ECLI:NL:GHAMS:2026:804

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
23-000772-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 141 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen zware mishandeling en openlijke geweldpleging met blijvend oogletsel

Op 14 april 2021 hebben verdachte en een medeverdachte het slachtoffer met een bestelbus klemgereden en vervolgens ernstig mishandeld. Het slachtoffer werd met kracht tegen het linkeroog gestompt en daarna meermalen getrapt terwijl hij op de grond lag, wat leidde tot blijvend verlies van het linkeroog en PTSS.

De verdediging voerde vrijspraak aan wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen en opzet, en betwistte de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. Het hof oordeelde echter dat de verklaringen van twee getuigen betrouwbaar en consistent waren en dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte.

Het hof sprak verdachte vrij van poging tot doodslag, maar veroordeelde hem voor medeplegen van zware mishandeling en openlijke geweldpleging. De straf werd gematigd tot zeven maanden gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd een schadevergoeding van €75.722,98 toegewezen, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf voor medeplegen zware mishandeling en openlijke geweldpleging met toekenning van ruim €75.000 schadevergoeding.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000772-23
datum uitspraak: 24 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-103417-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 14 april 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet, (meermalen) (met kracht) tegen het hoofd en/of het (linker)oog en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] (met geschoeide voet) heeft geschopt en/of getrapt en/of (met gebalde vuist) heeft geslagen en/of gestompt (terwijl voornoemde [benadeelde partij] al dan niet op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 14 april 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere breuken in de oogkas (waaronder een orbitabodemfractuur), althans het gezicht en/of (blijvend) oogletsel (te weten een oogperforatie en/of gedestrueerde oogbol), heeft toegebracht, door (meermalen) (met kracht) tegen het hoofd en/of het (linker)oog) en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] (met geschoeide voet) te schoppen en/of trappen en/of (met gebalde vuist) te slaan en/of stompen (terwijl voornoemde [benadeelde partij] al dan niet op de grond lag);
1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 14 april 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet, (meermalen) (met kracht) tegen het hoofd en/of het (linker)oog en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] (met geschoeide voet) heeft geschopt en/of getrapt en/of (met gebalde vuist) heeft geslagen en/of gestompt (terwijl voornoemde [benadeelde partij] al dan niet op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. meest subsidiair
hij op of omstreeks 14 april 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [benadeelde partij] heeft mishandeld door (meermalen) (met kracht) tegen het hoofd en/of het (linker)oog en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] (met geschoeide voet) te schoppen en/of trappen en/of (met gebalde vuist) te slaan en/of stompen (terwijl voornoemde [benadeelde partij] al dan niet op de grond lag), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere breuken in de oogkas (waaronder een orbitabodemfractuur), althans het gezicht en/of (blijvend) oogletsel (te weten een oogperforatie en/of gedestrueerde oogbol) ten gevolge heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 14 april 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, openlijk, te weten op of aan de openbare weg (de Frans van Mierisstraat/Van Baerlestraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] , door (meermalen) (met kracht) tegen het hoofd en/of het (linker)oog en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] (met geschoeide voet) te schoppen en/of trappen en/of (met gebalde vuist) te slaan en/of stompen (terwijl voornoemde [benadeelde partij] al dan niet op de grond lag) terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een of meerdere breuken in de oogkas (waaronder een orbitabodemfractuur), althans het gezicht en/of (blijvend) oogletsel (te weten een oogperforatie en/of gedestrueerde oogbol) voor voornoemde [benadeelde partij] ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte van het onder primair 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte, dan wel de medeverdachte, (meermaals) tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geschopt.
Met betrekking tot de overige onder 1 tenlastegelegde feiten stelt de verdediging dat, hoewel vaststaat dat de verdachte het slachtoffer een klap heeft gegeven, niet kan worden vastgesteld dat het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer door deze klap is veroorzaakt. Bovendien is volgens de verdediging geen sprake van medeplegen, nu er geen nauwe en bewuste samenwerking was tussen de verdachte en de medeverdachte en het opzet van de verdachte hier ook niet op was gericht. Volgens de verdediging blijft, voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde, enkel het meest subsidiair tenlastegelegde – de eenvoudige mishandeling – over.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde voert de verdediging aan dat, aangezien geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, de verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.
Tot slot heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn.
Overwegingen van het hof
Betrouwbaarheid getuigenverklaringen [getuige 1] en [getuige 2]
De verdediging heeft bepleit dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onvoldoende betrouwbaar zijn om een bewezenverklaring op te baseren.
