ECLI:NL:GHAMS:2026:806

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.361.482/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BWArtikel 8 EVRMArtikel 7 IVRKArtikel 16 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging uithuisplaatsing en uitbreiding onderzoek terugplaatsing kinderen

De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] (11 jaar) en [minderjarige 2] (9 jaar), die sinds 2022 onder toezicht staan en verblijven bij hun pleeggrootouders. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor zeven maanden, stellende dat haar situatie aanzienlijk is verbeterd en dat terugplaatsing mogelijk moet worden onderzocht.

De gecertificeerde instelling (GI) en pleeggrootouders verzetten zich tegen het verzoek van de moeder en benadrukken de noodzaak van continuïteit en stabiliteit voor de kinderen, gezien hun complexe zorgbehoeften en traumatische ervaringen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert het hof om de verlenging te bekrachtigen, maar ook het onderzoek uit te breiden met een terugplaatsingsonderzoek.

Het hof overweegt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijft en dat het TNHO dient te worden uitgebreid met een onderzoek naar terugplaatsing bij de moeder. De verlenging van zeven maanden wordt bekrachtigd, waarbij het onderzoek de zorgen over de moeder en de belangen van de kinderen zorgvuldig moet meenemen. De uitkomst van het onderzoek zal bepalend zijn voor het toekomstige perspectief van de kinderen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en beveelt uitbreiding van het onderzoek naar terugplaatsing bij de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.482/01
zaaknummer rechtbank: C/15/367874 / JU RK 25-1032
beschikking van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. R. Pothast te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
- [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [plaats B] ,
- [pleeggrootouders] , hierna te noemen: de pleeggrootouders wonende te [plaats C] , bijgestaan door mr. M. Kramer, advocaat te Haarlem.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (11 jaar) en [minderjarige 2] (9 jaar) (hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen). De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 14 november 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 21 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter).
2.2
De GI heeft op 19 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Daarnaast heeft het hof de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de pleeggrootouders van 15 januari 2026, met een bijlage;
- een e-mailbericht van de zijde van de vader van 21 januari 2026, met bijlage (brief);
- een brief van de zijde van de moeder van 23 januari 2026 met bijlagen.
2.3
De voorzitter heeft op 27 januari 2026 met beide kinderen gesproken, in het bijzijn van de griffier. De inhoud van deze gesprekken heeft de voorzitter kort samengevat meegedeeld ter zitting.
2.4
De zitting heeft op 28 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- een vertegenwoordiger van de GI,
- de pleeggrootouders, bijgestaan door hun advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door N. Hoogervorst.
De vader en zijn echtgenote [naam] zijn, met bericht van afmelding, niet ter zitting verschenen.
De advocaat van de pleeggrootouders heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders) hebben een relatie gehad en zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , [in] 2014 in [plaats A] en
- [minderjarige 2] , [in] 2016 in [plaats A] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
3.2
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een perspectief biedend pleeggezin, te weten bij de pleeggrootouders, die de ouders van de vader zijn.
3.3
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 november 2022 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is vervolgens telkens verlengd, voor het laatst in de zoverre niet bestreden beschikking van 21 oktober 2025 tot 11 november 2026.
3.4
De kinderrechter heeft bij beschikking van 2 december 2022 een machtiging verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtiging is vervolgens telkens verlengd, voor het laatst in de bestreden beschikking tot 11 juni 2026.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zeven maanden verlengd, te weten tot 11 juni 2026, waarbij de beslissing op het overige gedeelte van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden. De GI had verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van 12 maanden.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en na aanvulling van haar verweer ter zitting, dat
1) Het perspectiefbesluit wordt heroverwogen.
2) Er een onafhankelijk onderzoek wordt gelast naar de mogelijkheid van een terugplaatsing bij de moeder, bij voorkeur uitgevoerd door de raad.
3) Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen alsnog wordt afgewezen dan wel dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor de duur van 3-6 maanden en niet voor de duur van 7 maanden, zoals de kinderrechter heeft bepaald.
