ECLI:NL:GHAMS:2026:788

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
200.353.713/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 362 RvHR 2000:AA5410HR 2001:AB0201
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwikkeling huwelijksvermogensregime naar Turks recht bij echtscheiding

Partijen zijn in 2020 in Turkije gehuwd en hun huwelijk is op 17 januari 2025 ontbonden door de rechtbank Noord-Holland. De man en vrouw zijn het niet eens over de verdeling van het huwelijksvermogen, waarop de man principaal hoger beroep instelde en de vrouw incidenteel hoger beroep.

Het hof oordeelt dat Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. De man trok enkele grieven in, maar betwistte onder meer de verdeling van de auto, de sieraden, de inboedel en de huurinkomsten van de voormalige echtelijke woning.

Het hof wijst de grieven van de man af omdat hij onvoldoende bewijs leverde en omdat hij na de peildatum niet heeft bijgedragen aan de lasten, waardoor zijn aanspraken op de auto en andere zaken zijn verbruikt. De vrouw heeft de sieraden als privévermogen aangemerkt en de huurinkomsten waren onvoldoende om de lasten te dekken. Ook de verzoeken van de vrouw in incidenteel hoger beroep om betaling van lasten door de man worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst de overige verzoeken in hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst alle hoger beroepgrieven en verzoeken af, waarbij iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.713/01
zaaknummer rechtbank: C/15/350932/FA RK 24-1630
beschikking van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. W. Matadien te Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A. Sarioglu te Amsterdam.

1.De zaak in het kort

1.1.
De zaak gaat over de afwikkeling van het huwelijkse vermogen van partijen.
1.2.
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 17 januari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de echtscheiding uitgesproken en de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap gelast. De man en de vrouw zijn het op sommige onderdelen niet eens met deze uitspraak.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
De man is op 17 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2.
De vrouw heeft op 24 juli 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de man van 9 mei 2025 met bijgevoegd het procesdossier van de eerste aanleg;
- een bericht van de zijde van de man van 12 mei 2025 (akte uitlating);
- een bericht van de zijde van de vrouw van 13 oktober 2025 met bijlagen (productie 2 en 3);
- een bericht van de zijde van de vrouw van 18 oktober 2025 met bijlagen (beëdigde vertalingen productie 2 en 3);
- een bericht van de zijde van de man van 22 oktober 2025 (productie 7).
2.5.
De zitting heeft op 23 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en door de heer S. Gültekin, een tolk in de Turkse taal,
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn [in] 2020 gehuwd te [plaats B] Turkije. De man heeft zich op 10 november 2021 (bij de vrouw) in Nederland gevestigd. De vrouw heeft de Turkse en de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Turkse nationaliteit. Hun huwelijk is op 11 maart 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 januari 2025 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.
Het echtscheidingsverzoek is door de vrouw ingediend op 20 maart 2024.
3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat Turks recht van toepassing is op hun huwelijksvermogensregime.
3.4.
Partijen hebben in november 2023 de voormalig echtelijke woning aan de [A-straat] te [plaats A] gekocht en geleverd gekregen. De woning is in mei 2025 verkocht en geleverd aan een derde. Op de woning rustte een hypotheekschuld. Deze is afgelost met de opbrengst van de woning bij de overdracht.
3.5.
Partijen hebben op 28 november 2023 een lening van € 20.000,- bij Lender en Spender afgesloten. Deze lening is deels afgelost uit de opbrengst van de voormalig echtelijke woning.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1.
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarnaast is, voor zover hier van belang, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen als volgt gelast, waarbij onder meer is bepaald:
- dat de man alle medewerking dient te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop en levering van de woning aan de [A-straat] te [plaats A] .