Het hof oordeelt anders. Beide getuigen zijn zowel door de politie als door de rechter-commissaris gehoord. De verklaringen zijn innerlijk in de kern consistent en ondersteunen en bevestigen elkaar over en weer op cruciale punten, in het bijzonder voor wat betreft het trappen tegen het lichaam van de aangever terwijl hij op de grond ligt. Het hof heeft in het dossier ook geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen deze (objectieve) getuigen hebben verklaard. Gelet daarop heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen.
Feiten en omstandigheden
Op grond van het bovenstaande ziet het hof geen belemmeringen om de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] voor het bewijs te gebruiken en Het hof komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen tot vaststelling van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 14 april 2021 was de verdachte was de bestuurder van een bestelbus. De medeverachte [de medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) was de bijrijder.
Op de Van Baerlestraat bij de kruising met de Frans van Mierisstraat in Amsterdam snijdt de bestelbus [benadeelde partij] (hierna: de aangever) af op het fietspad, waardoor hij gedwongen wordt abrupt te stoppen en af te stappen. De medeverdachte stapt uit de bestelbus en loopt op de aangever af. De verdachte stapt ook uit en voegt zich bij de verdachte en de aangever. De aangever is vervolgens op zijn linkeroog gestompt, waarna hij een scherpe pijn voelt en op de grond valt. De aangever ligt vervolgens ineengedoken op zijn zij (in foetushouding) en beschermt zijn gezicht met zijn handen, terwijl beide verdachten op hem intrappen. Hierna stappen de verdachte en medeverdachte weer de bestelbus in en rijden weg.
Er is sprake van blijvend letsel. Aangever is namelijk zijn linkeroog kwijt.
Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde
Het hof stelt vast dat de aangever met de vuist op het linkeroog is gestompt en dat beide verdachten de aangever – terwijl deze op de grond lag – meermalen hebben geschopt. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat er door de verdachte en de medeverdachte meerdere keren tegen het hoofd van de aangever is getrapt. Er is bij de aangever echter geen letsel vastgesteld dat daarmee in verband kan worden gebracht. Ook is er geen bloed op de schoenen van de verdachte of de medeverdachte aangetroffen, wat wel te verwachten zou zijn als zij de aangever op zijn reeds bloedende gezicht zouden hebben geraakt. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de aangever zijn gezicht met zijn handen beschermde, is naar het oordeel van het hof niet met een voor een bewezenverklaring voldoende mate van zekerheid vaststellen dat sprake is van zodanig trappen in de richting van het hoofd dat dit de aanmerkelijke kans op de dood meebracht. Verder kan niet worden aangenomen dat het stompen tegen het oog en het trappen tegen het lichaam een aanmerkelijk kans op de dood van de aangever hebben opgeleverd. Daarom acht het hof (voorwaardelijk) opzet op de dood van de aangever niet bewezen en zal de verdachte worden vrijgesproken van het medeplegen van poging tot doodslag.
Bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde
Zwaar lichamelijk letsel
Onder ‘zwaar lichamelijk letsel’ wordt op grond van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht onder meer begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Het hof stelt vast dat blijkens de medische informatie het linkeroog als verloren beschouwd moet worden en reeds daarmee dus sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Medeplegen
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is geweest van medeplegen door de verdachte en de medeverdachte. Medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Het hof stelt vast dat, nadat de medeverdachte de bestelbus gedeeltelijk op het fietspad heeft stilgezet, de verdachte en de medeverdachte kort na elkaar uit de bestelbus zijn gestapt en beide direct richting de aangever zijn gelopen. Vervolgens zijn er in een zeer korte periode verschillende geweldshandelingen verricht. Nadat de aangever met veel kracht tegen het oog is geslagen, hebben de verdachte en de medeverdachte ieder meerdere keren tegen de aangever geschopt, waardoor beiden een bijdrage van voldoende gewicht aan het geweld hebben gehad. Vervolgens zijn zij samen weer in de bestelbus gestapt en weggereden. De manier waarop het feit werd gepleegd kan niet anders worden gezien dan een bewuste en nauwe samenwerking.
Voor wat betreft het opzet op het zwaar lichamelijk letsel overweegt het hof als volgt.
Aangever is met de vuist vol op het linkeroog gestompt en vervolgens terwijl hij op de grond lag door beide verdachten meerdere keren getrapt. Dit handelen heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever, dat beide verdachten de aanmerkelijke kans daarop bewust hebben aanvaard. De omstandigheid dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld wie van de verdachten de aangever op het linkeroog heeft gestompt waardoor hij – kort gezegd – zijn oog is verloren, doet daaraan – gelet op de hiervoor geschetste gezamenlijke uitvoering en uiterlijke verschijningsvorm – niet af.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht het hof op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling.
Bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde
Op basis van de bewijsmiddelen en dat wat hiervoor is overwogen ten aanzien van feit 1, is ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Aangezien niet vast is komen wie van hen de stomp op het oog van de aangever heeft gegeven, waardoor het blijvende oogletsel is veroorzaakt, wordt de verdachte vrijgesproken voor zover ten laste is gelegd dat
het door hem gepleegde geweld(zwaar) lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.subsidiair
hij op 14 april 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten breuken in de oogkas (waaronder een orbitabodemfractuur), en blijvend oogletsel (te weten een oogperforatie en gedestrueerde oogbol), heeft toegebracht, door met gebalde vuist met kracht tegen het linkeroog van voornoemde [benadeelde partij] te stompen en met geschoeide voet tegen het lichaam van [benadeelde partij] te schoppen en/of trappen;
2.
hij op 14 april 2021 te Amsterdam, openlijk, te weten op of aan de openbare weg (de Frans van Mierisstraat/Van Baerlestraat), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij] , door tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] met geschoeide voet te schoppen en/of trappen en met gebalde vuist te stompen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van medeplegen van zware mishandeling
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 162 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is een taakstraf van 240 uur opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren met aftrek.
De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met het feit dat de door de verdachte uitgedeelde klap niet heeft geleid tot het zwaar lichamelijk letsel. Voorts heeft de raadsman verzocht acht te slaan op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder dat de verdachte erg jong was ten tijde van het voorval en hij onder druk stond door zijn werk en de scheiding van zijn ouders. Daarnaast had de verdachte geen relevante documentatie, is hij in de tussentijd niet opnieuw in aanraking gekomen met justitie, heeft hij spijt betuigd en een verzoek ingediend tot mediaton, ligt er een positief reclasseringsrapport – waarin het recidivegevaar als laag wordt ingeschat – en heeft de verdachte de interventie (training) I-respect gevolgd en afgerond. Verder werkt de verdachte als ZZP’er in de bouw en draagt hij zorg voor zijn moeder. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is een ruimschootse overtreding van de redelijke termijn, welke niet aan cliënt te wijten is en waar geen goede goed redenen voor zijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling en, in dat kader, ook aan openlijke geweldpleging. Na een onbenullig incident hebben de verdachte en de medeverdachte het fietsende slachtoffer met een bestelbus klem gereden, waardoor het slachtoffer tot stilstand werd gedwongen. De verdachte is, net als de medeverdachte, vervolgens direct uit de bestelbus gesprongen en naar het slachtoffer toegesneld. Het slachtoffer is vervolgens blind geslagen. De verdachte en de medeverdachte hebben meerdere keren ingetrapt op het slachtoffer, dat inmiddels bloedend en kermend op de grond lag. De verdachte en de medeverdachte zijn vervolgens, zonder om te kijken naar het slachtoffer, de bestelbus weer ingestapt en zijn weggereden. Zij hebben het slachtoffer hevig bloedend aan zijn lot overgelaten, terwijl deze in foetushouding op de straat lag.
De handelingen van de verdachte en de medeverdachte hebben verstrekkende gevolgen gehad voor het slachtoffer. Allereerst is het slachtoffer blijvend blind aan zijn linkeroog, waardoor hij voor de rest van zijn leven zal worden geconfronteerd met deze beperking. Het hof gaat uit van zeer zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast is bij hem als gevolg van het voorval PTSS vastgesteld. Het slachtoffer kampt nog steeds met negatieve overtuigingen over zichzelf en de wereld, een onveilig gevoel op straat en gevoelens van schaamte. De fysieke en psychische klachten hebben ingrijpende gevolgen gehad voor zijn dagelijks leven. Hij is onder meer zijn baan als huismeester in een winkelcentrum kwijtgeraakt, heeft zijn kinderen een tijd niet kunnen zien, zijn gezinssituatie is drastisch veranderd en hij is een periode dakloos geweest.
Het feit heeft zich bovendien op de openbare weg afgespeeld, in het zicht van omstanders, waardoor gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot kunnen worden. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft rekening gehouden met op de straffen die meestal in soortgelijke gevallen worden opgelegd, die zijn beschreven in de zogenoemde Oriëntatiepunten van het LOVS. Daarin wordt ten aanzien van het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden als uitgangspunt genoemd. Rekening houdend met de ouderdom van de zaak (het feit is bijna 5 jaar geleden gepleegd) zal het hof volstaan met dit uitgangspunt en strafverzwarende omstandigheden zoals dat het feit op de openbare weg is gepleegd niet meewegen.
