Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:616

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.361.531
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot schorsing concurrentie- en relatiebeding in hoger beroep

In deze civiele zaak vordert appellant in hoger beroep de (gedeeltelijke) schorsing van het concurrentie- en relatiebeding uit zijn arbeidsovereenkomst met geïntimeerde, een boekingskantoor voor artiesten. Appellant was senior agent en kreeg een promotie met een addendum waarin de bedingen zijn opgenomen. Na zijn opzegging vordert hij onder meer beperking of schorsing van deze bedingen.

De kantonrechter wees de vorderingen af, waarbij werd geoordeeld dat geïntimeerde een zwaarwegend belang heeft bij handhaving van de bedingen vanwege de bijzondere positie van appellant, de overlap in artiesten en het bedrijfsbelang. Het hof bevestigt dit oordeel en wijst de grieven van appellant af. Het hof oordeelt dat [naam 2] en WME concurrerende partijen zijn en dat het concurrentiebeding niet onredelijk is in duur of reikwijdte.

Ook het relatiebeding wordt gehandhaafd, waarbij het hof bevestigt dat de genoemde artiesten en partijen onder het beding vallen. De duur van het relatiebeding wordt passend beperkt tot twaalf maanden. Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen tot schorsing van het concurrentie- en relatiebeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.361.531/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11872815 \ KK EXPL 25-597
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2026
inzake
[appellant],
wonende te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. S.B. Piekaar-Bouthoorn te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde],
gevestigd te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.C.M. Andriessen te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
[appellant] is bij spoedappeldagvaarding van 6 november 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 9 oktober 2025, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis). De appeldagvaarding bevat de grieven en is voorzien van producties.
[geïntimeerde] heeft daarna een memorie van antwoord, met producties, ingediend.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 6 februari 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. Piekaar-Bouthoorn voornoemd en [geïntimeerde] door mr. Andriessen voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
Ten slotte is arrest gevraagd.

2.Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.4. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.
2.1.
[appellant] is op 1 september 2017 in dienst getreden bij [geïntimeerde] als Senior Agent voor onbepaalde tijd. [geïntimeerde] is een boekingskantoor voor artiesten gevestigd in [plaats] .
2.2.
[appellant] heeft met ingang van 1 april 2022 promotie gemaakt. Deze promotie hield onder andere in dat [appellant] verantwoordelijk werd voor de wereldwijde boekingen van de artiest [naam 1] . Bij deze promotie kreeg [appellant] een hoger salaris dat is vastgelegd in een addendum bij de arbeidsovereenkomst. In het addendum staat met betrekking tot een concurrentie- en relatiebeding onder meer het volgende:
“8.1 Gedurende 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, ongeacht de wijze waarop en de reden waarom de arbeidsovereenkomst tot een eind is gekomen, zal het Werknemer verboden zijn om op enigerlei wijze, direct of indirect, gehonoreerd of ongehonoreerd, werkzaam of betrokken te zijn bij enige persoon, instelling, vennootschap of onderneming, die concurrerende, soortgelijke of aanverwante activiteiten ontplooit als Werkgever, of de aan Werkgever gelieerde ondernemingen, dan wel een dergelijke instelling, vennootschap of onderneming te vestigen, te drijven, mede te drijven of te doen drijven, dan wel daarin of daarbij enig belang te hebben, daarbij werkzaam te zijn of daarin een aandeel te hebben.
8.2
Gedurende 24 maanden (…) na het einde van de arbeidsovereenkomst, ongeacht de wijze waarop en de reden waarom de arbeidsovereenkomst tot een eind is gekomen, zal het Werknemer verboden zijn om zelfstandig, in dienstverband of anderszins, op enigerlei wijze, direct of indirect, zakelijke contacten te onderhouden met, zaken te doen met, activiteiten te ontplooien voor, te bemiddelen voor, opdrachten te geven aan of te aanvaarden van of anderszins werkzaamheden te verrichten voor of ten behoeve van artiesten en hun eventuele (artiesten)management of andere vertegenwoordiger of adviseur, waarvoor of waarmee Werknemer in het kader van zijn dienstverband bij Werkgever werkzaamheden heeft verricht, en/of deze te benaderen, aan te trekken, te trachten te benaderen of aan te trekken voor welk doeleinde dan ook.”
2.3.
Op 1 juli 2025 heeft [appellant] zijn arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2025.
2.4.
Op 15 augustus 2025 heeft [geïntimeerde] deze opzegging aan [appellant] bevestigd en daarbij onder meer meegedeeld [appellant] te zullen houden aan het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding.

