ECLI:NL:GHAMS:2026:807

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.358.585/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 2 EVRMArt. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 31 Verdrag van Istanbul
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging zorgregeling en vaststelling vakantieverdeling in belang minderjarige

De zaak betreft een geschil over de zorgregeling voor een minderjarige van 7 jaar tussen haar ouders. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige om de week wisselt tussen de ouders en vakanties en feestdagen gelijk verdeeld zijn. De moeder verzocht om aanvullend risicotaxatieonderzoek (MASIC) en een feitengericht kind-interview (NICHD-protocol) om de veiligheid en dynamiek tussen ouders en kind beter in kaart te brengen, wat door de rechtbank was afgewezen.

In hoger beroep handhaaft het hof de zorgregeling en wijst het verzoek om aanvullend onderzoek af, mede omdat de Raad voor de Kinderbescherming en andere betrokken instanties geen signalen van onveiligheid bij de vader hebben geconstateerd. Het hof benadrukt het belang van emotionele toestemming van de ouders en een traject bij Nicare om de communicatie en omgang te verbeteren. De moeder's verzoek om een zeer beperkte zorgregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor onveiligheid.

De vakanties en feestdagen worden conform het meer subsidiaire verzoek van de moeder vastgesteld, in overeenstemming met de afspraken tussen ouders. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, waarbij het hof benadrukt dat verdere procedures niet in het belang van de minderjarige zijn. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling en vakantieverdeling, wijst aanvullend risicotaxatieonderzoek af en compenseert proceskosten tussen partijen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.585/01
zaaknummers rechtbank: C/15/341423 / FA RK 23-3028 (omgang) en C/15/363507 / JU RK 25-423 (ondertoezichtstelling)
beschikking van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak van
[de moeder]
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. A.C. Otten te Bussum,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. D.E. Oud te Krommenie, gemeente Zaanstad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] (7 jaar). De rechtbank heeft een zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] - kort gezegd - de ene week twee nachten en de andere week vijf nachten bij de vader is en de vakanties en feestdagen bij helfte tussen de ouders zijn verdeeld. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om aanvullend onderzoek te laten uitvoeren afgewezen.
De moeder is het daarmee niet eens en wil dat er alsnog aanvullend onderzoek wordt gedaan en dat vervolgens aan de hand daarvan een zorgregeling die in het belang is van [minderjarige] wordt vastgesteld. De vader is het wel eens met de bestreden beschikking; hij verzoekt om de moeder te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 28 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 28 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 3 november 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 12 januari 2026 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 12 januari 2026 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de vader van 13 januari 2026, en
- een bericht van de zijde van de moeder van 13 januari 2026;
- een bericht van de zijde van de moeder van 23 januari 2026 (proces-verbaal zitting rechtbank van 6 mei 2025)
2.5
De zitting heeft op 21 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting in hoger beroep pleitaantekeningen overgelegd.
2.6
Het hof heeft de moeder ter zitting nog de gelegenheid gegeven om zich uit te laten over het advies van de raad aan de ouders om een traject bij Nicare te volgen. Bij bericht van 5 februari 2026 heeft zij haar reactie gegeven.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2019.
De vader en de moeder oefenen sinds 4 september 2023 gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.3
Bij beschikking van de rechtbank van 4 september 2023 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] om de week van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18.00 uur en elke woensdagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school omgang heeft met de vader. De beslissing over de definitieve zorgregeling heeft de rechtbank aangehouden.
3.4
Bij beschikking van 10 oktober 2024 heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de zorgregeling en dit onderzoek zo nodig uit te breiden met een beschermingsonderzoek.
3.5
Op 25 maart 2025 heeft de raad een rapport uitgebracht met daarin een advies over de zorgregeling en met het advies om [minderjarige] onder toezicht te stellen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] de ene week van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader en van maandag uit school tot woensdag naar school bij de moeder is. De andere week is [minderjarige] van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader en van vrijdag uit school tot woensdag naar school bij de moeder. De vakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld tussen de ouders. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om aanvullend onderzoek te laten uitvoeren afgewezen.
