In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam is de verdachte veroordeeld voor verkrachting gepleegd op of omstreeks 31 maart 2018 in de woning van het slachtoffer te Amsterdam. Het hof acht de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en vindt deze gesteund door medisch bewijs van letsel en andere bewijsmiddelen.
De verdachte heeft het slachtoffer met geweld en bedreiging gedwongen tot meerdere seksuele handelingen, waaronder penetratie met penis en vinger, terwijl het slachtoffer zich verzette. Het letsel aan nek en kaak van het slachtoffer sluit niet aan bij het door de verdachte gesuggereerde scenario van ruwe, maar consensuele seks.
De straf is vastgesteld op 33 maanden gevangenisstraf, lager dan de rechtbank opgelegde 36 maanden, vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast is een immateriële schadevergoeding van €10.000 toegekend aan het slachtoffer, gebaseerd op de Rotterdamse Schaal en de ernst van het feit.
Het hof wijst verzoeken van de verdediging om aanvullend getuigenverhoor en tegenonderzoek letselrapportage af wegens onvoldoende noodzaak en relevantie. De verdachte wordt vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen zijn.
De uitspraak benadrukt de ernstige impact van het delict op het slachtoffer, waaronder langdurige psychische en fysieke klachten, en bevestigt de noodzaak van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf als reactie op verkrachting met geweld.