3.Eerste aanleg

3.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de werking van het concurrentiebeding in het tussen partijen gesloten addendum van 20 juni 2022 te schorsen, primair voor zover het [appellant] beperkt om in dienst te treden bij [naam 2] en WME; subsidiair voor zover het [appellant] beperkt om in dienst te treden bij [naam 2] ; meer subsidiair voor zover het [appellant] beperkt om in dienst te treden bij WME; nog meer subsidiair het concurrentiebeding in duur te beperken tot 1 januari 2026 en in reikwijdte tot concurrenten in [plaats] , althans het concurrentiebeding te schorsen zoals de kantonrechter in de gegeven omstandigheden billijk voorkomt;
de werking van het relatiebeding in het tussen partijen gesloten addendum van 20 juni 2022 te schorsen, primair ten aanzien van [naam 2] en WME; subsidiair ten aanzien van [naam 2] ; meer subsidiair ten aanzien van WME; en nog meer subsidiair het relatiebeding in duur tot 1 januari 2026 te beperken, althans het relatiebeding te schorsen zoals de kantonrechter in de gegeven omstandigheden billijk voorkomt;
de werking van het relatiebeding in het tussen partijen gesloten addendum van 20 juni 2022 te schorsen, primair ten aanzien van [naam 1] , [naam 3] , [naam 4] , en ten aanzien van [naam 5] gedeeltelijk te schorsen voor de regio Noord- en Zuid-Amerika en Azië; en subsidiair het relatiebeding in duur tot 1 januari 2026 te beperken, althans het relatiebeding te schorsen zoals de kantonrechter in de gegeven omstandigheden billijk voorkomt;
[geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.
3.2.
[geïntimeerde] heeft mondeling verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van alle vorderingen van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, met nakosten.
3.3.
De kantonrechter heeft met betrekking tot het concurrentiebeding geoordeeld dat er voorshands van kan worden uitgegaan dat [naam 2] en WME concurrenten zijn in de zin van het concurrentiebeding. Bij de belangenafweging heeft de kantonrechter meegewogen dat de duur van het concurrentiebeding tot één jaar is beperkt en dat [appellant] zelf zijn dienstverband heeft opgezegd. Verder heeft de kantonrechter het volgende overwogen. [geïntimeerde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] tijdens zijn dienstverband specifieke kennis heeft opgedaan over specifieke arbeidsvoorwaarden en de looptijd van contracten van artiesten hetgeen hem de mogelijkheid geeft vanuit [naam 2] en WME hierop in te spelen. [naam 2] en WME hebben specifieke interesse in het bedrijfsdebiet van [geïntimeerde] en er is sprake van een overlap in artiesten. Het komt erop neer dat [appellant] een belangrijke positie bij [geïntimeerde] heeft opgebouwd, intensief heeft samengewerkt met bepaalde relaties en voornemens is over te stappen naar een concurrerende werkgever, om daar met dezelfde relaties verder te werken. Het belang van [appellant] dat hier tegenover staat moet in dit kader wijken voor het belang van [geïntimeerde] , zodat de vordering van [appellant] tot schorsing van het concurrentiebeding zoals primair, subsidiair en meer subsidiair gevorderd, wordt afgewezen. De kantonrechter heeft evenmin grond gezien om de nog meer subsidiaire vordering van [appellant] strekkende tot beperking van het concurrentiebeding in duur en/of reikwijdte toe te wijzen. De kantonrechter heeft voorts met betrekking tot het relatiebeding geoordeeld dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 1] , [naam 2] , WME en [naam 5] onder het relatiebeding vallen. De kantonrechter heeft hiertoe het volgende overwogen. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd toegelicht dat [naam 1] nog steeds onder [geïntimeerde] valt, dat [appellant] in zijn werkzaamheden bij [geïntimeerde] met [naam 2] en WME heeft samengewerkt vanwege overlappende artiesten of omdat een van de boekingsbedrijven als onder-agent voor deze artiesten werkte en dat [naam 5] ook een artiest is die [geïntimeerde] vertegenwoordigt. Ook ten aanzien van [naam 3] en [naam 4] wordt vooralsnog aangenomen dat zij als relatie van [geïntimeerde] moeten worden beschouwd. Deze artiesten hebben niet getekend bij [geïntimeerde] maar kunnen wel als prospect worden gezien. [geïntimeerde] heeft haar belang bij handhaving van het relatiebeding voor [naam 1] en [naam 5] voldoende onderbouwd, aangezien vrees bestaat dat zij naar de nieuwe werkgever van [appellant] overstappen. Ten aanzien van [naam 2] en WME ligt dat anders. Nu is geoordeeld dat [naam 2] en WME voor twaalf maanden onder het concurrentiebeding vallen, ontbreekt een voldoende zwaarwegend belang om [appellant] langer dan twaalf maanden aan het relatiebeding te binden. Ook ten aanzien van Angello en [naam 4] ligt een beperking in de tijd in de rede, aangezien tussen hen en [geïntimeerde] nog geen overeenkomst tot stand is gekomen, aldus steeds de kantonrechter. De kantonrechter heeft hierop het relatiebeding ten aanzien van [naam 2] , WME, [naam 3] en [naam 4] geschorst met ingang van 1 oktober 2026.