Principaal hoger beroep
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, een MASIC- of een vergelijkbaar risicotaxatie onderzoek te laten verrichten door een daartoe door het hof aangewezen deskundige organisatie om zicht te krijgen op de onderliggende dynamiek tussen de ouders, de actuele veiligheid van de moeder en [minderjarige] en (mogelijk) geweld en onveiligheid en de gevolgen daarvan voor de veiligheid van [minderjarige] bij beide ouders, en voor de zorgregeling van [minderjarige] tussen de ouders. De moeder verzoekt ook een feitengericht interview te laten verrichten gerelateerd aan de leeftijd van [minderjarige] , bijvoorbeeld volgens het NICHD-protocol. Op basis van de uitkomst van deze onderzoeken verzoekt de moeder een zorgregeling in het belang van [minderjarige] te bepalen.
Subsidiair verzoekt de moeder een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige] één dag in het weekend bij haar vader verblijft.
Meer subsidiair verzoekt de moeder een zorgregeling te bepalen, waarbij [minderjarige] om de week bij een van de ouders verblijft van maandag uit school tot maandagochtend naar school, waarbij de vakanties als volgt verdeeld worden:
- Herfstvakantie: week met aansluitend het weekend: oneven jaren bij de moeder en even jaren bij de vader;
- Voorjaarsvakantie: week met aansluitend het weekend: oneven jaren bij de moeder en even jaren bij de vader;
- Kerstvakantie: oneven jaren eerste week met tussenweekend bij de vader, tweede week en aansluitend weekend bij de moeder, even jaren omgekeerd;
- Meivakantie: oneven jaren eerste volle week met tussenweekend bij de vader, tweede week en aansluitend weekend bij de moeder, even jaren omgekeerd;
- Zomervakantie: oneven jaren eerste 3 weken bij de vader, laatste 3 weken bij de moeder; even jaren andersom;
- Pasen: oneven jaren bij de vader even jaren bij de moeder;
- Pinksteren: oneven jaren bij de moeder even jaren bij de vader.
4.3
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar verzoeken af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.
Incidenteel hoger beroep
4.4
De vader verzoekt de moeder te veroordelen in zijn proceskosten in hoger beroep, zijnde € 3.327,50 honorarium advocaat vermeerderd met € 349,- griffierecht, en eventuele nakosten, te voldoen binnen een week na de in deze te wijzen beschikking.
4.5
De moeder verzoekt het verzoek van de vader in incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Op grond van artikel 1:253a, tweede lid en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan (onder meer) omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De standpunten
5.2
Ten eerste vindt de moeder dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek om een aanvullend MASIC- of vergelijkbaar risico taxatie onderzoek heeft afgewezen. De raad heeft in haar onderzoek geen risicotaxatie en analyse gemaakt van het geweldspatroon tussen de ouders. De trauma’s die de moeder tijdens de relatie heeft opgelopen zijn ook niet meegewogen. Verder is geen rekening gehouden met het gevoel van onveiligheid dat de moeder in het contact met de vader ervaart. Er is door de raad slechts geconcludeerd dat er een verstoorde communicatie/verstandhouding en gebrek aan vertrouwen is tussen de ouders. Er is geen onderzoek gedaan naar de oorzaken daarvan. Het controlerend en dwingend gedrag van de vader en het negatief praten over de moeder en haar familie in het bijzijn van [minderjarige] kunnen duiden op een patroon van intieme terreur. De moeder is van mening dat deze vragen wel relevant zijn voor de vraag welke hulpverlening en interventies passend zijn voor zowel de ouders als voor [minderjarige] . Ze zijn ook relevant voor de uiteindelijke verdeling van de zorg- en opvoedtaken tussen de ouders. Een goede tool om onderzoek te kunnen doen naar deze aspecten is de MASIC-methode en het NICHD-protocol voor het feitengericht kind-interview. Deze methodes brengen de risicofactoren die een rol spelen bij het geweld in beeld.
Het is van groot belang goed te onderzoeken welke zorgregeling voor [minderjarige] de beste optie is in aansluiting op haar veiligheid en de opvoedvaardigheden van de ouders. Daarbij verwijst de moeder naar het Verdrag van Istanbul en het IVRK, die stellen dat de veiligheid en het welzijn van kinderen altijd voorop moeten staan en gewaarborgd moeten zijn, vooral in situaties waarin sprake is van conflict en mogelijk geweld. Daarnaast verwijst de moeder naar twee door het Verwey-Jonker Instituut uitgebrachte publicaties/onderzoeken waaruit volgens haar blijkt dat voor een goede ontwikkeling van kinderen de fundamentele behoeften van het kind prioriteit dienen te hebben, zoals adequate verzorging, fysieke veiligheid en een affectief klimaat.
