Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand in verband met een strafzaak die eindigde in een voorwaardelijk beleidssepot. De rechtbank had de verzoeken afgewezen omdat appellant zijn eigen gedrag, het naar buiten komen met een mes, aan de situatie had te wijten.
De advocaat-generaal adviseerde het hoger beroep af te wijzen, stellende dat een beroep op noodweer(exces) niet zou slagen. Appellant en zijn advocaat voerden aan dat sprake was van een bedreigende situatie en dat door het sepot geen onderzoek naar noodweerexces had kunnen plaatsvinden.
Het hof overwoog dat de onschuldpresumptie vereist dat de motivering van de beslissing niet mag impliceren dat appellant schuldig is aan een strafbaar feit. Omdat nader onderzoek naar noodweer(exces) in deze procedure niet mogelijk is en verwerping van het standpunt van appellant dit wel zou betekenen, vernietigde het hof de beschikking en kende het op gronden van billijkheid de gevraagde vergoeding toe voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en de verzoekschriftprocedures.
De vergoeding bedraagt in totaal €3.319,00 en wordt aan appellant toegekend. De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 18 maart 2026.