4.Beoordeling

4.1.
Tegen een aantal van de hiervoor genoemde beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] onder aanvoering van vijf grieven op. De
grieven 1 en 2richten zich tegen de afwijzing van de vordering van [appellant] tot schorsing van het concurrentiebeding ten aanzien van de boekingskantoren WME en [naam 2] . De
grieven 3, 4 en 5zien op de gedeeltelijke schorsing van het relatiebeding ten aanzien van [naam 2] , WME, [naam 3] en [naam 4] per 1 oktober 2026.
4.2.
[appellant] vordert - na zijn eis ter zitting in hoger beroep te hebben verminderd - dat het hof het bestreden vonnis vernietigt voor zover daarbij zijn vorderingen zijn afgewezen, en dat het hof deze vorderingen alsnog toewijst met dien verstande dat [appellant] zijn hiervoor onder 3.1. sub 3 genoemde vordering is gewijzigd in die zin dat hij thans vordert de werking van het relatiebeding te schorsen, primair ten aanzien van [naam 3] , [naam 4] , en ten aanzien van [naam 5] voor de regio Noord- en Zuid-Amerika en Azië; en subsidiair het relatiebeding in duur te beperken tot 1 januari 2026, althans het relatiebeding te schorsen zoals het hof in de gegeven omstandigheden billijk voorkomt. Tot slot vordert [appellant] dat het hof [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.
4.3.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt voor zover daarbij het relatiebeding is geschorst ten aanzien van [naam 2] , WME, [naam 3] en [naam 4] , de vordering tot schorsing van het relatiebeding ook ten aanzien van deze partijen alsnog integraal afwijst, en het bestreden vonnis voor het overige zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
4.4.
Evenals de kantonrechter is het hof van oordeel dat het spoedeisend belang in deze zaak - dat tussen partijen niet ter discussie staat - volgt uit de aard van de vorderingen.
Concurrentiebeding
4.5.
Met
grief 1bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat [naam 2] en WME concurrenten zijn in de zin van het concurrentiebeding. Volgens [appellant] richten [naam 2] en WME zich op een ander type artiesten dan [geïntimeerde] , namelijk internationale artiesten in diverse muziekgenres, terwijl [geïntimeerde] zich uitsluitend richt op opkomende, Nederlandse muziekartiesten in het elektronische genre. Daarnaast zijn [naam 2] en WME actief in meerdere sectoren zoals sport, theater, mode en film, terwijl [geïntimeerde] zich enkel op de muziekindustrie richt. Er is geen overlap tussen de artiesten, aangezien de markt en artiesten duidelijk verdeeld zijn door wettelijke en commerciële factoren, aldus [appellant] .
4.6.
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is verhandeld, is voorshands gebleken dat [naam 2] en WME dezelfde, althans soortgelijke, bedrijfsactiviteiten ontplooien als [geïntimeerde] , bestaande uit onder meer het boeken en vertegenwoordigen van artiesten. Reeds hierom is sprake van concurrerende activiteiten. Daarnaast is gebleken dat er een inhoudelijke overlap bestaat in het artiestenbestand van partijen. De omstandigheid dat het huidige marktaandeel van [naam 2] , WME en [geïntimeerde] (gedeeltelijk) verschillende geografische regio’s beslaat, doet aan het bestaan van concurrentie niet af. [geïntimeerde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij belang heeft bij het beschermen van haar eigen marktaandeel ten opzichte van [naam 2] en WME en dat zij ambities heeft haar eigen marktaandeel uit te breiden ten koste van deze partijen. Partijen bewegen zich binnen dezelfde markt en kennen zowel concrete als potentiële overlap in hun activiteiten. Voorts richten zowel [naam 2] en WME als [geïntimeerde] zich op de muziekindustrie. Dat [naam 2] en WME daarnaast ook activiteiten ontplooien in andere sectoren, laat onverlet dat zij binnen de muziekindustrie als concurrenten van [geïntimeerde] moeten worden beschouwd. Gelet hierop wordt voorshands geoordeeld dat [naam 2] en WME kwalificeren als concurrenten van [geïntimeerde] in de zin van het concurrentiebeding. Grief 1 faalt.