Ten onrechte heeft de rechtbank dan ook de bestreden zorgregeling vastgelegd. De raad heeft tot uitbreiding van de zorgregeling geadviseerd zonder zicht te hebben op de opvoedsituatie bij de ouders, zonder onderzoek te doen naar passende hulpverlening voor [minderjarige] en ook zonder na te gaan welke vorm van communicatie tussen de ouders mogelijk en passend is ten behoeve van [minderjarige] .
[minderjarige] heeft in haar gesprek met de raad tijdens het raadsonderzoek aangegeven dat zij zich niet veilig voelt bij de vader, dat zij bang is om bij de vader de waarheid te vertellen, dat ze de duur van haar verblijf bij de vader conform de huidige zorgregeling te lang vindt, dat ze niet bij de vader wil slapen, maar alleen bij hem wil spelen. De moeder is van mening dat de huidige zorgregeling te intens en ingrijpend is voor [minderjarige] en niet in haar belang is. Er moet rust komen voor [minderjarige] . Er moet aan de hand van een risicotaxatie onderzocht worden welke zorgregeling in het belang is van [minderjarige] .
Mocht het hof van oordeel zijn dat een aanvullend risicotaxatie onderzoek niet nodig is om een zorgregeling in het belang van [minderjarige] te bepalen dan verzoekt de moeder een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige] een dag in het weekend bij haar vader verblijft van 9.30 uur tot 19.00 uur.
Mocht het hof van oordeel zijn dat de door de rechtbank bepaalde zorgregeling in het belang van [minderjarige] is, dan is de moeder van mening dat een regeling waarbij [minderjarige] om de week bij een ouder is van maandag uit school tot maandag naar school, meer in het belang is van [minderjarige] . De rechtbank heeft aangegeven dat de door haar bepaalde zorgregeling gelet op de leeftijd van [minderjarige] in haar belang is, waarbij het in het algemeen niet wenselijk is dat een kind langere tijd zoals een week niet bij de andere ouder is. Dat is wellicht in het algemeen zo, maar niet in het geval van [minderjarige] . Juist de wissels hebben een enorme impact op haar en daardoor heeft zij amper de mogelijkheid om bij te komen. De manier van opvoeden van de ouders verschilt enorm. Daartussen voortdurend schakelen vraagt (te) veel van [minderjarige] . Eén wisseling per week brengt [minderjarige] meer rust, aldus de moeder.
5.3
De vader verweert zich. Hij vindt dat de stelling van de moeder dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is omdat in het raadsrapport niet alle relevante aspecten zijn meegenomen, feitelijke grondslag mist. Uit het raadsrapport van 25 maart 2025 blijkt dat de raad (alle) door de moeder naar voren gebrachte punten in zijn beoordeling heeft betrokken. De standpunten en zorgen die de moeder nu opnieuw naar voren brengt, komen overeen met de aspecten die de raad zorgvuldig heeft afgewogen. Sterker nog, diverse onafhankelijke professionele instanties zijn tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van onveiligheid bij de vader of zorgwekkend gedrag van de vader. Telkens wordt geconcludeerd dat de moeder geen emotionele toestemming verleent en haar medewerking niet biedt. De moeder beschuldigt de vader al jaren van allerlei narigheid, maar levert daarvoor geen gedegen bewijs. De vader heeft de aantijgingen vanaf dag één ontkend en weersproken, en uit de verschillende rechterlijke beslissingen blijkt dat zowel de rechtbank als de betrokken instanties - waaronder het Jeugdteam en de raad - herhaaldelijk en consistent hebben vastgesteld dat geen zorgen bestaan over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. De vader vindt het rapport van de raad volledig en toereikend. Er is geen sprake van gebreken die aanvullend onderzoek rechtvaardigen.
Verder biedt de vastgelegde zorgregeling [minderjarige] structuur, duidelijkheid en voldoende contact met beide ouders. De raad en de rechtbank hebben het belang van [minderjarige] zorgvuldig afgewogen. Bovendien heeft de vader met zijn werkgever geregeld dat hij iedere week woensdag en donderdag vrij is waardoor hij op die dagen volledig voor [minderjarige] kan zorgen.