- dat de man binnen acht dagen na de beschikking (van de rechtbank) dient mee te werken aan taxatie en verkoop van de woning;
- dat als de man weigert mee te werken aan de verkoop en levering van de woning de beschikking (van de rechtbank) in de plaats daarvan zal komen;
- dat partijen ieder de helft van de kosten van verkoop en levering dienen te dragen;
- dat de overwaarde (netto-opbrengst) of onderwaarde (netto-restschuld) van de woning staande en gelegen aan het adres [A-straat] te [plaats A] , gemeente [gemeente] , bestaande uit de verkoopopbrengst van de woning verminderd met de hypothecaire schuld, verminderd met de overige kosten. Een en ander niet eerder dan dat alle kosten welke voor rekening van de vrouw dan wel de man dienen te worden verrekend, derhalve bij de nota van afrekening van de notaris dienen de door de vrouw betaald doch voor rekening van de man komende kosten, zoals de gebruikerslasten, gemeentelijke belastingen, eigenaarslasten bij helfte alsook hypotheekpremie bij helfte, zijdens de man in mindering te worden gebracht en aan de vrouw moeten worden uitgekeerd en vice versa;
- dat het bedrag wat de man toekomt ten aanzien van de verdeling van de overwaarde van de woning staande en gelegen aan het adres [A-straat] te [plaats A] , gemeente [gemeente] , in depot bij de notaris dient te worden gestort totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de door de vrouw gestelde vorderingen c.q. verzoeken op de man dan wel indien hierover door de rechtbank onherroepelijk is beslist;
- dat partijen de inboedelgoederen in onderling overleg dienen te verdelen met gesloten beurzen en dat ieder der partijen de persoonlijke spullen toekomt zonder onderlinge verrekening van de waardes ervan;
4.2.
De man verzocht in principaal hoger beroep aanvankelijk, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen:
- dat de rechtbank de man ten onrechte heeft gelast alle medewerking te verlenen aan de spoedige levering en verkoop van de woning en moet meewerken aan de taxatie en verkoop van de woning;
- dat de man zijn aandeel in de verkoopopbrengst na de afwikkeling van de verkoop in de woning van de notaris ontvangt;
- dat de inboedel van partijen door een derde wordt getaxeerd en verkocht, waarvan de verkoopopbrengst door partijen bij helfte wordt gedeeld;
- dat de vrouw het voertuig van partijen dat op naam van de vrouw stond/staat ingeschreven laat taxeren en de waarde daarvan met de man bij helfte deelt;
- dat de vrouw de (waarde van de) huwelijkssieraden, die toen de man naar Turkije vertrok op haar naam bij de Stadsbank van Lening in leen zijn gegeven met de man deelt, alsmede dat zij informatie hierover in het geding brengt;
- dat de vrouw ter verrekening en verevening van de huwelijksgemeenschap de huurovereenkomst alsmede de door haar ontvangen huurinkomsten in het geding brengt;
- dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De man heeft bij brief van 12 mei 2025 zijn verzoeken gewijzigd in die zin dat hij zijn eerste en zijn tweede grief intrekt. Ter zitting in hoger beroep heeft de man toegelicht dat dit betekent dat zijn verzoeken die zien op de verkoop van de echtelijke woning en het aandeel in de overwaarde (gedachtestreepje 1 en 2) worden ingetrokken.
4.3.
De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de man af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt zij te bepalen:
- dat ieder van partijen een bedrag van € 10.877,50 aan de vader van de vrouw dient te voldoen, ter terugbetaling van het bedrag van € 21.755,- dat de vader van de vrouw heeft betaald aan de lasten van de woning van partijen;
- dat de man een bedrag aan de vrouw dient te voldoen van € 4.910,- in het kader van de door de vrouw betaalde vaste lasten van de woning over de periode januari 2024 tot en met maart 2025;
- de man te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep.
4.4.
De man verzoekt in incidenteel hoger beroep de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid
5.1.
Het hof zal eerst de ontvankelijkheid van het principaal hoger beroep van de man beoordelen. De vrouw stelt (primair) dat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep op grond van artikel 362 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat hij zelfstandige verzoeken voor het eerst in hoger beroep doet. Het hof gaat hieraan voorbij, nu in een echtscheidingsprocedure een zelfstandig verzoek ook voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan (zie HR:2000:AA5410 en HR 2001:AB0201). De man is dus in die zin ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.2.