Het hof ziet, anders dan de rechtbank, geen aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken. Ook de persoonlijke omstandigheden zoals die door de raadsman naar voren zijn gebracht en overigens zijn gebleken geven daartoe onvoldoende aanleiding. Het hof ziet daarbij nadrukkelijk onder ogen dat een gevangenisstraf forse gevolgen zal hebben voor de verdachte. Het hof is echter van oordeel dat de aard en ernst van het bewezenverklaarde zoals hierboven geschetst, zodanig ernstig zijn dat uitsluitend een aanzienlijke onvoorwaardelijk gevangenisstraf passend en geboden is vanuit het oogpunt van vergelding, normbevestiging en generale en speciale preventie.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het volgende.
Het hof overweegt dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd binnen een redelijke termijn te worden berecht.
Het bevel voorlopige hechtenis is (na eerder te zijn geschorst) geschorst per 7 juni 2021, en opgeheven bij vonnis. Onder die omstandigheden had de procedure bij de rechtbank en het hoger beroep moeten zijn afgerond binnen twee jaren (per instantie). Het vonnis van de rechtbank is gewezen op 28 februari 2023. Op 9 maart 2023 is door de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Het dossier is niet binnen 8 maanden, maar eerst op 27 maart 2024 binnengekomen bij het hof. Het hof doet bij arrest van 24 maart 2026 uitspraak.
Het hof constateert dat zowel bij de inzendtermijn, als bij de behandeling in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. De overschrijding betreft ruim een jaar. Naar het oordeel van het hof dient dit te worden gecompenseerd in de strafmaat. Om die reden zal het hof de op te leggen gevangenisstraf matigen tot de duur van zeven maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 95.939,87. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 26.380,57. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. In hoger beroep is het bedrag van de vordering, zoals vermeld in de e-mail van de advocaat van de benadeelde partij van 3 maart 2026, geherformuleerd en verlaagd naar een bedrag van € 77.494,88, bestaande uit € 17.494,88 aan materiële schade, te weten:
Medische kosten (2021-2022): € 935,00
Aanschaf bril en lenzen: € 270,35
Reiskosten in verband met medische behandelingen: € 175,22
Extra kosten in verband met kinderopvang: € 1.771,90
Medische kosten (2023-2025): € 833,08
Kosten voor lenzen: € 32,55
Verlies aan verdienvermogen: € 13.476,78
en € 60.000,00 aan immateriële schade. Tevens wordt de wettelijke rente gevorderd.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 75.722,98, bestaande uit € 15.772,98 materiële schade en € 60.000,00 immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu enkel eenvoudige mishandeling bewezen kan worden verklaard en geen sprake is van medeplegen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de rechtbank te volgen in de niet-ontvankelijkheid van de kosten voor de kinderopvang. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat het verlies aan verdienvermogen slechts kan worden vastgesteld over de maanden januari 2024 tot en met maart 2024, nu voor de overige maanden – te weten april 2024 tot en met maart 2026 – geen uitkeringsspecificaties zijn overlegd en deze daarmee onvoldoende zijn onderbouwd. Voor het alsnog vaststellen van het verlies aan verdienvermogen over deze overige maanden voert de verdediging aan dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, waardoor de benadeelde partij hiervoor niet-ontvankelijk dien te worden verklaard. Daarnaast verzoekt de verdediging de rechtbank te volgen met betrekking tot de toewijzing van de immateriële schade. Tot slot verzoekt de verdediging dat de wettelijke rente primair wordt berekend vanaf het moment van het wijzen van arrest, subsidiair vanaf de datum van het vonnis in eerste aanleg.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Het hof verwerpt het primair gevoerde verweer van de verdediging, gelet op hetgeen het hof hierboven heeft overwogen en bewezenverklaard.
Onder a tot en met c, e en f genoemde kosten
Uit het onderzoek van het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreekse deze schade heeft geleden. Het hof zal de gevorderde kosten toewijzen, nu deze posten door de verdediging niet inhoudelijk zijn betwist en die het hof niet onrechtmatig en ongegrond voorkomen.