5.4
In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader de moeder te veroordelen in zijn proceskosten in hoger beroep. Hij vindt het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om de proceskosten te compenseren; de moeder heeft hem evident wederom nodeloos in rechte betrokken. De moeder is in meerdere procedures aangesproken op de weerstand die zij blijft geven maar zij gaat onverminderd door, aldus de vader.
5.5
De moeder heeft verweer gevoerd tegen de gevraagde kostenveroordeling.
Het advies van de raad
5.6
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen zodat de huidige situatie in stand blijft. Daartoe heeft de raad meegedeeld geen toegevoegde waarde te zien in een MASIC- en/of NICHD-onderzoek. Dit, omdat deze onderzoeken meer gericht zijn op situaties waarin de actuele veiligheid moet worden beoordeeld. De raad ziet op dit moment geen signalen dat de veiligheid in het geding is. De raad ziet wel dat de ouders moeite hebben met het geven van emotionele toestemming aan [minderjarige] om het goed te hebben bij de andere ouder. Daarvoor bieden de MASIC- en/of NICHD-onderzoeken echter geen soelaas. Het beeld dat [minderjarige] laat zien is passend bij een kind dat loyaliteitsproblematiek ervaart. Zij wordt daardoor gedwongen om voor één van de ouders te kiezen. Op dit moment leunt zij naar de moeder maar gaat zij ook nog naar haar vader. Als de huidige problematiek niet afneemt zal [minderjarige] hoogstwaarschijnlijk meer problemen gaan ontwikkelen. Op dit moment uit zij al een doodswens, dat is zeer zorgelijk en dit ziet de raad als een gevolg van de situatie tussen de ouders. De noodzaak om een keuze te maken tussen één van de ouders zal sterker worden naarmate [minderjarige] ouder wordt. Daarbij is niet gegarandeerd dat zij op dat moment nog steeds voor haar moeder zou kiezen, dat zou ook kunnen omdraaien naar de vader. Het is daarom van groot belang dat de ouders emotionele toestemming geven aan [minderjarige] voor haar verblijf bij de andere ouder. Ook kunnen zij leren hoe je neutraal reageert wanneer [minderjarige] zich negatief uitlaat over de andere ouder. Er hoeft dus niets te wijzigen ten aanzien van de verdeling van de zorg voor [minderjarige] op dit moment. De verandering moet plaatsvinden bij de ouders. Daarbij zouden zij hulpverlening van Nicare goed kunnen gebruiken. Nicare onderzoekt de hechtingsstijlen van ouders en hun kinderen en leert de ouders hoe je als ouder kan reageren op je kind. De ouders moeten zich daarbij richten op hun eigen aandeel in het geheel, wanneer [minderjarige] bij hen is. Doordat Nicare over een langere periode betrokken zal zijn kan Nicare goed zicht krijgen op de situatie rondom [minderjarige] . Mocht Nicare een voor [minderjarige] onveilige of anderszins zorgelijke situatie signaleren, dan zal Nicare daar gegarandeerd wat mee doen.
De raad heeft begrepen dat de moeder haar vertrouwen in het Jeugdteam heeft opgezegd. Daardoor is er op dit moment geen regie. De raad adviseert om het Jeugdteam toch opnieuw te betrekken zodat Nicare aan hen kan rapporteren en het Jeugdteam regie kan voeren. Ook zal het Jeugdteam een vertrouwenspersoon voor [minderjarige] kunnen regelen. De regie bij de huisarts leggen is onhandig omdat het een complexe situatie is waarin veel gebeurt. Indien het de draagkracht voor de hulpverlening vergroot, zouden de ouders de regie overigens ook bij de regievoerders kunnen leggen die zij tijden de Eigen Kracht Conferentie hebben aangewezen. Dat zijn de zus van de vader en een vriendin van de moeder, zo is ter zitting in hoger beroep besproken. Het leggen van de regie bij het Jeugdteam heeft wel de voorkeur, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.7
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.
