Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:728

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
23-002009-20
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verboden wapenbezit en witwassen met aangepaste strafoplegging

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam bevestigd voor het ten laste gelegde verboden wapenbezit en witwassen, met uitzondering van de strafoplegging die het hof vernietigde en opnieuw bepaalde. De verdachte werd veroordeeld voor het bezit van geladen vuurwapens in een woning en het witwassen van een groot contant geldbedrag.

Het hof vulde de bewijsoverwegingen van de rechtbank aan en oordeelde dat verklaringen van de verdachte en getuigen geen aanleiding gaven tot een andere bewijsbeslissing. De strafoplegging werd aangepast vanwege de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van vuurwapengeweld en witwassen, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Hoewel er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, werd deze grotendeels toegerekend aan de verdediging. Het hof legde een gevangenisstraf van 386 dagen op, gelijk aan de duur van het voorarrest, en een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. Tevens werd het in beslag genomen geld verbeurd verklaard, waarbij een verzoek van de verdachte om dit bedrag te gebruiken voor een schadevergoeding werd afgewezen.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 19 januari 2026.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 386 dagen gevangenisstraf en 120 uur taakstraf, met verbeurdverklaring van het in beslag genomen geld en wapens.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002009-20
datum uitspraak: 19 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-728070-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
adres: [adres] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2025 en 5 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van de rechtbank weergegeven in § 3.3 onder ‘
Witwassen (feit 2)’ aanvult met het navolgende.

Aanvulling op de bewijsoverweging van de rechtbank

Het hof vult de bewijsoverweging van de rechtbank ter zake van feit 2, het witwassen, aan met de volgende overweging.
De verklaring afgelegd door de verdachte tijdens diens politieverhoor van 14 augustus 2023 en de verklaringen afgelegd door getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris op 9 januari 2024 doen niet af aan de in het vonnis van de rechtbank opgenomen overwegingen en brengen het hof dus niet tot een andersluidende bewijsbeslissing.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft het hof verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en aan hem een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daartoe heeft de raadsman tevens aangevoerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit en daarnaast aan witwassen van een groot contant geldbedrag. Verboden vuurwapenbezit leidt helaas dikwijls tot vuurwapengeweld, met alle maatschappelijke schade en persoonlijk leed van dien. In het geval van de verdachte was bovendien sprake van vuurwapenbezit in een woning. Daarnaast waren de beide wapens geladen, terwijl het dossier aanwijzingen geeft dat de aanwezigheid van beide wapens plaats had in de context van verschillende vormen van criminaliteit. De schade die in de samenleving kan worden aangericht met dergelijke wapens is enorm. Dit zorgt dan ook voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Daarnaast vormt het witwassen van geld dat uit misdrijf afkomstig is, een bedreiging voor de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde. Witwassen bevordert het plegen van delicten, omdat door het wegsluizen van crimineel geld en/of het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden de opsporing van de onderliggende misdrijven wordt bemoeilijkt en zonder witwassen het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.
Het hof heeft kennis genomen van een uittreksel van het strafblad van de verdachte van 25 november 2025 en heeft dit betrokken bij zijn beraadslaging over de op te leggen straffen.
Het hof stelt verder vast dat er in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van meer dan drie jaar. Het hof overweegt hierover dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zo niet in volle omvang dan toch in elk geval grotendeels aan de verdediging te wijten is. De verdachte heeft verzocht om twee getuigen te doen horen, maar wilde voorafgaand aan deze verhoren eerst zelf nog een nieuwe verklaring afleggen. Vervolgens heeft de verdediging vanaf 2021 lange tijd nagelaten om te reageren op het verzoek van de politie om een verhoor met de verdachte in te plannen. Pas na vele malen rappelleren is het uiteindelijk op 14 augustus 2023 tot een verhoor van de verdachte gekomen, waarna de verhoren van de getuigen ingepland konden worden. Omdat het tijdsverloop in hoger beroep voor het overgrote deel toegeschreven kan worden aan het niet reageren van de verdediging, zal het hof het hof volstaan met de enkele constatering van de inbreuk.
Gezien de ernst van de feiten en het feit dat de verdachte in het verleden al eens is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke misdrijven zou een straf zoals geëist door de advocaat-generaal alleszins in de rede liggen. Toch ziet het hof in hetgeen over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in hoger beroep naar voren is gebracht, reden om aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal geëist. Alles afwegende zal het hof overgaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Beslag

Verbeurdverklaring
Onder de verdachte is een groot contant geldbedrag in beslag genomen. Dit geld wordt verbeurd verklaard, omdat het bewezen verklaarde witwassen daarmee is begaan.
Verdachte is in een eerdere zaak veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan mevrouw [persoon 1] , die hij zou hebben opgelicht. Verdachte heeft verzocht om het in beslag genomen geldbedrag niet verbeurd te verklaren, maar te bepalen dat het bedrag moet worden gebruikt om de schadevergoeding aan mevrouw [persoon 1] mee te betalen. Het hof wijst dat verzoek af. Allereerst omdat de wet die mogelijkheid niet kent. Los daarvan is het ook niet aannemelijk dat het geld dat in beslag is genomen, het geld is dat afkomstig is van mevrouw [persoon 1] , en daarmee in de visie van verdachte eigenlijk aan haar zou toebehoren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
386 (driehonderdzesentachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- Geld Euro
5902819
- Geld Euro
5902939.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1.00 STK Zaktelefoon PGP VAMART
5902005
25.00 STK Munitie
5901906
1.00 STK Patroonhouder
5901912
1.00 STK Wapen
5901913
1.00 STK Paspoort
5901916
1.00 STK Pistool
WALTHER PK 380
5903275
4.00 STK Munitie
5903278
1.00 STK Koffer WALTHER
5903296; pistool koffer.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Heft op het -op 21 april 2021 geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.M.G. de Weerd, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 januari 2026.
Mr. A.C. Huisman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]
[…]