4.3
De GI verzoekt het hoger beroep van moeder ongegrond te verklaren, het perspectiefbesluit te handhaven, geen onafhankelijk onderzoek naar terugplaatsing te gelasten en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, conform de beschikking van de kinderrechter, te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.
De standpunten
5.2
Volgens de moeder heeft de kinderrechter ten onrechte geoordeeld dat het perspectiefbesluit niet wordt heroverwogen en dat er geen onafhankelijk onderzoek hoeft te komen naar een eventuele terugplaatsing bij de moeder. Daarom heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ten onrechte verlengd voor de duur van 7 maanden. Er zijn geen gronden meer die de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing rechtvaardigen. De reden die destijds tot de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen heeft geleid, namelijk dat de moeder vanwege haar verslavingsproblematiek en geestelijke gezondheid niet in staat is om voor de kinderen te zorgen, is niet langer aan de orde. Het gaat nu goed met de moeder. Zij is op dit moment al twee jaar middelenvrij en haar psychische gesteldheid is goed en stabiel. Ook heeft de moeder de opvoedondersteuning positief afgerond; haar opvoedkwaliteiten zijn goed. De moeder heeft bovendien ook alle praktische zaken op orde. Zij heeft een eigen woning, met voor beide kinderen een eigen slaapkamer. De woning van de moeder en die van de pleegouders bevinden zich dichtbij elkaar. De kinderen hoeven dan niet te veranderen van omgeving en kunnen op dezelfde school blijven met dezelfde vriendjes en vriendinnetjes. Tevens heeft de moeder een inkomen en is het bewind beëindigd. De moeder heeft haar zaken dus ook financieel op orde. De moeder staat verder altijd open voor contact tussen de kinderen en de vader, de pleeggrootouders en de andere grootouders. De moeder heeft daaraan nooit in de weg gestaan en en zal daaraan ook nooit in de weg staan. Tot slot geven de kinderen structureel aan dat zij graag bij de moeder willen wonen. Zowel de kinderen als de moeder hebben het recht om in familieverband met elkaar samen te leven en samen een gezin te vormen. Dat recht wordt beschermd door artikel 8 EVRM Pro en door de artikelen 7 en 16 IVRK, aldus de moeder.
5.3
De GI stelt dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen terecht heeft verlengd voor de duur van 7 maanden. Een regulier TNHO (Terug Naar Huis Onderzoek) beslaat 6 tot 9 maanden en met een uitbreiding naar een perspectiefonderzoek 9 tot 12 maanden. Verkorting van de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing naar 3 tot 6 maanden, zoals door de moeder (subsidiair) verzocht, zou leiden tot hernieuwde onzekerheid en onvoldoende tijd voor afronding van trajecten. De GI erkent de positieve lijn die door de moeder is ingezet, maar benadrukt dat het perspectiefbesluit niet alleen gebaseerd is op abstinentie en praktische stabiliteit. Naast de eerdere zorgen over persoonlijke problematiek en middelengebruik zijn er andere zorgen die verder in kaart gebracht moeten worden. Zo is de moeder financieel niet stabiel en heeft zij een voortdurend wisselend netwerk. In de afgelopen periode is de omgang uitgebreid. De GI hoopt door het TNHO meer inzicht te krijgen in de opvoedbehoefte van de kinderen en de opvoedcapaciteiten, de draagkracht en het huidige persoonlijk functioneren van de moeder. De GI hoopt voorts dat dan een gedragen besluit genomen kan worden over de omgang tussen de moeder en de kinderen en dat dan ook meer rust kan ontstaan. De GI acht een TNHO van de raad gericht op terugplaatsing bij de moeder dan ook niet in het belang van de kinderen. Wanneer duidelijk is hoe de omgang eruit moet komen te zien, is het van belang dat opnieuw hulp wordt ingezet die erop gericht is om de samenwerking tussen de moeder en de pleeggrootouders te verbeteren, zodat de kinderen niet klem komen te zitten tussen de ouders en de pleeggrootouders, aldus de GI.
