ECLI:NL:GHAMS:2026:608

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
200.353.464/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 1:5 BWArt. 1:20e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging adoptie stiefvader van minderjarige met naamswijziging

De zaak betreft het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank die de adoptie van de minderjarige door de stiefvader heeft uitgesproken, inclusief de wijziging van de geslachtsnaam. De biologische vader verzet zich tegen de adoptie omdat hij zijn ouderlijke rol wil behouden, maar het hof stelt vast dat hij al jaren geen rol meer speelt in de verzorging en opvoeding van het kind.

De stiefvader woont sinds 2019 samen met de moeder en het kind en vervult al jaren de vaderrol. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de adoptie toe te wijzen vanwege het belang van het kind, dat lijdt aan PTSS door het gedrag van de biologische vader. Het hof concludeert dat het kind niets meer van zijn biologische vader te verwachten heeft in ouderlijke zin.

Het hof weegt mee dat het kind een stabiele opvoedomgeving nodig heeft en een nauwe band met de stiefvader heeft. De adoptie wordt als kennelijk in het belang van het kind beschouwd. De naamswijziging naar de achternaam van de stiefvader wordt eveneens bekrachtigd. De beschikking van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de adoptie van de minderjarige door de stiefvader en de naamswijziging, ondanks het verzet van de biologische vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.464/01
zaaknummer rechtbank: C/15/365109 / JU RK 25-657
beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak van
[de vader] ,
met een briefadres te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. D.E. Oud te Krommenie,
en
[stiefvader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de stiefvader,
advocaat: mr. P.H. Visser te Wormerveer.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , geboren [in ] 2015 te [plaats B] ;
- [de moeder] , wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] , hierna: de moeder.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie: Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de adoptie van [minderjarige 1] .
1.2
De rechtbank heeft de adoptie van [minderjarige 1] door de stiefvader uitgesproken en verstaan dat [minderjarige 1] na de adoptie de geslachtsnaam [stiefvader] zal dragen. De vader is het daar niet mee eens en vindt dat het verzoek van de stiefvader om de adoptie uit te spreken, moet worden afgewezen. De stiefvader is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader heeft op 14 april 2025 een beroepschrift met producties bij het hof ingediend en is daarmee (tijdig) in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie: Alkmaar) (hierna: de rechtbank) van 15 januari 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De stiefvader heeft op 26 mei 2025 een verweerschrift met bijlagen ingediend.
2.3
De zitting heeft op 10 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de stiefvader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, en
- de raad, vertegenwoordigt door M. Eijpe.
2.4
De voorzitter heeft op 17 december 2025 met [minderjarige 1] gesproken. Hiervan is een verslag opgemaakt, welk verslag op 19 december 2025 aan partijen is toegestuurd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een schriftelijke reactie te geven op het verslag.
2.5
Bij bericht van 30 december 2025 heeft de vader gereageerd op voornoemd verslag.
2.6
Bij bericht van 2 januari 2026 heeft de stiefvader gereageerd op voornoemd verslag.

3.De feiten

3.1
[minderjarige 1] is [in ] 2015 te [plaats B] geboren uit een affectieve relatie tussen de moeder en de vader. De vader heeft [minderjarige 1] op 29 april 2015 erkend. De moeder is vanaf de geboorte van [minderjarige 1] van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] .
3.2
De stiefvader en de moeder wonen vanaf 12 juli 2019 samen. [in ] 2019 zijn zij gehuwd. Uit dit huwelijk is op 22 januari 2021 te [plaats B] geboren hun dochter [minderjarige 2]
. De stiefvader, de moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vormen samen een gezin.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking op verzoek van de stiefvader de adoptie uitgesproken van [minderjarige 1] door de stiefvader en verstaan dat [minderjarige 1] na de adoptie de geslachtsnaam [stiefvader] zal dragen.
4.2
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en - zo begrijpt het hof -, de inleidende verzoeken van de stiefvader af te wijzen.