De ouders zijn uit elkaar sinds medio 2023. Sindsdien wonen [minderjarige] en de moeder bij oma moederszijde. Sinds 4 september 2023 hebben de ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige] , nadat de vader een daartoe strekkend verzoek had gedaan. De moeder heeft tegen de beschikking van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Dit hof heeft de beslissing bij beschikking van 15 oktober 2024 bekrachtigd.
In het kader van het raadsonderzoek, dat heeft geleid tot het raadsrapport van 25 maart 2025 is gesproken met verschillende betrokkenen. Uit het raadsrapport komt het volgende naar voren.
De leerkrachten van [minderjarige] maken zich zorgen om haar. Ze zien dat [minderjarige] moeite heeft met de scheiding tussen haar ouders. Zij is loyaal aan hen beiden maar worstelt met het vinden van balans. Zij was voorheen vrolijk maar de laatste tijd is zij emotioneel belast waardoor zij wisselende stemmingen laat zien. Als zij niet lekker in haar vel zit wil zij niet naar school. Wanneer de moeder haar op woensdagochtend brengt zegt zij tegen haar moeder dat ze niet naar de vader wil, maar wanneer de vader haar ’s middags komt ophalen is [minderjarige] blij om hem te zien.
De speltherapeut van [minderjarige] ziet dat [minderjarige] vast zit tussen de ouders. Het is voor [minderjarige] verwarrend dat zij twee liefdevolle ouders heeft die elkaar afwijzen. Hierdoor bestaat de kans dat [minderjarige] denkt dat zij door haar beide ouders wordt afgewezen. Gezien wordt dat [minderjarige] minder durft te vertrouwen op anderen en wisselend wel en niet verzorgd wil worden. [minderjarige] heeft een aantal mechanismes aangeleerd om zichzelf tegen deze pijnlijke gevoelens te beschermen. Ook heeft [minderjarige] een keer gezegd dat zij liever bij haar moeder wilde wonen. Bij navraag bleek dit voort te komen uit haar wens om de spanning rondom de omgang te verminderen, aldus de speltherapeute in het raadsrapport. Begin 2025 was het advies van de speltherapeut aan de ouders dat zij moeten stoppen met hun onderlinge strijd. Beide ouders is meegegeven hoe zij op [minderjarige] kunnen reageren wanneer het over de andere ouder gaat. [minderjarige] heeft nog steeds hulp nodig om anderen te leren vertrouwen en kan speltherapie nog steeds goed gebruiken, aldus de speltherapeut in het raadsrapport. Inmiddels is de speltherapie van [minderjarige] afgesloten, zo blijkt uit de stukken in hoger beroep. Ter zitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de huisarts voornemens is om [minderjarige] door te verwijzen naar een kinderpsycholoog zodat zij een vertrouwenspersoon heeft om mee te praten.
Uit het raadsrapport blijkt verder dat het Jeugdteam in het gezin is gestart nadat de rechtbank de ouders had geadviseerd om het SCHIP-traject te volgen. Dit traject is echter nooit van de grond gekomen doordat de moeder zei dat dit niet te combineren was met haar EMDR-traject. Bij navraag bij de behandelaar bleek deze niet te hebben gezegd dat de traumabehandeling van de moeder een contra-indicatie is voor het SCHIP-traject. Bij beide ouders heeft het Jeugdteam observaties gedaan, daarbij zijn geen zorgen gezien. Het Jeugdteam maakt zich echter wel grote zorgen omdat zij geen verbetering zien in de verstandhouding tussen de ouders en hun communicatie. Beide ouders geven geen emotionele toestemming aan [minderjarige] om te genieten van het contact met de andere ouder. De ouders blijven strijden over [minderjarige] terwijl dat ten koste van haar gaat. Verder ziet het Jeugdteam dat dringend duidelijkheid over de omgang nodig is voor [minderjarige] .
Actief & Advies zegt in het raadsrapport dat op dit moment een bemiddelingstraject niet passend is omdat de moeder niet openstaat voor gezamenlijke gesprekken met de vader. De moeder heeft aan Actief & Advies verteld dat zij zorgen heeft. Zij wil de aard van deze zorgen echter niet met de hulpverlener delen omdat deze eventuele zorgen in het kader van transparantie ook met de vader en de verwijzer besproken zullen worden. Dit leidt tot een impasse, aldus Actief & Advies.