5.4
De pleegrootouders zijn van mening dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. De kinderen wonen inmiddels drieënhalf jaar bij hen. Zij zijn veilig aan hen gehecht en vertrouwen hen volledig. Naast stabiliteit, regelmaat en rust hebben zij vanwege hun belaste verleden traumasensitieve en beschikbare opvoeders nodig. Met ondersteuning van de pleegzorg en het volgen van diverse trainingen en cursussen hebben de pleeggrootouders zich traumasensitieve opvoeding eigen gemaakt. Dit hebben de ouders de kinderen niet kunnen bieden. Daarnaast hebben de pleeggrootouders systeemtherapie gevolgd en afgerond – hoewel de moeder hiermee al was gestopt na een escalatie – om de communicatie met de moeder te verbeteren. Zij willen leren om de situatie vanuit het perspectief van de moeder te zien zodat zij daarop beter kunnen aansluiten. Verder zorgen de pleegouders er ook voor dat de kinderen de benodigde hulp krijgen en therapie kunnen volgen die ze nodig hebben. Tot slot hebben de kinderen duidelijkheid nodig. Zij zijn bekend met het opvoedperspectief. Het is dan ook van belang dat met dit hoger beroep duidelijkheid komt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat de huidige stabiele situatie wordt bestendigd, aldus de pleeggrootouders.
5.5
De vader heeft door middel van een brief kenbaar gemaakt dat hij en zijn echtgenote het standpunt van de GI en de pleeggrootouders onderschrijven. De vader staat achter het perspectiefbesluit.
Het advies van de raad
5.6
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te bekrachtigen. Dit is noodzakelijk in het belang van de kinderen. De wens van de moeder tot terugplaatsing van de kinderen bij haar is invoelbaar. De strijd van de moeder om dat te bereiken geeft aan de ene kant onrust en is verwarrend voor de kinderen, aan de andere kant is het ook mooi dat de moeder zo hard haar best doet voor de kinderen. Dat realiseren zij zich ook. De raad merkt overigens op dat alle betrokkenen zich erg inzetten voor de kinderen en ook de samenwerking tussen de moeder en de pleeggrootouders loopt beter. Dat is fijn om te zien. Parlan is gestart met een TNHO dat enkel gericht is op een eventuele uitbreiding van de omgang tussen de moeder en de kinderen. De raad is echter van mening dat het onderzoek moet worden uitgebreid met een onderzoek naar de mogelijkheid van terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Het gaat thans al twee jaar goed met de moeder en de kinderen willen bij haar wonen. De raad is zich bewust van het feit dat er nog onzekerheden zijn in het leven van de moeder, zoals haar netwerk, relationele- en eventuele financiële problemen, maar deze zullen alle worden meegenomen in het onderzoek. Er dient aldus een gedegen onderzoek te komen naar wat in het belang is van de kinderen. Dit zal echter niet uitgevoerd worden door de raad, zoals door de moeder verzocht, maar door Parlan aangezien de raad hiertoe niet de geëigende partij is, aldus de raad.
Mening van de kinderen
5.7
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben beiden tijdens het kindgesprek met de voorzitter verklaard dat zij graag weer bij de moeder willen wonen.
