Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:769

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
000749-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding kosten rechtsbijstand na sepot wegens noodweerexces

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand in verband met een strafzaak die eindigde in een voorwaardelijk beleidssepot. De rechtbank had de verzoeken afgewezen omdat appellant zijn eigen gedrag, het naar buiten komen met een mes, aan de situatie had te wijten.

De advocaat-generaal adviseerde het hoger beroep af te wijzen, stellende dat een beroep op noodweer(exces) niet zou slagen. Appellant en zijn advocaat voerden aan dat sprake was van een bedreigende situatie en dat door het sepot geen onderzoek naar noodweerexces had kunnen plaatsvinden.

Het hof overwoog dat de onschuldpresumptie vereist dat de motivering van de beslissing niet mag impliceren dat appellant schuldig is aan een strafbaar feit. Omdat nader onderzoek naar noodweer(exces) in deze procedure niet mogelijk is en verwerping van het standpunt van appellant dit wel zou betekenen, vernietigde het hof de beschikking en kende het op gronden van billijkheid de gevraagde vergoeding toe voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en de verzoekschriftprocedures.

De vergoeding bedraagt in totaal €3.319,00 en wordt aan appellant toegekend. De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 18 maart 2026.

Uitkomst: Het hof kent vergoeding toe voor kosten rechtsbijstand na sepot wegens noodweerexces.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer 000749-25 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 15-224430-21
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 28 augustus 2023 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1967,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. A.E.M.C. Koudijs,
Wilhelminapark 37, 3581 NJ Utrecht.

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 22 september 2023 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Op 17 december 2025 is het standpunt van de advocaat-generaal kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 28 januari 2026 de advocaat-generaal, appellant en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep met het verzoek onder c - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 2.299,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00.
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.
De rechtbank heeft het de verzoeken onder a en b afgewezen omdat appellant de gemaakte kosten voor rechtsbijstand aan zijn eigen gedrag te wijten heeft. Uit het strafdossier valt op te maken dat appellant boos naar buiten is gekomen met een mes in zijn handen. In zijn verhoor als verdachte heeft appellant verklaard dat hij dit gedaan heeft nadat hij hoorde dat er tegen zijn deur werd getrapt waardoor hij het gevoel had dat hij zijn huis moest beschermen. In het geval van appellant heeft de officier van justitie een voorwaardelijk beleidssepot afgegeven op grond van het feit dat appellant ook zelf getroffen was door het gebeurde en de gevolgen daarvan. Dit betekent dat de strafzaak weliswaar ten einde is gekomen zonder oplegging van straf of maatregel, maar niet vanwege gebrek aan bewijs of dat verzoeker ten onrechte als verdachte zou zijn aangemerkt.
De advocaat-generaal heeft geadviseerd het appel af te wijzen gelet op de omstandigheden die uit het dossier blijken en waaruit ook naar voren komt dat een beroep op noodweer(exces) niet zou kunnen slagen.
De advocaat van verzoeker en verzoeker hebben gepersisteerd bij toewijzing van het verzoek. Volgens de advocaat van appellant was sprake van een bedreigende situatie en zou sprake zijn van noodweer(exces). Door het sepot heeft hier geen onderzoek naar kunnen plaatsvinden.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dit betekent enerzijds dat bij verzoeken op de voet van de artikelen 530 en 533 Sv als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Deze oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals (ook) neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De onschuldpresumptie verlangt dat – ongeacht de aard van de aan de strafzaak gekoppelde procedure en ongeacht de vraag of de strafprocedure is geëindigd met een vrijspraak dan wel een sepot – de motivering van het oordeel in de gekoppelde procedure (in casu: de onderhavige verzoekschriftprocedure) niet alsnog neerkomt op het uiten van de mening dat hij of zij zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van een strafrechtelijke norm en daarmee aan het plegen van een strafbaar feit (EHRM (GK) 11 juni 2024, appl. nos. 32483/19 & 35049/19, Nealon & Hallam t. het Verenigd Koninkrijk).
Het hof stelt vast dat de zaak tegen appellant is geëindigd met een sepot. Niet in het geding is dat verzoeker met een mes in zijn handen naar buiten is gekomen. Appellant heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat sprake was van een noodweersituatie waartegen hij zich mocht verdedigen en dus van noodweer(exces). Voor een nader onderzoek naar de juistheid van dit standpunt is in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige geen ruimte. Bij verwerping van het standpunt van appellant (zonder nader onderzoek) zou dit neerkomen op het uiten van de mening dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van een strafrechtelijke norm. Hiermee zou de grens van de oordeelsvrijheid worden overschreden. Het hof zal de beschikking waarvan beroep derhalve vernietigen en opnieuw recht doen.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand:
  • in de strafzaak ten bedrage van € 2.299,00;
  • in de onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg tot een bedrag van 680,00;
  • in de onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep tot een bedrag van € 340,00.

4.Beslissing

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst het verzochte toe.
Kent aan appellant een vergoeding toe van € 3.319,00 (drieduizend driehonderdnegentien euro).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. N.R.A. Meerbeek, A.P.M. van Rijn en R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 18 maart 2026.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 3.319,00 (drieduizend driehonderdnegentien euro) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. mr. A.E.M.C. Koudijs o.v.v. schadevergoeding [verzoeker] 15/224430-21.
Amsterdam, 18 maart 2026,
mr. N.R.A. Meerbeek, voorzitter.