4.3
De stiefvader verzoekt de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoek af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

De standpunten
5.1
De vader meent dat de rechtbank ten onrechte de adoptie heeft uitgesproken. Volgens de vader hebben hij, de moeder en [minderjarige 1] na [minderjarige 1] ’s geboorte drie jaar in gezinsverband samengeleefd. Na het uiteengaan van de vader en de moeder wilde hij zijn ouderrol blijven vervullen, maar dat werd niet toegestaan door de moeder. Stiefouderadoptie zou een streep halen door het vaderschap van de vader en dat is niet in het belang van (de identiteitsontwikkeling van) [minderjarige 1] , aldus de vader. De vader is bereid en in staat om invulling te geven aan het ouderschap. De vader betwist [minderjarige 1] te hebben opgezocht op school of doelbewust langs de woning van [minderjarige 1] te zijn gereden. De vader heeft bij de rechtbank een verzoek gedaan tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige 1] , met een opbouw.
5.2
Volgens de stiefvader heeft de rechtbank terecht de adoptie van [minderjarige 1] door hem uitgesproken. Hij leeft inmiddels al zesenhalf jaar met [minderjarige 1] in gezinsverband samen en beschouwt [minderjarige 1] als zijn eigen kind. De adoptie is volgens de stiefvader in het belang van [minderjarige 1] . Er is in het verleden geen sprake geweest van samenleving van de vader met de moeder en [minderjarige 1] of van enige betrokkenheid van de vader bij de opvoeding, scholing of het levensonderhoud van [minderjarige 1] , aldus de stiefvader. De stiefvader brengt naar voren dat [minderjarige 1] is behandeld voor PTSS vanwege traumatische ervaringen die hij heeft opgedaan door toedoen van de vader, omdat die zich tegen de afspraken in bij [minderjarige 1] ’s school en in zijn directe woonomgeving herhaaldelijk heeft laten zien. Dit heeft er uiteindelijk ook toe geleid dat het gezin van de moeder en de stiefvader zich genoodzaakt zag om te verhuizen. De vader heeft volgens de stiefvader nooit laten blijken dat hij een positieve invulling kan geven aan het ouderschap van [minderjarige 1] , ondanks handreikingen van de moeder en de stiefvader daartoe.
Het advies van de raad
5.3
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om het verzoek van de stiefvader tot adoptie van [minderjarige 1] toe te wijzen. Ten tijde van het raadsonderzoek begin 2024 was voor de raad niet duidelijk waar de problemen die [minderjarige 1] toen had, vandaan kwamen, maar vlak vóór de zitting bij de rechtbank is uit informatie gebleken dat de vader stalkgedrag richting [minderjarige 1] heeft vertoond, welk gedrag een grote weerslag heeft gehad op [minderjarige 1] en het gezin. [minderjarige 1] is gediagnosticeerd met PTSS die rechtstreeks gerelateerd kan worden aan de ervaringen met zijn vader, aldus de raad. Gelet op zijn problematiek heeft [minderjarige 1] volgens de raad een stabiele opvoedomgeving nodig en veel behoefte aan versterking van de band met zijn stiefvader. De raad meent dat de vader met zijn gedrag volstrekt voorbij gaat aan de belangen van [minderjarige 1] en zich niet kan inleven in wat [minderjarige 1] nodig heeft.
De beoordeling door het hof
5.4
Het hof overweegt dat uit artikel 1:227, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan een dergelijk verzoek door de adoptant die echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder is, slechts worden gedaan, indien hij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd.
5.5
Op basis van de stukken in het dossier en de zitting in hoger beroep stelt het hof vast dat de stiefvader en de moeder voldoen aan voormelde termijn van drie jaren. De stiefvader heeft het inleidend verzoek op 20 juni 2023 ingediend bij de rechtbank. De stiefvader en de moeder hebben sinds 2019 een duurzame relatie. In juli 2019 zijn zij gaan samenwonen en sindsdien staan zij op hetzelfde adres ingeschreven. [in ] 2019 zijn zij getrouwd. Ook hebben zij in 2021 samen een dochter gekregen. Daarmee staat voor het hof vast dat hij meer dan drie aaneengesloten jaren heeft samengeleefd met de moeder.