De raad heeft ook met de therapeut van de moeder gesproken. De moeder is sinds december 2023 onder behandeling van een verpleegkundig specialist GGZ. De therapeut heeft verteld dat bij de moeder sprake is van een posttraumatische stressstoornis. Daarnaast heeft zij afhankelijke persoonlijkheidstrekken. Er is gestart met EMDR-therapie maar dit wordt bemoeilijkt door de stress die de moeder tot op heden ervaart rondom de zorgregeling en het contact dat zij met de vader moet onderhouden. De langdurige onzekerheden rondom de juridische procedures trekken een wissel op de belastbaarheid van de moeder. Het huidige spannings- en angstniveau van de moeder staan in de weg aan traumatherapie. Voor een succesvolle behandeling is nodig dat de angsten van de moeder gehoord worden en dat daar rekening mee wordt gehouden. Zodra er een duidelijke situatie ontstaat met betrekking tot de zorgregeling van [minderjarige] zal de moeder beter in staat zijn de therapiedoelen te verwezenlijken, aldus de therapeut in het raadsrapport.
De raad concludeert in het rapport dat [minderjarige] belang heeft bij contact met beide ouders in de vorm van een gelijke zorgverdeling.
Uit de verdere stukken die in hoger beroep zijn overgelegd blijkt dat de hulpverlening van het Jeugdteam eind november 2025 is afgesloten nadat de moeder een gebrek aan vertrouwen heeft uitgesproken. Hierna is een Eigen Kracht Conferentie opgezet, waaruit een plan is gekomen, dat is geëvalueerd door de ouders. Verder is in november 2025 de hulpverlening van Bureau Mars afgesloten. Daarbij is opnieuw opgemerkt dat [minderjarige] verschillende versies van zichzelf laat zien aan ieder van de ouders.
5.8
Uit de door de vader ter zitting uitgesproken bereidheid en uit het bericht van de zijde van de moeder van 5 februari 2026 blijkt dat beide ouders instemmen met het door de raad geadviseerde traject bij Nicare voor [minderjarige] en de ouders.
Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat de ouders zich bij Nicare zullen aanmelden. Mocht, zoals de moeder schrijft, aanmelding via de raad nodig zijn, dan gaat het hof ervan uit dat de raad zijn medewerking daaraan zal geven. Het is verder aan ouders om te bepalen of de verdere regie van het traject bij het Jeugdteam zal liggen, zoals de raad adviseert, of bij de regievoerders die zij tijdens de Eigen Kracht Conferentie hebben aangewezen. Mochten zij daarover geen overeenstemming hebben, dan beslist het hof hierbij dat het Jeugdteam de aangewezen instantie is.
5.9
Het hof overweegt verder als volgt.
De moeder heeft verzocht om aanvullend onderzoek in de vorm van MASIC of een vergelijkbaar risicotaxatie onderzoek. Daarnaast verzoekt zij een feitengericht interview te laten verrichten, passend bij de leeftijd van [minderjarige] , bijvoorbeeld volgens het NICHD protocol. Het hof volgt de moeder daarin niet. Voorrang dient te worden gegeven aan het Nicare traject nu beide ouders hiermee instemmen.