Aan de orde is de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen.
Deze zaak heeft een internationaal aspect, omdat partijen ook de Turkse nationaliteit hebben. Het hof moet daarom ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is. Het hof is op dezelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken van partijen met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijkse vermogen van partijen.
Tussen partijen is niet in geschil dat Turks recht van toepassing is op hun huwelijksvermogensregime. Het huidig Turks wettelijk stelsel kent een ‘deelgenootschap van verwervingen’. Er wordt onderscheid gemaakt tussen verwervingen en persoonlijk vermogen van de echtgenoten. In totaal zijn er vier vermogens: het persoonlijk vermogen van de vrouw, de verwervingen van de vrouw, het persoonlijk vermogen van de man en de verwervingen van de man.
Onder de verwervingen valt het vermogen dat tijdens het huwelijk is verkregen en waarvoor een echtgenoot een tegenprestatie heeft geleverd. Het huwelijksgoederenregime van verwervingsdeelneming eindigt op het tijdstip waarop het verzoekschrift tot echtscheiding wordt ingediend. De verwervingen die op dat moment aanwezig zijn, worden verrekend naar de waarde van het tijdstip van de financiële afrekening (de vereffening). Iedere echtgenoot heeft daarbij recht op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde. Vorderingen die de echtgenoten op elkaar hebben, worden verrekend.
Principaal hoger beroep
5.3.
De man heeft grief 1 ingetrokken zodat deze grief geen bespreking meer behoeft.
De man heeft grief 2 eveneens ingetrokken in zijn brief van 12 mei 2025, maar hij heeft ter zitting in hoger beroep nader toegelicht dat de grief slechts is ingetrokken voor zover het de (verkoop van de) echtelijke woning betreft. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep bevestigd dat zij dit ook zo heeft begrepen. Grief 2 ligt voor het overige dus wel voor ter beoordeling in hoger beroep.
5.4.
In grief twee stelt de man verder dat in de bestreden beschikking een aantal zaken ten onrechte niet is betrokken bij de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap. Volgens hem heeft de vrouw deze zaken expres niet genoemd bij de rechtbank. De man heeft zelf geen verweer kunnen voeren bij de rechtbank omdat hij niet tijdig een advocaat heeft kunnen vinden. Hij was niet in Nederland toen de vrouw de echtscheidingsprocedure is gestart. Hij is in januari 2024 via Duitsland naar Turkije op vakantie gegaan en is pas op 3 januari 2025 weer teruggekomen in Nederland. Hij kon niet eerder terugkomen omdat hij zijn verblijfsvergunning kwijt was geraakt. Tijdens zijn afwezigheid heeft de vrouw op 20 maart 2024 de echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. De man is hier pas later van op de hoogte geraakt.
Volgens de man omvatte de huwelijksgemeenschap van partijen ook de auto op naam van de vrouw en de huwelijkssieraden, welke sieraden op het moment dat de man naar Turkije ging volgens hem bij de Stadsbank lagen en eveneens op naam van de vrouw stonden.
De man stelt daarnaast dat de vrouw de echtelijke woning tijdens zijn afwezigheid heeft verhuurd en verzoekt dat zij de huurovereenkomst in het geding brengt en inzage geeft in de huurinkomsten die zij heeft ontvangen.
Ter zitting in hoger beroep heeft de man toegevoegd dat de sieraden door partijen tijdens de huwelijksceremonie van vrienden en familie zijn ontvangen, dat deze aan beide partijen toebehoren en verdeeld moeten worden. De auto is een Seat die in 2023 is gekocht voor een bedrag van € 4.500,-. De man betwist dat de auto door de vader van de vrouw is gekocht en hij betwist eveneens dat de auto inmiddels zou zijn verkocht.
5.5.