4.7.
Met
grief 2bestrijdt [appellant] het oordeel dat [geïntimeerde] voldoende belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding en dat het belang van [appellant] bij indiensttreding bij [naam 2] of WME daarvoor moet wijken. [appellant] voert aan dat de kantonrechter ten onrechte een aantal factoren niet of onjuist heeft meegewogen bij de belangenafweging. Ten eerste hecht de kantonrechter ten onrechte belang aan het feit dat [appellant] zelf zijn dienstverband heeft opgezegd. Na het vertrek van [naam 1] en een niet-reëel aanbod om partner te worden bij [geïntimeerde] , waren er bij [geïntimeerde] geen reële doorgroeimogelijkheden voor [appellant] en zag hij zich genoodzaakt zijn dienstverband op te zeggen. Ten tweede is miskend dat de looptijd van één jaar van het concurrentiebeding een ingrijpende en onbillijke benadeling oplevert voor [appellant] . Ten derde bestrijdt [appellant] dat [naam 2] en WME specifieke interesse hebben in het bedrijfsdebiet van [geïntimeerde] . Er zijn dan wel ‘non disclosure agreements’ (NDA’s) getekend, maar deze omstandigheid bewijst geen actuele interesse van [naam 2] en/of WME in een overname van [geïntimeerde] . Ten vierde bestaat er volgens [appellant] geen overlap van artiesten, maar is er sprake van een marktverdeling op basis van wettelijke, geografische en commerciële lijnen, waardoor [naam 2] en WME in bepaalde regio’s niet concurreren met [geïntimeerde] . Ten vijfde bestrijdt [appellant] dat hij een bijzondere positie binnen [geïntimeerde] heeft. Zijn kennis en informatie over het bedrijf is niet uniek of onderscheidend van die van de andere Senior Agents bij [geïntimeerde] en/of ten opzichte van andere boekingskantoren. Er is dus geen risico dat [appellant] geheime kennis gaat aanwenden om artiesten naar [naam 2] of WME te laten overstappen. Ten zesde benadrukt [appellant] dat hij geen doorgroeimogelijkheden had bij [geïntimeerde] , maar die mogelijkheden wel bestaan bij [naam 2] en WME. Bovendien verdampen het perspectief en de kans om zijn carrière binnen de muziekindustrie voort te zetten per dag dat hij niet actief is. Tot slot meent [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte zonder enige motivering de nog meer subsidiaire vordering tot beperking van het concurrentiebeding in duur en/of reikwijdte heeft afgewezen, ondanks dat het beding zeer ruim is geformuleerd.
4.8.
Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] een zwaarwegend belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding en dat van een onbillijke benadeling van [appellant] in verhouding tot het door [geïntimeerde] te beschermen belang geen sprake is. Daartoe is het volgende redengevend. Op grond van de gemotiveerde stellingen van [geïntimeerde] is voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] binnen de organisatie van [geïntimeerde] een bijzondere en vertrouwelijke positie bekleedde. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat [appellant] door [naam 6] , directeur van [geïntimeerde] (hierna: [naam 6] ), gaandeweg werd betrokken bij nagenoeg alle wezenlijke aangelegenheden binnen de onderneming, waaronder personeelsbeslissingen, strategievorming, de jaarbegroting, contractvorming met artiesten en gesprekken over een mogelijke overname van [geïntimeerde] . Ter zitting heeft [naam 6] in dit verband verklaard dat [appellant] als haar rechterhand fungeerde, door haar als mogelijke opvolger werd gezien en dat in het kader van overnamegesprekken financiële, commerciële en andere bedrijfsgevoelige informatie met hem is gedeeld. Deze gang van zaken is door [appellant] niet (voldoende) gemotiveerd weersproken. Derhalve moet voorshands ervan worden uitgegaan dat de kennis van [appellant] over de bedrijfsvoering, contracten, relaties en strategie van [geïntimeerde] verder reikt dan de algemene kennis en ervaring die hij in de uitoefening van zijn functie heeft opgedaan. Daarnaast is van belang dat de duur van het concurrentiebeding van één jaar niet ongebruikelijk is en niet als buitensporig lang kan worden aangemerkt. Bovendien weegt mee dat [appellant] in april 2022 vanwege een promotie met een aanzienlijke salarisverhoging bewust opnieuw het addendum met daarin opgenomen het concurrentiebeding heeft ondertekend. Voorts is van belang dat [appellant] op eigen initiatief zijn arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] heeft