5.6
Het hof overweegt vervolgens dat een verzoek tot adoptie ingevolge artikel 1:227, derde lid, BW alleen kan worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind en op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW Pro, wordt voldaan.
5.7
Op grond van artikel 1:228, eerste lid, BW, voor zover hier van belang, dient aan de
navolgende voorwaarden voor adoptie te worden voldaan:
a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op
de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van
bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken;
b. het kind niet is een kleinkind van een adoptant;
c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;
d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;
e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien
jaren heeft bereikt;
f. dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben
verzorgd en opgevoed; indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder of adoptiefouder het kind adopteert en zij gezamenlijk het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed wordt de periode van een jaar voor de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel gerekend vanaf het moment van feitelijk gezamenlijk verzorgen en opvoeden;
g. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben; indien evenwel de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen of samen met voornoemde echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel het gezag heeft.
Voorwaarden artikel 1:228 eerste Pro lid BW
5.8
Ten aanzien van deze voorwaarden overweegt het hof als volgt.
5.9
Het hof stelt vast dat [minderjarige 1] minderjarig is en nog niet de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt. De voorzitter [minderjarige 1] op 17 december 2025 gesproken en [minderjarige 1] heeft in dat gesprek aangegeven geen bezwaren tegen toewijzing van het verzoek tot adoptie te hebben. [minderjarige 1] vindt zijn stiefvader heel lief, want hij doet veel voor hem. Hij wil graag dat zijn stiefvader zijn officiële vader wordt. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde sub a van het eerste lid van artikel 1:228 BW Pro.
5.1
Ten aanzien van de voorwaarde sub d van het eerste lid van artikel 1:228 BW Pro stelt het hof het volgende vast. De vader spreekt het verzoek tegen. Op grond van het tweede lid van artikel 1:228 BW Pro kan aan de tegenspraak van een ouder voorbij worden gegaan onder meer indien het kind en die ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd. De vader heeft hierover ter zitting in hoger beroep aangegeven dat hij de eerste drie jaren van [minderjarige 1] ’s leven met hem en de moeder als gezin heeft samengeleefd. Zij woonden volgens de vader de eerste zes maanden van [minderjarige 1] ’s leven met z’n drietjes bij zijn ouders en vervolgens in een appartement in [plaats C] . Daarna hebben ze samengewoond in een appartement in een bedrijfspand in [plaats A] . Ook heeft de vader verklaard dat hij in die eerste drie jaar van [minderjarige 1] ’s leven niet gedetineerd is geweest maar dat dat pas na die periode was.
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat er nooit sprake is geweest van samenleving. De moeder gaf aan dat zij heeft geprobeerd goede omgang tussen de vader en [minderjarige 1] tot stand te brengen, zodat zij met elkaar een band konden opbouwen. Wanneer zij met [minderjarige 1] naar de vader toeging, was dat niet langer dan een paar dagen. Zij hebben volgens de moeder na de geboorte van [minderjarige 1] tezamen iets van drie weken bij de ouders van de vader verbleven, maar vanwege het drank- en drugsprobleem van de vader is de moeder met [minderjarige 1] naar haar eigen ouders gegaan. Vervolgens heeft de moeder het appartement in het bedrijfspand van haar vader in [plaats A] betrokken, aanvankelijk voor korte duur omdat zij niet de financiële middelen had om op zichzelf te wonen. Zij is toen weer bij haar ouders gaan wonen en vervolgens weer teruggegaan naar het appartement in het bedrijfspand. De vader is volgens de moeder in de perioden dat zij met [minderjarige 1] bij haar ouders en in het bedrijfspand woonde weleens blijven overnachten om er voor [minderjarige 1] te zijn, maar dat is nooit meer geweest dan een paar nachten per keer en dat ging ook niet altijd goed gelet op de verslavingsproblematiek van de vader, waardoor haar moeder moest bijspringen in de zorg voor [minderjarige 1] . Ook heeft de moeder verklaard dat de vader in oktober of november 2018 gedetineerd is geweest, waarna zij definitief een punt achter hun relatie heeft gezet.