De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Volgens de vrouw heeft de man haar meerdere malen mishandeld, reden waarom zij een echtscheiding heeft verzocht. De man was het daar niet mee eens en heeft in de familiesfeer druk uitgeoefend op de vrouw om niet te scheiden. De bedreigingen door de man waren zodanig dat de vrouw voor haar veiligheid een aware knop heeft gekregen. Nadat de vrouw had besloten om te scheiden, is zij bij haar moeder in [plaats C] gaan wonen. De man is eind januari (naar het hof begrijpt) 2024 naar Turkije vertrokken. De vrouw heeft melding gedaan bij de IND dat het huwelijk was beëindigd, waarna de IND zijn verblijfsrecht heeft ingetrokken. De man heeft later alsnog een verblijfsvergunning op andere gronden weten te verkrijgen. Volgens de vrouw was de man wel degelijk op de hoogte van de echtscheidingsprocedure.
De man heeft na zijn vertrek naar Turkije op geen enkele wijze bijgedragen aan de maandelijkse lasten van partijen, waaronder de woonlasten, terwijl de vrouw onvoldoende inkomen had om deze lasten te voldoen. Om die reden heeft zij € 4.500,- geleend bij de Stadsbank en daarvoor haar eigen gouden sieraden verpand. De sieraden behoren tot het persoonlijk eigendom van de vrouw en vallen niet in de huwelijksgemeenschap. Verder heeft zij een deel van de hypotheeklasten betaald met de opbrengst van de verkoop van de vaatwasser en de auto. De auto is voor € 1.000,- verkocht. Haar vader had deze auto voor haar gekocht. De vrouw merkt hierbij op dat de man geen enkele informatie over de waarde van de auto heeft verschaft en dus niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De woning is maar een korte periode verhuurd geweest, van medio december 2024 tot en met maart 2025. De vrouw betwist dat zij de lasten van de echtelijke woning kon dragen met de huurinkomsten.
De vrouw heeft hier ter zitting in hoger beroep het volgende aan toegevoegd. De vrouw heeft alle lasten betaald in de periode dat de man in het buitenland verbleef, niet alleen de hypotheek en de overige eigenaarslasten, maar ook alle abonnementen. De man heeft hier voordeel van gehad, toen hij terugkwam waren er geen schulden. Het is onbegrijpelijk dat hij nu aanspraak maakt op bijvoorbeeld de waarde van de auto. De sieraden zijn voor het huwelijk aan de vrouw geschonken als bruidsschat en daarmee privévermogen van de vrouw.
De vrouw heeft ter zitting bewijs aangeboden van haar stelling dat de auto door haar vader is geschonken en privévermogen is door het horen van haar vader. Ten aanzien van de verhuur van de echtelijke woning heeft de vrouw verklaard dat de man hiervan op de hoogte was en daarmee heeft ingestemd, zoals blijkt uit het overgelegde WhatsAppbericht. De huur werd contant betaald en de huurovereenkomst was mondeling. De huurders hebben op het eerste verzoek van de vrouw de woning verlaten, aldus de vrouw.
De auto
5.6.
Het hof zal hierna afzonderlijk de auto, de sieraden en de huurovereenkomst bespreken. Ten aanzien van de auto overweegt het hof als volgt. Tussen partijen is in geschil of de auto op de peildatum tot de (door hen zelf zo genoemde) ‘huwelijksgemeenschap’ behoorde of tot het privévermogen van de vrouw. Naar het oordeel van het hof kan de man ook als de auto tot de huwelijksgemeenschap zou behoren geen aanspraak (meer) maken op de helft van de waarde van de auto. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Zoals onder 5.2 is overwogen, eindigt het huwelijksgoederenregime van verwervingsdeelneming op het tijdstip waarop het verzoekschrift tot echtscheiding wordt ingediend. De vrouw heeft na de indiening van het echtscheidingsverzoek (op 24 maart 2024) nog een lange periode alle lasten van de gemeenschappelijke woning betaald, waaronder de hypotheeklasten. De man heeft niet betwist dat hij in die periode in Turkije was en op geen enkele wijze financieel heeft bijgedragen. De gemeenschappelijke woning is uiteindelijk met overwaarde verkocht in mei 2025, waarvan ook de man heeft geprofiteerd. Voor zover de man gerechtigd zou zijn tot de helft van de waarde van de auto (welke waarde volgens de man op de peildatum in ieder geval niet hoger was dan € 4.500,- ) moet er naar het oordeel van het hof van uitgegaan worden dat dit aandeel is verbruikt nu de man na de peildatum niet heeft bijgedragen aan de (eigenaars)lasten van de echtelijke woning. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen. Gelet op het hiervoor overwogene komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van de vrouw.
