Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:729

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
23-002280-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis jeugdige verdachte voor straatroof met geweld en poging tot diefstal in vereniging

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 17 maart 2026 het hoger beroep behandeld van een jeugdige verdachte tegen het vonnis van de kinderrechter van 19 september 2025. De zaak betrof straatroof en poging tot diefstal in vereniging, waarbij geweld tegen personen werd gebruikt om de diefstal te vergemakkelijken.

De verdediging voerde aan dat er twijfel bestond over de rol van de verdachte en het opzet op het delict, met een alternatief scenario waarin het om oplichting zou gaan. Het hof verwierp dit verweer omdat alleen theoretische mogelijkheden werden aangedragen zonder concreet alternatief scenario.

Daarnaast werd betoogd dat de verdachte niet opzettelijk betrokken was bij het geweld. Het hof oordeelde dat het voorwaardelijk opzet op de geweldscomponent bewezen is, omdat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er geweld zou worden gebruikt, mede gelet op zijn actieve rol in de voorbereiding en communicatie.

Het hof bevestigde het vonnis van de kinderrechter en legde een werkstraf van 60 uren op, met 30 dagen vervangende jeugddetentie. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis van de kinderrechter en legt een werkstraf van 60 uren en 30 dagen vervangende jeugddetentie op.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002280-25
datum uitspraak: 17 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 19 september 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-150650-25 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de kinderrechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen. Het hof zal wel de bewijsmotivering van de kinderrechter op pagina 8 van de aantekening van het mondelinge vonnis aanvullen, naar aanleiding van door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren.
Ad 1. Alternatief scenario
De raadsman heeft – overeenkomstig zijn ter zitting overgelegde pleitnotities – primair bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat twijfel bestaat over de rol van de verdachte en de opzet op het delict. Het initiële plan zou oplichting kunnen zijn geweest, waarbij het horloge zou kunnen worden omgewisseld of afgegeven in plaats van weggenomen. Het is denkbaar dat het wellicht een plan B was van één persoon om over te gaan tot diefstal met geweld.
Het hof constateert dat door de raadsman namens de verdachte enkel wordt geopperd dat er andere scenario’s denkbaar zijn die niet worden uitgesloten door het beschikbare bewijsmateriaal. Een betoog waarin uitsluitend op die theoretische – in de zin van: bedachte – mogelijkheid wordt gewezen, kan aan de toereikendheid van het bewijs niet afdoen. Wil er sprake zijn van een verweer waaraan de feitenrechter niet zonder nadere motivering mag voorbijgaan, dan moet de verdediging zich op het standpunt stellen dat de werkelijke gang van zaken anders is geweest – en niet alleen anders kan zijn geweest – dan men op het eerste gezicht zou denken. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake. Het hof verwerpt het verweer.
Ad 2. (voorwaardelijk) opzet op geweldscomponent
De verdediging heeft subsidiair bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de geweldscomponent. Daartoe is aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte lijfelijk aanwezig was, dan wel dat hij één van de (twee) personen is geweest die zich van het plan van zijn mededader(s) heeft gedistantieerd door weg te rennen. Het voorwaardelijk opzet op het geweld kan niet volgen uit de vermeende rol van de verdachte.
Het hof stelt voorop dat het opzet van de verdachte als medepleger tevens gericht dient te zijn op het bewezenverklaarde, (door de medeverdachte) uitgevoerde, geweld of de bedreiging met geweld. Dit opzet op het grondfeit van verdachte hoeft evenwel niet een precies karakter te hebben; een wat andere invulling en afloop van het grondfeit dan de verdachte als medepleger voor ogen stond, of de omstandigheid dat de verdachte niet op de hoogte was van de precieze gedragingen van zijn mededader(s), valt in beginsel niet buiten het opzet van verdachte. Het opzet van de verdachte kan ook bestaan in de zin van voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte in dezen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de diefstal zou kunnen worden voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Hoewel uit de gebezigde bewijsmiddelen niet is af te leiden dat van tevoren afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop het Rolex horloge van de aangever afhandig moest worden gemaakt, blijkt daar wel uit dat de verdachte vanaf het begin betrokken is geweest bij het leggen- en houden van contact met de aangever, in verband met de aankoop van een Rolex horloge met een afgesproken koopsom van € 9.850. Daartoe heeft de verdachte onder een valse naam via [website] een afspraak gemaakt en de aangever (tot kort voor de ontmoeting) geïnstrueerd om naar de ontmoetingsplek te komen, waar hij – naar later bleek – zou worden geconfronteerd met drie personen. In de gegeven omstandigheden was er sprake van een reële mogelijkheid – gelet op de waarde van het Rolex horloge – dat de aangever weerstand zou bieden en dat de voorgenomen diefstal samen zou kunnen gaan met (bedreiging met) geweld
.Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ingeval van weerstand door de aangever er geweld aan te pas zou kunnen komen. Dat de verdachte mogelijk niet lijfelijk aanwezig is geweest doet daar niet aan af. Het hof verwerpt het verweer.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A.R.O. Mooy, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 maart 2026.