Het hof stelt voorop dat beide partijen in hun verklaringen feiten naar voren hebben gebracht die sterk afwijken van hetgeen de raad heeft opgetekend in het raadsrapport van 29 februari 2024, waarin is opgenomen dat de vader en de moeder de eerste jaren na de geboorte van [minderjarige 1] hebben samengewoond. Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat [minderjarige 1] in de eerste jaren van zijn leven telkens korte perioden op verschillende adressen heeft verbleven. Het hof overweegt dat de moeder over de huisvesting in de eerste jaren van [minderjarige 1] ’s leven en de rol van de vader daarin gedetailleerd heeft verklaard en is van oordeel dat de vader hetgeen zij daarover heeft verklaard onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Het hof ziet ook geen aanknopingspunten voor samenwoning in de inschrijvingen van partijen in de gemeentelijke basisadministratie. De vader heeft vanaf zijn eerste geboortejaar op hetzelfde adres ingeschreven gestaan en vanaf begin 2017 tot medio 2018 als niet-ingezetene geregistreerd gestaan. Uit de stukken van het dossier komt hoe dan ook een beeld naar voren van een vader die in de eerste periode van [minderjarige 1] ’s leven feitelijk niet dan wel nauwelijks voor [minderjarige 1] beschikbaar was vanwege zijn drank- en drugsverslaving.
Het hof stelt op grond van het voormelde dan ook vast dat [minderjarige 1] en de vader niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd.
5.11
Het hof stelt tot slot vast dat ook aan de overige voorwaarden van artikel 1:228, eerste lid, BW is voldaan.
Beoordeling niets meer van de ouder te verwachten
5.12
Ingevolge artikel 1:227, derde lid, BW dient het hof onder meer te beoordelen of op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.
5.13
Uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken, volgt dat na het uiteengaan van de ouders en nadat de stiefvader in [minderjarige 1] ’s leven is gekomen, meermalen vanuit de moeder en later ook vanuit de stiefvader is geprobeerd om het contact tussen de vader en [minderjarige 1] te laten plaatsvinden, maar dat het de vader is geweest die steeds van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt. Ter zitting in hoger beroep hebben zowel de vader als de stiefvader en de moeder verklaard dat er op een gegeven moment een gesprek tussen hen drieën heeft plaatsgevonden waarbij besproken is dat de vader omgang kon hebben met [minderjarige 1] onder de voorwaarde dat hij voorafgaand aan de omgangsmomenten een drugstest zou doen. De vader heeft hier uiteindelijk niet aan willen meewerken. Het laatste contact tussen de vader en [minderjarige 1] dateert inmiddels van zeven jaar geleden.
Het hof overweegt dat de vader feitelijk al ruim zeven jaar geen aandeel meer heeft gehad in de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Hij geeft nu weliswaar aan contact te willen hebben met [minderjarige 1] , maar heeft daartoe lange tijd geen enkel initiatief genomen. Op de vraag waarom de vader niet eerder actie heeft ondernomen om opnieuw contact te zoeken met [minderjarige 1] , heeft hij gezegd dat hij een lange periode niet goed in zijn vel zat. Het hof is van oordeel dat dit er niet aan in de weg had hoeven staan om contact met [minderjarige 1] te zoeken of in elk geval die wens kenbaar te maken. Daarnaast acht het hof het kwalijk dat op het moment dat de vader wel de wens had geuit om opnieuw contact met [minderjarige 1] te krijgen maar deze wens niet werd gehonoreerd, hij [minderjarige 1] is gaan stalken door hem op te zoeken op zijn school en langs zijn huis te rijden, wat ertoe heeft geleid dat [minderjarige 1] angstiger is geworden voor de vader. [minderjarige 1] is gediagnosticeerd met PTSS, rechtstreeks gerelateerd aan de ervaringen met zijn vader en heeft hiervoor een behandeling moeten ondergaan. Met de raad is het hof van oordeel dat de vader met zijn handelen heeft laten zien dat hij voorbijgaat aan de belangen van [minderjarige 1] en zich onvoldoende inleeft in wat [minderjarige 1] nodig heeft.