De sieraden
5.7.
Het verzoek van de man met betrekking tot de sieraden zal eveneens worden afgewezen. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat de sieraden tot de gemeenschap van partijen behoren. De vrouw heeft er op gewezen dat de sieraden aan haar zijn geschonken, en de man heeft in een door de vrouw als productie 2 overgelegd WhatsAppbericht bevestigd dat de sieraden van de vrouw zijn. In het bericht staat
“(..) Alleen het goud is van jou, het is een geschenk (..)”. Het hof zal het verzoek van de man op dit onderdeel afwijzen.
De huurinkomsten
5.8.Ten aanzien van de huurinkomsten uit de echtelijke woning overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft de echtelijke woning verhuurd in de periode van medio december 2024 tot en met maart 2025. Dit was nodig omdat zij de lasten van de woning niet kon dragen. Zij heeft toegelicht dat de inkomsten uit verhuur € 1.500,- per maand bedroegen en dat dit niet voldoende was om de lasten van de woning te voldoen. Uit een overzicht van de vrouw met verschillende lasten blijkt dat de hypotheek € 1.750,- per maand bedroeg. De man heeft de hoogte van de hypotheeklast niet betwist. De man heeft evenmin de periode waarin de woning is verhuurd betwist. Bovendien was de man op de hoogte van de verhuur van de echtelijke woning en heeft hij daarmee ingestemd, zoals blijkt uit het door de vrouw overgelegde WhatsAppbericht (productie 3), waarin staat
“(…)Je hebt het huis verhuurd, dat kan. (..)” . . Daarnaast heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep toegelicht dat de huurovereenkomst mondeling is gesloten en dat de huurbetalingen contant waren, zodat er geen stukken waren die zij kon overleggen. De man heeft hier verder niets tegenover gesteld waaruit zou volgen dat de vrouw zodanige inkomsten uit de verhuur zou hebben genoten dat dit kosten overstijgend is geweest. Gelet op al het hiervoor overwogene zal het verzoek van de man met betrekking tot de (inzage in de) huurinkomsten van de echtelijke woning worden afgewezen.
Inboedel
5.9.
De derde grief van de man ziet op (de waarde van) de inboedel. De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat partijen de inboedelgoederen in onderling overleg dienen te verdelen met gesloten beurzen en dat ieder der partijen de persoonlijke spullen toekomt zonder verrekening van de waarde. Volgens de man heeft de vrouw spullen meegenomen uit het huis. Zij heeft niet laten weten wat zij heeft meegenomen en wat zij nog van de inboedel wenst. Volgens de man heeft de vrouw hem benadeeld door haar handelswijze en dient zij dit te vergoeden door de helft van de marktwaarde van de inboedel aan hem te betalen, waarvan de waarde door een taxateur moet worden vastgesteld. Mocht de man alvast een bedrag noemen dan zal hij akkoord gaan met € 5.000,-.
Ter zitting in hoger beroep heeft de man hieraan toegevoegd dat de inboedel is gekocht in november 2023 en dat het in januari 2024 al stuk liep tussen partijen. De man is van mening dat bij de bepaling van de waarde van de inboedel uitgegaan kan worden van de Nibudnormen, op grond waarvan de waarde € 12.400, - zou bedragen, welke bij helfte gedeeld moet worden.
5.10.
De vrouw betwist dat zij inboedel heeft meegenomen. Zij beschikt niet over inboedel en ook niet over een plek om het op te slaan. De vaatwasser heeft zij verkocht voor € 300,- om verschillende lasten te betalen. Volgens de vrouw hebben de inboedelgoederen geen tot weinig waarde meer. Zij kan instemmen met het verzoek van de man tot taxatie indien de kosten van die taxatie volledig voor zijn rekening komen.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw hieraan toegevoegd dat een aantal inboedelzaken is opgeslagen in een box en dat de man mag kiezen uit die inboedelgoederen wat hij wil.
