Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:651

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23-001363-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Vreemdelingenwet 2000Art. 6 SchengengrenscodeArt. 395a Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs van uitvoering vlucht door verdachte

In hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter Noord-Holland werd verdachte, een onderneming, beschuldigd van het niet naleven van toezicht- en controleverplichtingen bij het vervoer van een vreemdeling naar Nederland.

De tenlastelegging betrof het niet nemen van de nodige maatregelen om te voorkomen dat een vreemdeling zonder geldig reisdocument of visum Nederland binnenkwam via een vlucht vanaf Dublin.

Het hof nam kennis van het dossier en concludeerde dat het vervoer was uitgevoerd door een 100% dochtermaatschappij van de verdachte, een aparte rechtspersoon. Hierdoor kon niet worden bewezen dat de verdachte zelf de uitvoerder van de vlucht was.

Op basis hiervan vernietigde het hof het vonnis van de kantonrechter en sprak de verdachte vrij van het tenlastegelegde. De vrijspraak werd ondersteund door de advocaat-generaal en de verdediging.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet bewezen is dat zij de uitvoerder was van de vlucht.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001363-25
datum uitspraak: 12 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 20 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-258447-24 tegen
[bedrijf 1] N.V.,
gevestigd te [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2025 en 12 maart 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadslieden naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 3 mei 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, als vervoerder (vanaf de luchthaven Dublin met vluchtnummer [nummer] ) door wiens tussenkomst de vreemdeling, genaamd [persoon] , geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] (Nigeria), aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen en/of niet het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs van haar kon worden gevorderd om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder b, van de Schengengrenscode of artikel 3, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, door niet of onvoldoende te controleren of die vreemdeling in het bezit was van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit was van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbrak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak

Het hof is, evenals de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De
boardingpassin het dossier vermeldt ‘BY: [bedrijf 2] ’, waaruit het hof opmaakt dat het vervoer van de passagier is uitgevoerd door de onderneming [bedrijf 2] B.V. Uit het door de verdediging overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel van 25 september 2025 blijkt dat [bedrijf 1] enig aandeelhouder is van deze onderneming. [bedrijf 2] B.V. is een 100% dochtermaatschappij van [bedrijf 1] , en daarmee een separate rechtspersoon van [bedrijf 1] . Omdat [bedrijf 2] een aparte entiteit is van [bedrijf 1] kan niet worden bewezen dat de verdachte de uitvoerder was van vlucht [nummer] .

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 maart 2026.