Weliswaar heeft vader naar voren gebracht dat hij bij de rechtbank een verzoek heeft ingediend tot het tot stand te brengen van omgang tussen hem en [minderjarige 1] , maar het hof verwacht gelet op het voorgaande niet dat dit uiteindelijk zal leiden tot een substantiële omgang tussen de vader en [minderjarige 1] . Daarbij dient de beoordeling van het hof niet te gaan over mogelijk (herstel van het) contact tussen de vader en [minderjarige 1] , maar over de vraag of [minderjarige 1] nog iets te verwachten heeft van de vader in de hoedanigheid van ouder, dus in het kader van verzorging en opvoeding en het dragen van ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige 1] . Het hof concludeert op basis van het voormelde dat vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat [minderjarige 1] niets meer van zijn vader in de hoedanigheid als ouder te verwachten heeft.
Beoordeling adoptie in het kennelijk belang
5.14
Tot slot dient het hof de vraag te beantwoorden of de verzochte adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige 1] is.
5.15
Uit de overgelegde stukken en de zitting in hoger beroep is gebleken dat de stiefvader al jaren de vaderrol vervult voor [minderjarige 1] , terwijl [minderjarige 1] niet tot nauwelijks actieve betrokkenheid van de vader in zijn leven heeft ervaren. De stiefvader is ook nauw betrokken bij de therapie van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] voelt een zeer nauwe verbondenheid met de stiefvader en heeft door de stiefvader mogen ervaren dat hij kan vertrouwen en bouwen op een stabiele en betrouwbare vaderfiguur, ook in moeilijke tijden. Het hof is van oordeel dat een adoptie van [minderjarige 1] door de stiefvader recht doet aan deze situatie. [minderjarige 1] en de stiefvader hebben er recht op de nauwe persoonlijke betrekking tussen hen te formaliseren door het ontstaan van het juridische ouderschap door de adoptie. Dat hierdoor de familierechtelijke banden met de vader worden verbroken, verandert de huidige, feitelijke situatie niet. De vader speelt al jaren geen rol in het leven van [minderjarige 1] en er is geen band tussen [minderjarige 1] en de vader. Desondanks is [minderjarige 1] voldoende voorgelicht over zijn afstamming. [minderjarige 1] is tien jaar en heeft nog een heel aantal ontwikkelingsjaren voor zich. De adoptie zal voor hem bijdragen aan zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, doordat hij ervaart vertrouwen te kunnen hebben in de volwassenen om hem heen en het in emotionele zin aangaan van een relatie. Daarnaast zal het [minderjarige 1] zelfvertrouwen en zekerheid geven. Daarom acht het hof de adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige 1] .
5.16
Het hof zal dan ook de bestreden beschikking op het punt van de adoptie bekrachtigen.
Wijziging geslachtsnaam
5.17
Ingevolge artikel 1:5 lid 3 BW Pro – voor zover hier van belang – houdt het kind zijn geslachtsnaam, indien een kind door adoptie in familierechtelijke betrekking tot de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van een ouder komt te staan, tenzij de ouder en diens echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam zal hebben van de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel, dan wel de geslachtsnaam van die ouder. De rechterlijke uitspraak inzake de adoptie vermeldt de verklaring van de adoptanten hieromtrent.
5.18
De stiefvader heeft verzocht dat [minderjarige 1] de geslachtsnaam ‘ [stiefvader] ’ zal dragen en de moeder heeft hiermee ingestemd. Het hof zal de beschikking van de rechtbank ook op dit onderdeel bekrachtigen.
5.19
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep op de onderdelen 7.1 en 7.2;
draagt de griffier op, op grond van artikel l :20e, eerste lid, BW, om niet eerder dan drie
maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats B] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, H.A. van den Berg en M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 10 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.