5.11.
Het hof zal het verzoek van de man met betrekking tot de inboedel afwijzen en overweegt daartoe als volgt. De man stelt dat de inboedel een hoge waarde vertegenwoordigt, maar hij heeft die stelling op geen enkele wijze nader (met stukken) onderbouwd. Hij heeft geen lijst overgelegd van zaken die volgens hem tot de inboedel behoren. De man kan niet volstaan met een (overigens pas ter zitting in hoger beroep gedane) verwijzing naar de Nibudnormen. Het hof zal de beschikking waarvan beroep op dit punt dan ook bekrachtigen. De vrouw heeft aangegeven dat enkele inboedelgoederen zijn opgeslagen in een box, de man kan in overleg met de vrouw de inboedelgoederen kiezen die hij uit de opslag wil hebben. Het is verder aan partijen om hierover in overleg te treden.
5.12.
Uit het voorgaande volgt dat alle grieven van de man in principaal hoger beroep falen en dat zijn verzoeken worden afgewezen.
Incidenteel hoger beroep
5.13.
De vrouw doet in incidenteel hoger beroep twee verzoeken in verband met door haarzelf en door haar vader betaalde lasten van de echtelijke woning in de periode van januari 2024 tot en met november 2024. Zij heeft ter onderbouwing van haar verzoeken het volgende aangevoerd.
De vrouw moest na het vertrek van de man in januari 2024 alle lasten van de echtelijke woning in haar eentje voldoen. Haar inkomen was onvoldoende en zij heeft bovendien een periode geen baan gehad. De vrouw heeft een overzicht gemaakt van de verschillende lasten die zij moest voldoen per maand, waaronder de hypotheek. Zij komt uit op een bedrag van in totaal € 2.505,- per maand. Om de lasten in die periode te kunnen betalen, heeft de vrouw onder meer haar sieraden moeten verpanden en heeft zij de auto en de vaatwasser verkocht. Zij heeft berekend dat haar vader in de periode van januari 2024 tot en met november 2024 heeft bijgedragen in de lasten van de echtelijke woning met een bedrag van tenminste € 21.755,-. Zij is van mening dat ieder van partijen de helft dient terug te betalen aan haar vader.
De vrouw heeft daarnaast berekend dat zij zelf in deze periode in totaal een bedrag van € 9.820,- heeft betaald aan de door haar opgesomde lasten. Zij verzoekt daarom te bepalen dat de man de helft van dit bedrag aan haar betaalt.
5.14.
De man heeft zich ter zitting in hoger beroep tegen de verzoeken van de vrouw verweerd. De man stelt kort samengevat dat de verzoeken van de vrouw onvoldoende duidelijk zijn. De vrouw stelt dat er sprake is van een schuld aan haar vader, maar niet duidelijk is welke bedragen door hem zijn betaald en wanneer er een bedrag zou zijn geleend van hem. De man wist hier niks van. Ook het verzoek van de vrouw met betrekking tot de door haar betaalde bedragen is onvoldoende duidelijk. Zo heeft zij bijvoorbeeld € 200,- per maand aan energiekosten opgevoerd terwijl zij bijna meteen na het vertrek van de man bij haar moeder is gaan wonen en zij de woning pas eind december 2024 heeft verhuurd.
5.15.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw om te bepalen dat partijen een bedrag aan de vader van de vrouw dienen te betalen, overweegt het hof dat in deze echtscheidingsprocedure de man niet veroordeeld kan worden om aan de vader van de vrouw een bedrag te betalen. De vader van de vrouw is immers geen partij in deze procedure. Als er sprake zou zijn van een schuld van partijen aan de vader van de vrouw zou het verzoek van de vrouw zo begrepen kunnen worden dat zij het hof verzoekt om vast te stellen dat partijen ieder draagplichtig zijn voor de helft van deze schuld. De vrouw heeft echter, tegenover de betwisting door de man, niet dan wel volstrekt onvoldoende onderbouwd dat partijen een schuld hebben aan haar vader. Zo zijn er geen stukken overgelegd waaruit een lening van de vader aan partijen kan worden afgeleid of van betalingen door de vader ten behoeve van of aan partijen. Het hof zal dit verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
5.16.
