is en zij contact heeft met haar biologische vader.
Ter zitting in hoger beroep (op 19 februari 2026) heeft de moeder aanvullend verklaard dat zij geen idee heeft waarom het niet lukt de kinderen te stimuleren contact te hebben met de vader. Zij probeert dat wel. Na de zitting in januari 2025 is de zaak door het Ouder- en Kindteam (hierna: OKT) overgedragen aan iHub. De ouders, de contactpersoon van het OKT en de raad hebben toen een gezamenlijk gesprek gehad. Hierna is de hulpverlening niet gestart omdat de kinderen daar niet aan mee wilden werken. De moeder spreekt positief over de vader maar de kinderen willen geen contact met hem. Het gaat goed met beide kinderen. [minderjarige 2] moet een dyslexietest ondergaan. Er is geen enkel contact tussen de vader en de moeder en de moeder wil ook geen contact.
5.4
De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder, bewust dan wel onbewust, een drempel creëert voor de kinderen om onbelast contact met de vader te hebben. Het feit dat de vader niet de biologische vader is van [minderjarige 1] is nooit een probleem geweest maar door de moeder wordt nu wel opgemerkt dat [minderjarige 1] alleen contact wil met haar biologische vader.
Ter zitting in hoger beroep (op 19 februari 2026) heeft de vader aanvullend verklaard dat hij geen zicht heeft op hoe het met beide kinderen gaat. Hij heeft [minderjarige 2] gezien op een festival in de zomer van 2025 en toen hebben zij elkaar gesproken. De vader heeft ook geen contactgegevens van de moeder. Het traject bij iHub is gestopt omdat de moeder bij iHub heeft aangegeven dat zij niet akkoord was met het aanbod. Daarna is alles stil komen te liggen. De vader heeft de indruk dat [minderjarige 2] wel graag contact met hem wil. Het contact zou rustig kunnen worden opgestart. De vader staat open voor iedere vorm van hulpverlening om het contact met de kinderen weer te herstellen en om de communicatie met de moeder op te bouwen.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep een raadsonderzoek geadviseerd. Het is namelijk onduidelijk wat maakt dat het niet lukt om het contact tussen de vader en in ieder geval [minderjarige 2] te herstellen. Het is belangrijk dat de kinderen contact hebben met de vader. Met die insteek heeft de rechtbank ook een opbouwregeling vastgesteld. Het gaat de ouders alleen niet zelf lukken om het contact te herstellen en omgang tussen de kinderen en de vader op te bouwen. Er moet zo snel mogelijk enige vorm van contact tussen de vader en de kinderen komen. Het is daarbij van belang dat onderzoek wordt gedaan naar wat nou precies speelt bij de kinderen waarom het contact niet tot stand komt. Ook moet duidelijk worden wat nodig is aan hulpverlening (ook voor de ouders) om het contact tussen de kinderen en de vader in de toekomst mogelijk te maken. Beide ouders hebben daar als gezagsdrager verantwoordelijkheden in. Verder heeft de moeder ook een verantwoordelijkheid en plicht om de vader op de hoogte te houden van de ontwikkeling van de kinderen. De insteek van het raadsonderzoek moet zijn hoe het contact tussen de kinderen en de vader kan worden hersteld. Het is daarnaast belangrijk dat het dyslexie onderzoek voor Terhayshia kan starten, dat de vader daar toestemming voor geeft en dat de school van Terhayshia weet dat dit akkoord is gegeven.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde tijdens de zittingen in hoger beroep is gebleken dat de vader, sinds het uiteengaan van partijen in 2023, amper tot geen contact meer heeft met de kinderen. De vader kon geen contact meer krijgen met de moeder en de kinderen omdat, volgens de vader, de telefoonnummers het niet (meer) deden. De rechtbank heeft, op verzoek van de vader, een opbouwregeling vastgesteld. Deze regeling is echter niet van de grond gekomen omdat op het moment dat de vader de kinderen kwam halen, op 29 juni 2024, de kinderen weigerden met hem mee te gaan. Gelet op het ontbreken van het contact is tijdens de eerste zitting in hoger beroep, op 31 januari 2025, besproken dat wordt bekeken welk hulpverleningstraject passend is bij het opbouwen van het contact tussen de vader en de kinderen. In het kader daarvan hebben partijen in 2025 een zoomgesprek gehad waarbij [naam] van het OKT, iHub en de raad ook aanwezig waren. Tijdens dat gesprek is een plan van aanpak besproken en zijn beide ouders daarmee akkoord gegaan. De kinderen werden, voor het opstarten van het contact, op het kantoor van iHub verwacht. De moeder heeft daarover aangegeven dat de kinderen dat niet wilden. Daarna is het traject gestopt en heeft er geen terugkoppeling aan het OKT meer plaatsgevonden waardoor het contactherstel stil is komen te liggen.
5.7
Het hof is van oordeel dat het in het belang is van beide kinderen, maar zeker van [minderjarige 2] , dat het contact met de vader wordt hersteld. De vader heeft meer dan tien jaar een relatie gehad met de moeder en heeft in dat kader ook (deels) de opvoeding van [minderjarige 1] op zich genomen. Het is echter op dit moment niet duidelijk wat maakt dat de kinderen zoveel weerstand hebben tegen het contact met de vader en waarom [minderjarige 2] angstig is voor de vader. Het hof acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een definitieve beslissing over de zorgregeling te nemen. Het hof zal de raad, conform het advies, verzoeken onderzoek te doen naar op welke manier het contact tussen de vader en de kinderen kan worden hersteld en wat de kinderen, maar ook de ouders, aan hulpverlening nodig hebben om het contactherstel mogelijk te maken. Daartoe verzoekt het hof de raad de volgende vragen te beantwoorden en daarover rapport en advies uit te brengen:
1. Wat maakt dat het contactherstel tussen de kinderen en de vader niet op gang komt?
2. Welke zorgregeling is het meest in het belang van de kinderen?
3. Zijn er daarbij veiligheidsrisico’s, en zo ja, welke?
4. Welke hulpverlening is eventueel nodig om het contact tussen de kinderen en de vader te herstellen?
5. Welke andere bevindingen volgen uit het onderzoek die relevant zijn voor de te nemen beslissing ten aanzien van de zorgregeling?
5.8
Het hof zal de zaak, in afwachting van het onderzoek van de raad en de rapportage daarvan, pro forma aanhouden voor de duur van acht maanden. Het hof ziet, gelet op de reden van het onderzoek, geen aanleiding om een voorlopige zorgregeling te bepalen tussen de vader en de kinderen. Wel is, tijdens de zitting op 19 februari 2026, een stap richting mogelijk contact tussen de vader en [minderjarige 2] gezet. De moeder heeft het telefoonnummer van [minderjarige 2] aan de vader verstrekt en de vader zal [minderjarige 2] een appje sturen en proberen voorzichtig app contact met [minderjarige 2] op te bouwen.
Het hof acht het verder van belang dat e-mail adressen van de ouders worden uitgewisseld, zodat weer enig contact voor informatie uitwisseling tussen hen van de grond kan komen.
5.9
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
verzoekt de raad onderzoek te verrichten en advies uit te brengen zoals hierboven omschreven bij 5.7;
houdt de zaak, in afwachting van het onderzoeksrapport van de raad,
pro formaaan voor de duur van acht maanden, te weten tot
zondag 22 november 2026,met het verzoek aan de raad om het onderzoeksrapport vóór 22 november 2026 aan het hof te sturen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Risseeuw als griffier en is op 24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.