Uitspraak
arrest
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2026
inzake
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
“Afhankelijk van het verkrijgen van een toevoeging treed ik thans nog als uw tweede raadsman op, zonder een declaratie te zenden.”. Ook schrijft hij in die brief over de Haagse strafzaak: “
Voor zover mij bekend heeft zich in die Haagse strafzaak nog geen raadsman voor u gesteld. Of ambtshalve een raadsman is aangewezen is mij niet bekend.”en
“Den Haag In die nieuwe strafzaak kan een aantredend raadsman waarschijnlijk gewoon worden toegevoegd.”.
Een verzoek aan de RR[het hof leest: Raad voor Rechtsbijstand]
om een tweede toevoeging, zal niet worden gehonoreerd. Dat brengt met zich dat ik in de Bredase zaak betalend voor u optreedt. (..) In deze zaak bereken ik voor u (honorarium; reistijd) per uur 240,00 (exclusief kosten). Aan het eind van de maand wordt de maandelijkse werkstaat opgemaakt.”.
Laatstelijk bij e-mailbericht van dinsdag 6 juni 2017 heb ik u schriftelijk aangegeven mijn werkzaamheden te staken indien geen volledige betaling komt of volgt van de openstaande declaraties.”.Bij brief d.d. 29 september 2017 schrijft [geïntimeerde] aan [appellant] dat hij door zijn ‘faillissementssituatie’ even niet over zijn banktegoeden kan beschikken, maar dat hij met ingang van 3 oktober 2017 niet meer failliet zal zijn en hij daarna [appellant] “
zoveel kan betalen dat je daarmee weer even tevreden bent.”.Het faillissement van [geïntimeerde] is op 3 oktober 2017 opgeheven. Op 10 oktober 2017 sommeert [appellant] [geïntimeerde] om het totaal openstaande bedrag te voldoen. Op 6 december 2017 laat [appellant] [geïntimeerde] weten dat hij besloten heeft zijn werkzaamheden voor [geïntimeerde] stop te zetten aangezien hij geen betaling heeft ontvangen en hij zijn werkzaamheden zal hervatten na betaling. Op 16 januari 2018 laat [appellant] [geïntimeerde] weten dat het openstaande bedrag (na enkele betalingen) € 80.208,80 is.
4.Eerste aanleg
6 december 2017 (zie hiervoor onder 3.6) vastgesteld dat de overeenkomst per genoemde datum beëindigd is en de vorderingen van [appellant] voor nadien verrichte werkzaamheden op die grondslag afgewezen, aangezien [geïntimeerde] daarop niet hoefde te rekenen bij gebreke van een nadere afspraak tussen partijen.
5.Beoordeling
Verzoek zal worden gedaan (..) om in deze Bredase strafzaak een tweede toevoeging af te geven. (…) Afhankelijk van het verkrijgen van een toevoeging treed ik thans nog als uw tweede raadsman op, zonder een declaratie te zenden.”. Het tweede deel van dit citaat ziet evident op de Bredase strafzaak. In de Haagse zaak was blijkens de brief nog geen sprake van een raadsman, zodat de verwijzing naar ‘tweede raadsman’ uitsluitend betrekking had op de Bredase strafzaak, waarin al wel een (andere) raadsman was toegevoegd. De rechtbank heeft de facturen over de periode tot 24 maart 2017 daarom terecht afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat voordien een toevoeging is aangevraagd of verkregen, zodat de toezegging ‘
zonder een declaratie te zenden’nog steeds gold.