De vrouw heeft verder verzocht om te bepalen dat de man een bedrag aan haar moet betalen in verband met kosten die zij heeft gedragen in de periode van januari 2024 tot en met november 2024. Het hof stelt voorop dat de vrouw in haar verzoek geen onderscheid heeft gemaakt tussen de periode vóór de peildatum (24 maart 2024) en de periode erna.
Ter onderbouwing van haar verzoek en de daaraan ten grondslag liggende berekening heeft de vrouw een lijstje opgesomd van maandelijkse kosten die op de woning betrekking zouden hebben. Dit lijstje is echter niet met stukken onderbouwd. Daarnaast zijn, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet van alle lasten op dit lijstje duidelijk waar zij betrekking op hebben. Er is geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen eigenaars- en gebruikerslasten.
Verder is in het lijstje een bedrag van € 205,- per maand opgenomen in verband met de lening bij Lender en Spender, terwijl - naar het lijkt - niet op die schuld is afgelost in de betreffende periode. De vrouw stelt in haar inleidend verzoek tot echtscheiding van 24 maart 2024 dat de betalingsachterstand van de schuld € 20.132,- is. Uit de nota van afrekening van de echtelijke woning blijkt dat € 15.491,80 is afgelost op de schuld. In haar verweerschrift in hoger beroep stelt de vrouw dat de schuld in totaal € 20.000 bedroeg en na voornoemde aflossing nog € 4.508,20. Hieruit lijkt te volgen dat niet op de schuld is afgelost in de periode waarop het verzoek van de vrouw ziet. Daarnaast is dit een schuld van partijen waarvoor de man voor de helft draagplichtig is en waarvoor de vrouw uit hoofde van regres een vordering op de man heeft voor zover zij na de peildatum meer dan de helft heeft betaald.
Verder zijn er in het lijstje van de vrouw energiekosten van € 200,- per maand opgenomen, waarover de man heeft opgemerkt dat onduidelijk is waarom deze kosten zo hoog waren gelet op het feit dat een lange periode niemand in de woning verbleef. De vrouw heeft hier geen verklaring voor gegeven.
Dit alles maakt dat de vrouw haar verzoek – ook in het licht van de gemotiveerde betwisting van de kant van de man - onvoldoende heeft onderbouwd. Hoewel de man in de door de vrouw genoemde periode op geen enkele manier heeft bijgedragen in de lasten kan het hof op grond van hetgeen door de vrouw is aangevoerd niet vaststellen dat de man het door haar berekende bedrag aan haar dient te voldoen. Het hof merkt hierbij op dat ten aanzien van de opeisbare aflossingen op de hypotheek na de peildatum geldt, dat deze in beginsel voor de helft door de man gedragen hadden moeten worden, omdat de hypotheekschuld van partijen met deze betaling is gedaald (welke schuld de man bij helfte diende te dragen). Het hof kan echter bij gebrek aan voldoende informatie niet vaststellen in hoeverre de vrouw regres heeft in verband met door haar betaalde aflossingen op de hypotheek in de periode na de peildatum tot de verkoop van de woning.
5.17.
Uit het voorgaande volgt dat ook de verzoeken van de vrouw in incidenteel hoger beroep worden afgewezen.
5.18.
Het hof ziet gelet op de aard en uitkomst van de procedure geen aanleiding de man in de kosten van de procedure te veroordelen in eerste aanleg en in hoger beroep, zoals door de vrouw is verzocht. Het hof zal deze kosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof:
in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Subelack, mr. H.A. van den Berg en mr. M.L. van der Bel, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 17 maart 2026 uitgesproken in het openbaar door de voorzitter.