De beoordeling door het hof
5.8
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en op de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De kinderen zijn al vanaf jonge leeftijd geconfronteerd met de echtscheidingsproblematiek en de psychische problematiek van de ouders. De ouders waren door persoonlijke en onderlinge problematiek onvoldoende beschikbaar voor de kinderen en niet in staat om de volledige zorg voor hen te dragen. Dit bracht een onrustige en onveilige thuissituatie mee. Na het uiteengaan van de ouders in 2020, verbleven de kinderen bij de moeder. Bij de vader konden de kinderen niet verblijven, omdat hij kampt met een angststoornis en minimaal beschikbaar is als opvoeder in verband met een zeer lage draagkracht. Door de psychiatrische – en verslavingsproblematiek van de moeder verbleven de kinderen al meerdere keren voor langere tijd bij de pleeggrootouders voordat zij op 11 september 2022 na het uitspreken van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerkpleeggezin, ook formeel bij de pleeggrootouders geplaatst werden.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben sinds hun uithuisplaatsing een stabiele opvoedsituatie bij de pleeggrootouders. In oktober 2023 heeft de GI besloten dat het opvoedperspectief van de kinderen bij de pleeggrootouders is (hierna: het perspectiefbesluit). Aan dit besluit heeft de GI ten grondslag gelegd dat de pleeggrootouders in staat worden geacht de kinderen de noodzakelijke continuïteit, veiligheid en stabiliteit te bieden die zij, gelet op hun voorgeschiedenis en ontwikkelingsbehoeften, nodig hebben. De GI heeft daarbij geoordeeld dat de problematiek van de moeder als chronisch moest worden aangemerkt en dat onvoldoende zekerheid bestond dat zij duurzaam stabiel kon functioneren en de zorg voor de kinderen, al dan niet in de vorm van een co-ouderschap, zou kunnen dragen. In het belang van de ontwikkeling van de kinderen achtte de GI het van belang dat zij weten waar zij zullen opgroeien en van daaruit met beide ouders positief contact kunnen onderhouden. De GI concludeerde dan ook dat er onvoldoende basis was voor een TNHO. De rechtbank heeft in een beschikking van 5 februari 2024 het perspectiefbesluit van de GI onderschreven en de GI in haar standpunt gevolgd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijkheid nodig hebben over hun opvoedperspectief. De rechtbank oordeelde vervolgens dat het opvoedperspectief niet bij de moeder ligt, ook niet in een vorm van co-ouderschap met de pleeggrootouders. Later heeft de GI– omdat de moeder positieve ontwikkelingen doormaakte en zowel de moeder als de kinderen de wens hadden om te laten onderzoeken of de kinderen weer bij de moeder konden wonen, en er niet eerder een TNHO was ingezet - alsnog een TNHO aangevraagd om te onderzoeken in welke mate de kinderen bij de moeder kunnen verblijven. In eerste instantie was dit onderzoek ook gericht op terugplaatsing bij de moeder, maar ter zitting van 21 oktober 2025 heeft de GI, nadat de kinderrechter had aangegeven dat het opvoedbesluit niet ter discussie zal worden gesteld, het kader van het TNHO gewijzigd in die zin dat niet onderzocht zal worden of de kinderen bij de moeder kunnen wonen, maar – ervan uitgaande dat de kinderen bij de pleeggrootouders zullen opgroeien – dat onderzocht zal worden hoe de omgang met de moeder invulling kan krijgen.
Hoewel het nu goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de gebeurtenissen uit het verleden nog altijd een grote impact op hen. Zij hebben in hun jonge levens veel meegemaakt en hebben daardoor trauma’s opgelopen. Het verwerken van die trauma’s vraagt veel van de kinderen en zij hebben daardoor een meer dan gemiddelde zorg- en opvoedbehoefte. Voor [minderjarige 1] is creatieve therapie ingezet voor haar paniekaanvallen. Deze therapie heeft zij recent succesvol afgerond. [minderjarige 2] is nu bezig met psychomotorische therapie (PMT) ter ondersteuning van zijn emotieregulatie. In het verleden hebben de kinderen de Rots en Water training gevolgd en heeft [minderjarige 2] succesvol deelgenomen aan de Piep de Muis-groep (KOPP-cursus) en de Kopp/Kov-groep voor ondersteuning bij het omgaan met de kwetsbaarheden van de ouders.
5.9
Uit de stukken en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is evenwel gebleken dat de moeder in de periode na het perspectiefbesluit aanzienlijke stappen heeft gezet in haar persoonlijke herstel. De moeder heeft een lange behandelgeschiedenis binnen de GGZ, onder meer bij GGZ Noord-Holland-Noord en Brijder, waarbij in het verleden diagnoses zijn gesteld als borderline persoonlijkheidsstoornis, ADHD, PTSS en middelenmisbruik. In 2021 werd een bipolaire II-stoornis overwogen, welke diagnose uiteindelijk is verworpen. Ook kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis zijn recentelijk niet meer bevestigd.