Daarbij komt dat moet worden betwijfeld of een MASIC drie jaren na het uiteengaan van partijen nog zinvol is nu de moeder niet heeft aangegeven dat de door haar tijdens de relatie ervaren ernstige onveiligheid nog voortduurt. Het hof begrijpt van de moeder dat zij nog steeds dwingend en controlerend verbaal gedrag van de vader richting haar ervaart als het over aangelegenheden betreffende [minderjarige] gaat (zoals bijvoorbeeld de keuze voor een sport of voor een tandarts en huisarts), maar niet is gebleken dat daarmee haar veiligheid of die van [minderjarige] in gevaar komt. Voor wat betreft de communicatie tussen partijen verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen door het hof nog geen anderhalf jaar geleden is overwogen (rechtsoverweging 5.9) in zijn beschikking van 15 oktober 2024:
‘Het hof is echter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de communicatie tussen de ouders zo slecht is dat essentiële beslissingen over [minderjarige] niet of niet naar behoren genomen kunnen worden. Het hof neemt in aanmerking dat de ouders soms van visie verschillen over de behoeftes van [minderjarige] , maar naar het oordeel van het hof probeert de vader, anders dan de moeder heeft betoogd, met ondersteuning van het Jeugdteam op een reële manier beslissingen te nemen ten aanzien van [minderjarige] die in haar belang zijn. Het hof is gebleken dat [minderjarige] last heeft van de verstoorde verstandhouding en gebrekkige communicatie tussen de ouders. Het hof benadrukt dat het daarom in het belang van [minderjarige] is dat de ouders zich tot het uiterste ervoor zullen (blijven) inspannen om hun onderlinge verstandhouding en communicatie te verbeteren en dat zij hierin ook hun verantwoordelijkheid nemen. De moeder heeft moeite om met de vader in gesprek te gaan, maar dat leidt er niet toe dat geen contact tussen de ouders kan plaatsvinden. Het Jeugdteam en de raad zien hierin geen belemmering en achten de ouders in staat om hun onderlinge communicatie in het belang van [minderjarige] te verbeteren. De ouders blijven als ouders van [minderjarige] ook in de toekomst aan elkaar verbonden en moeten daarom met elkaar blijven communiceren. Het hof acht het van belang dat niet alleen de moeder maar ook de vader een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] heeft waarbij hij betrokken wordt bij en zeggenschap heeft over belangrijke beslissingen over haar en moeten daarom met elkaar blijven communiceren. Het hof acht het van belang dat niet alleen de moeder maar ook de vader een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] heeft waarbij hij betrokken wordt bij en zeggenschap heeft over belangrijke beslissingen over haar’
Ook de raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd dat een MASIC-onderzoek in deze zaak niet passend is omdat er geen signalen zijn dat de veiligheid van één van de ouders of die van [minderjarige] op dit moment in het geding is.
5.1
Voor een NICHD-onderzoek ziet het hof evenmin aanleiding. Er zijn namelijk geen door derden geconstateerde zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader, terwijl er veel derden betrokken zijn (geweest) bij [minderjarige] die dit (hadden) kunnen opmerken. Zo heeft er begin 2025 een raadsonderzoek plaatsgevonden waarvoor de raad onder andere contact heeft gehad met de leerkrachten van [minderjarige] , de speltherapeut van [minderjarige] , het Jeugdteam, de huisarts en Actief & Advies. Geen van hen zegt onveiligheid van [minderjarige] bij de vader te hebben waargenomen. Het Jeugdteam heeft zelfs gezegd dat bij beide ouders thuis geen zorgen zijn gezien en dat het contact tussen [minderjarige] en haar ouders er goed uitziet. Recent, op 12 januari 2026 heeft de huisarts met [minderjarige] gesproken. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de huisarts de moeder aangegeven dat hij voornemens is om [minderjarige] te verwijzen naar een kinderpsycholoog. Hieruit leidt het hof af dat de huisarts dus geen zorgen heeft over de fysieke veiligheid van [minderjarige] zelf. Een doorverwijzing naar een kinderpsycholoog is in lijn met de zorgen van andere bij [minderjarige] betrokken instanties, die allemaal dezelfde zorgen uiten. De eensluidende zorgen over [minderjarige] zijn dat men ziet dat [minderjarige] lijdt onder de dynamiek tussen de ouders. Daarbij heeft de raad ter zitting in hoger beroep geadviseerd dat een NICHD-onderzoek op dit moment geen waarde toevoegt maar wanneer er tijdens de betrokkenheid van Nicare onveiligheid van [minderjarige] naar voren mocht komen, het NICHD-onderzoek alsnog door Nicare ingezet zou kunnen worden. In ieder geval zullen de hulpverleners van Nicare alert zijn op de veiligheid van [minderjarige] , aldus de raad ter zitting in hoger beroep.
Het door de moeder gedane beroep op de artikelen 2, 3 en 8 EVRM en 31 en 51 van het Verdrag van Istanbul stuit af op het vooroverwogene.
5.11
Aangezien het hof geen concrete aanwijzingen ziet voor de door de moeder gesignaleerde of gevreesde onveiligheid voor [minderjarige] , bestaat geen aanleiding voor het vaststellen van een zeer beperkte zorgregeling van één weekenddag per week, zoals de moeder verzoekt.
