ECLI:NL:GHAMS:2026:781
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging omgangsregeling met opbouw naar onbegeleide omgang tussen vader en kind
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland waarin een opbouwende omgangsregeling tussen de vader en zijn dochter is vastgesteld, met als doel onbegeleide omgang binnen twaalf maanden.
De moeder verzet zich tegen deze regeling en wil een minder frequente, begeleide omgangsregeling, terwijl de vader instemt met de rechtbanksbeslissing. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren het contact op te bouwen en te continueren onder begeleiding, met het oog op het belang van het kind.
Tijdens de zitting en op basis van rapportages blijkt dat de omgang positief verloopt, hoewel het kind spanning ervaart. Het hof oordeelt dat de omgangsregeling van de rechtbank passend is en dat een te beperkte omgangsregeling niet bijdraagt aan het verminderen van spanning of het opbouwen van een goede relatie.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep van de moeder af, met het advies om de moeder ook te betrekken bij het begeleidingsproces zodat het kind niet belast wordt met de uitvoering van de omgang.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de omgangsregeling van de rechtbank met opbouw naar onbegeleide omgang en wijst het beroep van de moeder af.