De moeder is inmiddels ruim twee jaar abstinent van middelengebruik. Haar PTSS-klachten zijn behandeld door middel van EMDR-therapie, wat heeft geleid tot duidelijke afname van herbelevingen, hyperalertheid en vermijdingsgedrag. De samenwerking van de moeder met de GGZ wordt door hulpverleners als positief en betrokken omschreven. De moeder toont inzicht in haar problematiek, reflecteert op haar gedrag en werkt actief aan persoonlijke groei. Ook na afronding van de traumabehandeling is zij betrokken bij nazorg en herstelgerichte daginvulling. In maart 2025 is bij afronding van de behandeling het volgende psychiatrische beeld vastgesteld: ADHD van het gecombineerde type, in remissie zijnde stoornis in cannabisgebruik en een ouder-kindrelatieprobleem.
5.1
Het hof stelt voorts vast dat de kinderen inmiddels geregeld bij de moeder verblijven, te weten wekelijks van donderdag op vrijdag en eenmaal per drie weken van donderdag tot en met zondag. Deze contacten verlopen goed. De kinderen voelen zich veilig en thuis bij de moeder en hebben meermalen de wens geuit om weer bij haar te wonen.
Gelet op de hiervoor geschetste ontwikkelingen is het hof van oordeel dat het TNHO dient te worden uitgebreid met een onderzoek naar de mogelijkheid tot terugplaatsing van de kinderen bij de moeder, zoals door de moeder verzocht, en zoals de raad heeft geadviseerd. Dat is in overeenstemming met de positieve verplichting die op de overheid rust om maatregelen te treffen die de hereniging van ouder en kinderen bevorderen..
Het hof onderkent de door de GI en de pleeggrootouders geuite zorgen met betrekking tot een perspectiefonderzoek, waaronder de vraag of de moeder haar nog prille positieve ontwikkeling kan bestendigen, of zij kan voldoen aan de complexe zorg- en opvoedbehoefte van de kinderen, de vrees voor een terugval van de moeder en de zorgen om haar netwerk en haar financiële situatie. Deze zorgen dienen te worden meegenomen in het TNHO. Dat geldt ook voor het meewegen van de omstandigheid dat de kinderen inmiddels al geruime tijd bij hun pleeg(groot)ouders wonen, en door hen worden verzorgd en opgevoed en het mogelijke belang van de kinderen dat deze situatie niet meer wordt gewijzigd. Het hof is zich eveneens ervan bewust dat het uitgebreide Terug Naar Huis onderzoek meer van alle betrokkenen zal vragen en langer onzekerheid met zich mee zal brengen, maar genoemde positieve verplichting dient onder de gegeven omstandigheden het zwaarst te wegen.
5.11
Het hof is van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beslissing noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen, en dat dat ook nu nog het geval is. Verder is de machtiging noodzakelijk om het uitgebreide TNHO te doen plaatsvinden. Verlenging is in elk geval noodzakelijk tot 11 juni 2026, zoals de rechtbank heeft beslist. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat een dergelijk onderzoek doorgaans 9 tot 12 maanden in beslag neemt en dus niet binnen de verlengingstermijn zal zijn afgerond. Gelet hierop ziet het hof dan ook geen aanleiding om de verlengde maatregel in duur te bekorten, zoals door de moeder is verzocht. Het hof zal dit verzoek van de moeder dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.12
Ten overvloede overweegt het hof dat het uitbreiden van het TNHO met een onderzoek, naar de mogelijkheden tot terugplaatsing niet automatisch betekent dat het opvoedperspectief van de kinderen per heden reeds is gewijzigd en dat er nu al van moet worden uitgegaan dat de kinderen weer bij de moeder worden geplaatst. De uitkomsten van het onderzoek zullen daartoe van belang zijn. Het hof spreekt de hoop uit dat de moeder de ingezette positieve lijn weet voort te zetten en dat zij, ongeacht de uitkomst van het onderzoek, in het belang van de kinderen de samenwerking met de GI en de pleeggrootouders zal blijven aangaan.
5.13
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A.N. van de Beek en mr. M.C. Braak, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.