Uitspraak
Procesgang
Onderzoek van de zaak
6 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Vonnis waarvan beroep
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
30 januari 2026 ingenomen standpunt, gevorderd dat het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, wordt vastgesteld op € 284.136,24.
9 augustus 2022 aanpassing behoeven.
In de eerste plaatsdient de post ‘beginsaldo’ te worden vastgesteld op een hoger bedrag, namelijk op € 48.115,70. Blijkens het door de betrokkene overgelegde kasboek genereerde de betrokkene immers sinds juni 2011 als zanger contante inkomsten en woonde hij tussen 2011 en 2015 nog bij zijn ouders waardoor hij een aanzienlijk deel hiervan heeft kunnen sparen.
In de tweede plaatsdient de post ‘legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen’ te worden vastgesteld op een hoger bedrag, namelijk op € 278.864,00. Bij het in het ontnemingsrapport van
9 augustus 2022 vermelde bedrag van € 222.864,00 dienen namelijk de bedragen te worden opgeteld die verband houden met de schenking van de schoonouders van de betrokkene (€ 25.000,00), de betalingen van [persoon 1] en [persoon 2] aan de betrokkene en/of [bedrijf 2] BV voor het gebruik van huurauto’s (€ 6.000,00) en de betaling van [persoon 3] aan de betrokkene in verband met de verkoop van een Mercedes Benz (€ 25.000,00). Gecombineerd met het begin- en het eindsaldo had de betrokkene ((48.115,70 + 278.864,00) - 6.990,00 =) € 319.989,70 beschikbaar voor het doen van uitgaven.
In de derde plaatsdient de post ‘werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen’ te worden vastgesteld op een lager bedrag, namelijk op € 374.450,44. Van het bedrag aan bouwkosten dat is genoemd in het ontnemingsrapport van 9 augustus 2022 dienen volgens de raadsvrouw de bedragen te worden afgetrokken die verband houden met opslagen en BTW, de te hoog geschatte bouwkosten en de door de vader van de betrokkene betaalde kosten. In voornoemd ontnemingsrapport wordt namelijk ten onrechte er van uitgegaan dat veel meer moet worden afgebouwd dan in werkelijkheid het geval was en wordt ten onrechte verondersteld dat sprake was van hoge kosten als gevolg van de inschakeling van (een) (professionele) (onder)aannemer(s). Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel (319.989,70 - 374.450,44 =) € 54.460,74 bedraagt.
niethet aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 18 januari 2023. Reden hiervan is dat dit aanvullende rapport is opgemaakt naar aanleiding van onder meer het door de betrokkene verstrekte kasboek over de jaren 2011 tot en met 2021. Het hof is van oordeel dat dit kasboek teveel hiaten bevat om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene op te baseren. Zo blijkt uit dat kasboek dat het saldo vanaf april 2019 negatief wordt, hetgeen een feitelijke onmogelijkheid is. Daarnaast blijkt uit een analyse dat in de jaren 2017 (viermaal), 2018 (eenmaal) en 2019 (eenmaal) dubbele factuurnummers worden gebruikt en dat in de jaren 2017, 2018 en 2020 sprake is van ontbrekende factuurnummers. In de jaren 2016, 2017 en 2018 is bovendien sprake van dubbele boekingen waarbij, volgens de administratie van de betrokkene, bepaalde betalingen tegelijkertijd per bank en contant worden voldaan. Verder ontbreken in de administratie de bedragen die de betrokkene van [persoon 2] en [persoon 4] zou hebben ontvangen ten behoeve van de betalingen aan [bedrijf 2] BV. Het niet-vermelden van inkomsten vindt ook plaats met betrekking tot de verkoop van cd’s en de ontvangst van sponsorgelden. De betrokkene stelt dat hij van verschillende personen sponsorgelden ontving, maar deze transacties zijn niet terug te vinden in zijn kasboek. Dat het kasboek incompleet is, wordt ook bevestigd door de betrokkene zelf. Geconfronteerd met de bevinding dat een verkochte cd bij een optreden niet is terug te vinden in het kasboek, verklaarde de betrokkene: “
Nee maar als ik er twee verkoop gaat het om € 20 dat ga ik er niet in zetten hoor” (proces-verbaal van verhoor verdachte op 11 januari 2023, pagina 7, doorgenummerde pagina 20). Het primaire verweer van de raadsvrouw wordt om deze reden verworpen.
€ 10.000,00.
€ 288.864,16.
€ 6.990,00. [10] De hoogte van dit bedrag is door de advocaat-generaal en de verdediging ook niet betwist.
€ 291.874,16 beschikbaar had voor het doen van uitgaven.
€ 36.750,00. De hoogte van dit bedrag is door de advocaat-generaal en de verdediging ook niet betwist.
€ 406.631,47 werkelijk contant heeft uitgegeven inclusief bankstortingen.
(291.874,16 - 406.631,47 =) € - 114.757,31. Hieruit volgt dat sprake is van onbekende ontvangsten. Men kan immers niet meer uitgeven dan men aan geld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende contante ontvangstenbron. Van deze onbekende ontvangstenbron van € 114.757,31 kan worden aangenomen dat deze ten minste gelijk is aan het wederrechtelijk verkregen voordeel.
wederrechtelijk verkregen voordeelworden geschat op (114.757,31 - 4.100 + 8.000 =)
€ 118.657,31.
Verplichting tot betaling aan de Staat
€ 118.657,31.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
BESLISSING
118.657,31 (honderdachttienduizend zeshonderdzevenenvijftig euro en eenendertig cent).
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 118.657,31 (honderdachttienduizend zeshonderdzevenenvijftig euro en eenendertig cent).