opgezegd. Niet aannemelijk is geworden dat dit vertrek noodgedwongen was doordat zijn functie na het vertrek van [naam 1] zodanig zou zijn uitgekleed dat voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden verlangd. Niet is gebleken dat [appellant] uitsluitend werkzaamheden verrichtte ten behoeve van [naam 1] . Voorshands moet ervan worden uitgegaan dat hij in het kader van zijn functie ook betrokken was bij andere artiesten en daarmee kennis heeft verkregen van bredere bedrijfsinformatie en relaties van [geïntimeerde] , en deze activiteiten had kunnen uitbouwen na het vertrek van [naam 1] . Tegen deze achtergrond is naar het oordeel van het hof sprake van een situatie waarvoor een concurrentiebeding pleegt te worden overeengekomen: bescherming van het bedrijfsdebiet van [geïntimeerde] . Dit geldt temeer nu [appellant] voornemens is werkzaamheden te gaan verrichten voor twee van de grootste concurrenten van [geïntimeerde] , die in het verleden interesse hebben getoond om [geïntimeerde] over te nemen met bepaalde artiesten ten aanzien van wie een overlap bestaat en waarbij [geïntimeerde] en [naam 2] en WME dezelfde artiesten vertegenwoordigen in verschillende gebieden. Op grond van het voorgaande weegt het bedrijfsbelang van [geïntimeerde] zwaarder dan het belang van [appellant] bij het (gedeeltelijk) schorsen van het concurrentiebeding. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden evenmin aanleiding voor een beperking van het concurrentiebeding in duur of reikwijdte. Grief 2 faalt.
Relatiebeding
4.9.
Met
grief 3bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat Garrix [naam 5] , [naam 2] en WME onder het relatiebeding vallen. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] zijn vordering strekkende tot schorsing van het relatiebeding voor zover dit betrekking heeft op [naam 1] , laten vallen. Wat betreft [naam 2] en WME voert [appellant] aan dat het onjuist is hen onder het relatiebeding te plaatsen, aangezien zij geen artiesten zijn en niet worden vertegenwoordigd door [geïntimeerde] . Verder voert [appellant] aan dat [naam 5] slechts een relatie is van [geïntimeerde] voor de regio’s Europa, Midden-Oosten, Afrika en Australië, zodat het relatiebeding [geïntimeerde] alleen voor deze regio’s kan beschermen. Met
grief 4betwist [appellant] dat [naam 3] en [naam 4] onder het relatiebeding vallen, omdat dit beding alleen betrekking heeft op gevestigde relaties en niet op zogenoemde prospects. De kantonrechter heeft het beding ten onrechte zo uitgelegd dat ook prospects eronder vallen. In geval van onduidelijkheid moet het beding in het nadeel van [geïntimeerde] worden uitgelegd. Van een reële kans op een zakelijke relatie tussen Angello en Eftekhari enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds was bovendien nooit sprake, aldus [appellant] .
4.10.
Anders dan [appellant] heeft bepleit, is voldoende aannemelijk geworden dat [naam 5] , [naam 3] en [naam 4] moeten worden aangemerkt als relaties van [geïntimeerde] in de zin van het relatiebeding. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd gesteld dat [appellant] tijdens zijn dienstverband bij [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht voor deze personen. De omstandigheid dat het vooralsnog niet is gelukt om [naam 3] en [naam 4] aan [geïntimeerde] te verbinden, doet daar niet aan af. Immers, ook werkzaamheden gericht op het (trachten) tot stand brengen van een contractuele relatie vallen onder het bereik van het relatiebeding. Daarbij maakt het niet uit of de genoemde personen als ‘prospects’ kunnen worden aangemerkt zoals [appellant] doet, aangezien die term - die niet voorkomt in de omschrijving van het relatiebeding - niet bepalend is voor het antwoord op de vraag wie onder het relatiebeding valt. Ook [naam 2] en WME moeten voorshands als een relatie van [geïntimeerde] worden aangemerkt, nu het beding mede ziet op vertegenwoordigers of adviseurs met wie of waarvoor [appellant] in het kader van zijn werkzaamheden bij [geïntimeerde] heeft samengewerkt. Gebleken is dat [geïntimeerde] [naam 2] en WME als vertegenwoordiger of tussenpersoon heeft ingeschakeld voor het bedienen van bepaalde artiesten in specifieke regio’s, zodat [naam 2] en WME ook onder het bereik van het relatiebeding vallen. Dit betekent dat ook de grieven 3 en 4 falen.