Onder d genoemde kosten
De vordering met betrekking tot extra kosten in verband met kinderopvang is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Het toelaten van een nadere onderbouwing van deze post zou een onevenredige belasting voor het rechtsgeding opleveren. De benadeelde partij zal ten aanzien van deze post dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Onder g genoemde kosten
Tot slot zal het hof ook de gevorderde kosten voor het verlies aan verdienvermogen (€ 13.476,78) toewijzen. Uit de in hoger beroep ingediende vordering en de ter terechtzitting gegeven toelichting door de advocaat is voldoende gebleken dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De schade bestaat uit het verschil tussen het salaris dat de aangever ontving voordat het bewezenverklaarde plaatsvond en de uitkering die de aangever ontving nadat hij door het bewezenverklaarde (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt raakte. Uit de stukken van het UWV die de benadeelde partij heeft overgelegd, blijkt dat de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door het bewezenverklaarde. De benadeelde partij heeft de vordering beperkt tot de reeds geleden schade, toekomstige schade is niet gevorderd. Ook deze schade komt het hof overigens niet ongegrond of onrechtmatig voor.
Gelet op het voorgaande zal de vordering van de benadeelde partij voor zover deze ziet op de materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van € 15.722,98.
Immateriële schade
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte en de medeverdachte zo ernstig is mishandeld dat hij blind is geworden aan zijn linkeroog. Daarmee staat vast dat de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Het bewezenverklaarde heeft verstrekkende gevolgen gehad voor het slachtoffer. Hij heeft ernstig fysieke letsel opgelopen, bestaande uit onder meer het verlies van zijn linkeroog – wat een blijvende inperking is in zijn dagelijks leven. Daarnaast spelen er ook veel psychische klachten bij het slachtoffer. Hij heeft onder meer PTSS aan het bewezenverklaarde overgehouden en heeft hier geruime tijd behandelingen voor moeten ondergaan. Ook daarvoor heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, onder b, van het BW dus recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.
Het hof is van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd en zal de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 60.000,00. Grondslagen voor de toekenning zijn het veroorzaakte fysieke letsel en de aantasting in persoon op andere wijze, bestaande uit psychisch letsel dat door een deskundige is vastgesteld (PTSS). Het hof heeft bij de beslissing over de toewijzing van immateriële schade aansluiting gezocht bij de aard en de ernst van de normschending, de aantasting van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen door rechters pleegt te worden toegerekend, alsook de zogenoemde Rotterdamse schaal.
Wettelijke rente
De wettelijke rente is in beginsel verschuldigd vanaf de dag waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Het hof ziet geen aanleiding om daarvan in deze zaak af te wijken.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal voor een totaalbedrag van € 75.722,98, bestaande uit € 15.722,98 aan materiële schade en € 60.000,00 aan immateriële schade worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerder met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ingetreden. Voor zover het gaat om materiële schadeposten die op meerdere momenten gedurende een langere periode zijn opgebouwd, hanteert het hof om praktische redenen als ingangsdatum van de wettelijke rente telkens de laatste dag van het kalenderjaar waarin de schade is ingetreden. Voor de onder a tot en met c genoemde kosten zal de wettelijke rente ingaan op 31 december 2022, voor de onder e genoemde kosten 31 december 2025, voor de onder f genoemde kosten op 31 december 2024 en voor de onder g genoemde kosten op 21 juli 2025. De wettelijke rente met betrekking tot de immateriële schade zal aanvangen op 14 april 2021, de dag waarop het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden.
De verdachte is op grond van artikel 6:166 van Pro het Burgerlijk Wetboek samen met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk voor de schade en dus tot vergoeding daarvan gehouden, behalve voor zover de schade al door de mededader is vergoed.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 63, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 75.722,98 (vijfenzeventigduizend zevenhonderdtweeëntwintig euro en achtennegentig cent)bestaande uit
€ 15.722,98 (vijftienduizend zevenhonderdtweeëntwintig euro en achtennegentig cent) materiële schadeen
€ 60.000,00 (zestigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 75.722,98 (vijfenzeventigduizend zevenhonderdtweeëntwintig euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 15.722,98 (vijftienduizend zevenhonderdtweeëntwintig euro en achtennegentig cent) materiële schade en € 60.000,00 (zestigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 297 (tweehonderdzevenennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
  • 31 december 2022 over een bedrag van € 1.380,57 ter zake van de posten medische kosten (2021-2022), kosten in verband met aanschaf van de bril en lenzen en reiskosten in verband met medische behandelingen;
  • 31 december 2025 over een bedrag van € 833,08 ter zake van medische kosten (2023-2025);
  • 31 december 2024 over een bedrag van € 32,55 ter zake van kosten in verband met lenzen;
  • 21 juli 2025 over een bedrag van € 13.476,78 ter zake van het verlies verdienvermogen;
en van de immateriële schade op14 april 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P. den Otter, mr. T. de Bont en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen en mr. L.A.H. van Wieren, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2026.
Mr. De Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.