5.12
Meer subsidiair verzoekt de moeder om de zorg voor [minderjarige] zo te verdelen dat zij de ene week van maandagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de ene ouder verblijft en de andere week bij de andere ouder. Dit verzoekt de moeder zodat er voor [minderjarige] minder wisselingen zijn, in de huidige regeling heeft [minderjarige] volgens de moeder namelijk geen tijd om bij te komen van het grote verschil in opvoeding tussen de ouders.
Het hof acht de huidige zorgregeling niet in strijd met de belangen van [minderjarige] . Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt weliswaar dat [minderjarige] moeite heeft met de verschillen tussen de ouders en de verschillende opvoedbeslissingen die zij in de zorg voor haar maken. Desondanks heeft de raad in zijn advies opengelaten op welke manier de zorg tussen de ouders gelijk moet worden verdeeld. Het hof zal de door de rechtbank bepaalde zorgregeling in stand laten. Onvoldoende is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich verzet tegen de huidige zorgregeling. Uit het raadsadvies begrijpt het hof dat minder wisselingen en een langer aaneengesloten verblijf bij één van de ouders niet per se maakt dat [minderjarige] hierdoor minder last zal hebben van de verschillende opvattingen en opvoedstijlen van de beide ouders.
Daarnaast heeft de vader toegelicht dat zijn werkzaamheden zich verzetten tegen toewijzing van het verzoek van de moeder. Hij is werkzaam bij de Wegenwacht en hij heeft het met zijn werk zo kunnen regelen dat hij iedere week woensdag en donderdag vrij is.
Het hof is van oordeel dat het belang van de vader en [minderjarige] dat hun omgangsmomenten door de vader zelf kunnen worden ingevuld, zwaarder weegt dan het belang dat [minderjarige] volgens de moeder heeft bij minder wisselingen tussen de ouders.
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling bekrachtigen.
5.13
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader zich akkoord verklaard met de door de moeder meer subsidiair verzochte verdeling van de vakanties en feestdagen. Bovendien is het meer subsidiaire verzoek van de moeder ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen in overeenstemming met wat de ouders ten aanzien daarvan zijn overeengekomen bij Bureau Mars. Nu het belang van [minderjarige] zich daartegen niet verzet, zal het hof dienovereenkomstig beslissen.
5.14
De vader heeft verzocht om de moeder in de kosten van de procedure in hoger beroep te veroordelen omdat hij vindt dat de moeder hem nodeloos in deze hoger beroepsprocedure heeft betrokken. Het hof volgt de vader daarin niet. In de bestreden beschikking is een einde gekomen aan een langlopende procedure die bij de rechtbank in 2023 is gestart. In het kader van de procedure heeft onder andere een raadsonderzoek plaatsgevonden, waarvan de bevindingen zijn meegenomen in de bestreden beschikking. Niet kan worden gezegd dat de moeder haar recht om de beslissing van de rechtbank, waarmee zij het niet eens was, nog eens voor te leggen aan het hof heeft misbruikt of dat zij de vader nodeloos in rechte heeft betrokken. Bovendien zijn partijen gewezen levenspartners en samen de ouders van [minderjarige] . Daarbij pas in beginsel dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Het hof geeft partijen wel mee dat het verder voeren van procedures niet in het belang van [minderjarige] is. Partijen dienen – tezamen en ieder voor zich – in het belang van [minderjarige] te profiteren van de in te zetten hulpverlening.
5.15
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
stelt de verdeling van de vakanties en feestdagen als volgt vast:
[minderjarige] verblijft tijdens:
- de Herfstvakantie: week met aansluitend het weekend: oneven jaren bij de moeder en even jaren bij de vader;
- de Voorjaarsvakantie: week met aansluitend het weekend: oneven jaren bij de moeder en even jaren bij de vader;
- de Kerstvakantie: oneven jaren eerste week met tussenweekend bij de vader, tweede week en aansluitend weekend bij de moeder, even jaren omgekeerd;
- de Meivakantie: oneven jaren eerste volle week met tussenweekend bij de vader, tweede week en aansluitend weekend bij de moeder, even jaren omgekeerd;
- de Zomervakantie: oneven jaren eerste 3 weken bij de vader, laatste 3 weken bij de moeder; even jaren andersom;
- Pasen: oneven jaren bij de vader, even jaren bij de moeder;
- Pinksteren: oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, mr. A.N. van de Beek en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.