De zaak betreft een geschil over de zorgregeling tussen de vader en zijn twee minderjarige kinderen, waarbij de rechtbank een opbouwende zorgregeling had vastgesteld. De moeder verzet zich tegen deze regeling vanwege het ontbreken van contact tussen de kinderen en de vader sinds eind 2023, terwijl de vader het contact wil herstellen en openstaat voor hulpverlening.
In hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de zorgregeling niet van de grond is gekomen omdat de kinderen weigeren contact met de vader te hebben. De moeder en vader verschillen van mening over de oorzaak van het contactgebrek. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een raadsonderzoek om te achterhalen waarom het contact niet tot stand komt en welke hulpverlening nodig is.
Het hof acht het in het belang van de kinderen, vooral van de jongste, dat het contact wordt hersteld, maar vindt dat onvoldoende informatie beschikbaar is om een definitieve zorgregeling vast te stellen. Daarom gelast het hof een onderzoek door de raad en houdt de zaak pro forma aan tot uiterlijk 22 november 2026, waarbij ook een eerste voorzichtig contact tussen vader en jongste kind is gestimuleerd.