4.11.
Met
grief 5bestrijdt [appellant] het oordeel dat het belang van [geïntimeerde] bij handhaving van het relatiebeding ten aanzien van [naam 5] voldoende aannemelijk is gemaakt, en dat dat belang zwaarder weegt dan dat van [appellant] (in ieder geval voor een periode van twaalf maanden). [naam 5] is volgens [appellant] voor de regio’s Noord- en Zuid-Amerika en Azië geen relatie van [geïntimeerde] . Verder betwist [appellant] het oordeel van de kantonrechter om het relatiebeding ten aanzien van [naam 2] , WME, [naam 3] en [naam 4] te matigen tot slechts twaalf maanden, omdat hij daardoor gedurende een jaar uit de markt wordt gedrukt zonder gerechtvaardigd belang van [geïntimeerde] . Volgens [appellant] heeft de kantonrechter niet gemotiveerd waarom twaalf maanden in deze situatie wel passend is.
4.12.
Naar het oordeel van het hof is aannemelijk dat [geïntimeerde] een voldoende zwaarwegend belang heeft bij handhaving van het relatiebeding en dat van een onbillijke benadeling van [appellant] in verhouding tot het door [geïntimeerde] te beschermen belang geen sprake is. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd gesteld dat ten aanzien van [naam 5] de vrees bestaat dat deze artiest mogelijk naar [naam 2] of WME zal overstappen. Voorts geldt dat [appellant] tijdens zijn dienstverband bij [geïntimeerde] contact heeft onderhouden met [naam 3] en [naam 4] . De kennis en informatie die [appellant] in dat kader heeft verkregen, kunnen door hem worden aangewend om [naam 3] en [naam 4] ertoe te bewegen een overeenkomst met [naam 2] of WME aan te gaan, terwijl [geïntimeerde] een gerechtvaardigd belang heeft bij het behouden of binnen halen van deze zakelijke relaties.
4.13.
Gelet op het voorgaande is het hof voorshands van oordeel dat handhaving van het relatiebeding overeenkomstig de beslissing van de kantonrechter gerechtvaardigd is. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter op goede gronden aanleiding gezien de duur van het relatiebeding te beperken tot twaalf maanden, in plaats van de overeengekomen vierentwintig maanden, zodat deze in overeenstemming is met de duur van het concurrentiebeding en een belangenafweging daartoe noopt. Dit betekent dat ook grief 5 faalt.
4.14.
Ofschoon in het petitum van de memorie van antwoord is geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarbij het relatiebeding gedeeltelijk is geschorst ten aanzien van [naam 2] , WME, [naam 3] en Ali Aftekhari en in zoverre tot afwijzing van de toegewezen schorsing van het relatiebeding, heeft [geïntimeerde] verzuimd op begrijpelijke wijze kenbaar te maken op welke gronden zij een andere uitspraak wenst dan die van de kantonrechter. [geïntimeerde] heeft in de conclusie van antwoord immers slechts gereageerd op de grieven en het bewijsaanbod van [appellant] en geconcludeerd tot verwerping daarvan zonder daarbij uitdrukkelijk te melden dat zij tevens in incidenteel appel opkwam tegen het bestreden vonnis. De stelling van [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep dat de memorie van antwoord tevens moet worden opgevat als incidenteel appel, wordt derhalve verworpen. Voor zover [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd dat haar verweer ter zitting in hoger beroep alsnog (tevens) als incidenteel appel moet worden opgevat, faalt ook dat betoog aangezien de in hoger beroep geldende tweeconclusie-regel zich daartegen verzet.
Slotsom en kosten
4.15.
De slotsom is dat de grieven falen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd voor zover in conventie gewezen en aan het oordeel van het hof onderworpen. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

5.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen en aan het oordeel van het hof onderworpen;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 827,-- aan verschotten en € 2.580,-- voor salaris;
verklaart dit arrest ten aanzien van bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. van der Burg, M.L.D. Akkaya en S.M.M. Garben en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.