ECLI:NL:GHAMS:2026:805

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
23-001756-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 9a SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen opzetheling gestolen bromfiets

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 24 maart 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam van 25 juni 2025. De verdachte werd beschuldigd van medeplegen van opzetheling van een gestolen bromfiets. De verdachte was vrijgesproken van een andere tenlastelegging, maar het hoger beroep betrof de zaak met parketnummer 13-119325-25.

Uit het bewijs, waaronder camerabeelden met geluid en aangifte, bleek dat de verdachte samen met een medeverdachte handelingen verrichtte aan de bromfiets die kort daarvoor was gestolen. Het hof concludeerde dat de verdachte wist dat de bromfiets gestolen was en deze voorhanden had. De verdediging voerde aan dat de verdachte de bromfiets niet voorhanden had en geen nauwe samenwerking bestond, maar het hof verwierp deze verweren als niet aannemelijk.

De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van opzetheling. Gezien de ernst van het feit, het strafblad van de verdachte en zijn jeugdige leeftijd, legde het hof een taakstraf van 60 uur op in plaats van de eerder opgelegde gevangenisstraf van twee weken. De vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke werkstraf uit een andere zaak werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur voor medeplegen van opzetheling van een gestolen bromfiets.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001756-25
datum uitspraak: 24 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2025 in de gevoegde strafzaken onder parketnummers 13-094960-25 en 13-119325-25, alsmede 13-040014-22 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
adres: thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft beperkt hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Hij is bij het vonnis vrijgesproken van hetgeen hem in de zaak met parketnummer 13-094960-25 is tenlastegelegd. De verdachte heeft het hoger beroep beperkt tot de veroordeling in het vonnis voor hetgeen hem in de zaak met parketnummer 13-119325-25 is tenlastegelegd en – zo begrijpt het hof – de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan het oordeel van het hof onderworpen, in de zaak met parketnummer 13-119325-25 tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 14 april 2025 te Amsterdam, in elk geval Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bromfiets (merk Vespa/ kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte de bromfiets niet voorhanden heeft gehad en dat geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de verdachte niet wist, noch behoorde te weten, dat het om een gestolen bromfiets ging.
Anders dan de raadsman vindt het hof van oordeel op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met de medeverdachte ( [medeverdachte] ) schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling en overweegt daartoe als volgt.
Uit de aangifte van [aangever] van 15 april 2025 blijkt dat hij zijn bromfiets op 13 april 2015 rond 23.00 heeft geparkeerd en dat deze nadien is gestolen. Uit de aangifte en de hierna te noemen camerabeelden volgt dat de diefstal van de bromfiets moet zijn gepleegd op 13 of 14 april 2025. Niet is gebleken dat de verdachte betrokken is geweest bij deze diefstal.
Op 14 april 2025 rond 16.46 uur krijgt de politie een melding van een verdachte situatie. De melder zou twee jongens een bromfiets hebben zien parkeren voor de gevel van een huis. Later blijkt dit de gestolen bromfiets van [aangever] te zijn. Het lukte de jongens niet om de bromfiets uit te krijgen. De politie komt kort daarna ter plaatse en ziet dat er geen contactslot meer in de bromfiets zit. Uit de uitwerking van de camerabeelden (met geluid) die de melder heeft verstrekt, blijkt onder meer het volgende. Rond een uur of vier lopen twee jongens (de verdachte en de medeverdachte) voorbij de woning. Ongeveer een kwartier later is te zien dat de medeverdachte een bromfiets parkeert, de verdachte is daarbij aanwezig. De medeverdachte pakt vervolgens een object uit zijn zak, verplaatst dit richting het contactslot, rommelt hieraan en is meer dan 25 seconden bezig bij het contactslot. Vervolgens is te zien dat beide verdachten handelingen verrichten aan de bromfiets en gedurende ongeveer één minuut (kennelijk) proberen de buddyseat te openen (de verdachte ‘rommelt’ onder meer ter hoogte van het contactslot van de buddyseat). Uit de opmerking van één van hen ‘niet open broer, gaat niet’, leidt het hof af dat het niet gelukt is om de buddyseat te openen.
Op grond van het voorgaande komt het hof allereerst tot de conclusie dat de verdachte samen met de medeverdachte de scooter voorhanden heeft gehad. Immers, uit de beelden volgt dat de verdachte samen met de medeverdachte gedurende enige tijd handelingen heeft verricht aan de scooter.
Ten laste is gelegd dat de verdachte en de medeverdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Alhoewel het hof het precieze moment van het voorhanden krijgen niet kan vaststellen, ligt naar het oordeel van het hof, gelet op de hiervoor vastgestelde redengevende feiten en omstandigheden, de conclusie voor de hand dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat de bromfiets gestolen was. Immers, de verdachte heeft samen met zijn medeverdachte de bromfiets voorhanden terwijl het contactslot ontbreekt, en de verdachte en/of de medeverdachte verschillende handelingen verrichten aan de bromfiets, kennelijk om de bromfiets uit te krijgen en om (vergeefs) de buddyseat te openen. De verdachte heeft op de zitting in eerste aanleg – nadat hij bij de politie had ontkend überhaupt iets met de scooter te maken te hebben gehad – kort gezegd verklaard dat hij de medeverdachte op zijn verzoek hielp met zijn kapotte scooter. Deze verklaring schuift het hof als onaannemelijk terzijde. Die verklaring vindt geen steun in de lezing van de medeverdachte en voor de juistheid van die lezing ontbreekt ook verder elk aanknopingspunt in het dossier. Op de zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het zich niet meer kan herinneren en heeft hij geen antwoord gegeven op vragen over de omstandigheden waaronder hij in het bezit is gekomen van de bromfiets. Dit alles betekent dat de verdachte geen aannemelijk geworden verklaring heeft afgelegd die de belastende betekenis van het bewijs wegneemt. Onder deze omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat de voor de hand liggende conclusie juist is en dat de verdachte en de medeverdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de bromfiets wisten dat deze gestolen was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 14 april 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander een bromfiets (merk Vespa/ kenteken [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek.
De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het feit, de marginale rol die de verdachte heeft gespeeld en het feit dat de verdachte momenteel een gevangenisstraf uitzit van 12 maanden en hij met een schone lei wenst te beginnen. In dit verband verzoekt de raadsman primair om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr, subsidiair om enkel een voorwaardelijke straf op te leggen en, meer subsidiair, een lagere straf op te leggen dan de politierechter.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een bromfiets. De diefstal die aan deze heling voorafging, heeft een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar en diegene overlast bezorgd. Door heling wordt in een afzetmarkt voor deze goederen voorzien, waarbij ook indirect van het misdrijf van een ander wordt geprofiteerd.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gelet op het strafblad van de verdachte. Hieruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens vermogensdelicten (ook voorafgaand aan het onderhavige feit). Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee. Gelet hierop en op de ernst van het bewezenverklaarde feit, acht het hof in beginsel de in eerste aanleg opgelegde staf, zoals ook door de advocaat-generaal in hoger beroep is gevorderd, passend en geboden, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Het hof houdt echter rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze door de verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht. In het bijzonder gelet op de jonge leeftijd van de verdachte, het feit dat hij op momenteel een gevangenisstraf van 12 maanden uitzit, en ook het feit dat artikel 63 Sr Pro een rol speelt, ziet het hof aanleiding om de straf te beperken tot een taakstraf. Daarmee geeft het hof de verdachte de kans om na het uitzitten van zijn gevangenisstraf in de andere zaak, in zoverre met een schone lei te beginnen dat hij niet ook voor deze zaak de gevangenis in moet. Hij krijgt dus het voordeel van de twijfel en de kans om te laten zien dat hij de daad bij het woord wil voegen en echt voor een ander – delictvrij – levenspad kiest. Vanwege de ernst van het feit en de recidive is toepassing van art. 9a Sr, zoals de raadsman heeft bepleit, echter een brug te ver en zal het hof wel een taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van hierna te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 december 2022 opgelegde voorwaardelijke werkstraf van 50 uren.
De advocaat-generaal heeft op de terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen.
De vordering houdt in dat de verdachte in de zaak met parketnummer 13-094960-25 een strafbaar feit heeft gepleegd. Die zaak was in eerste aanleg is gevoegd met de zaak met parketnummer 13-119325-25, de zaak waar dit arrest betrekking op heeft. De verdachte is in eerste aanleg echter vrijgesproken van hetgeen hem in de zaak met parketnummer 13-094960-25 is tenlastegelegd. Nu in hoger beroep uitsluitend de zaak met parketnummer 13-119325-25 aan de orde is, en gezien de inhoud van de vordering, wijst het hof de vordering af.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer
13-119325-25 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 27 maart 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2022, parketnummer 13-040014-22, voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 50 uren.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. R.P. den Otter en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mrs. C.H. Sillen en L.A.H. van Wieren, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2026.
Mr. De Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.