ECLI:NL:GHAMS:2026:604

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.343.232/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 BWArt. 3:310 BWArt. 3:318 BWArt. 6:23 BWArt. 6:38 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging nakoming vaststellingsovereenkomst en verwerping verjaringsverweer in erfrechtelijke vordering

In deze civiele zaak in hoger beroep bevestigt het Gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2024. De zaak betreft een vordering tot nakoming van een vaststellingsovereenkomst tussen de executeur van een nalatenschap en een erfgenaam, waarbij een bedrag van € 500.000,- plus rente was overeengekomen ter afwikkeling van geleden schade.

De executeur stelde dat de vordering verjaard was op grond van artikel 3:310 BW Pro, omdat de schade en aansprakelijkheid al in 2000 bekend waren. Het hof oordeelde echter dat de vordering voortvloeit uit een vaststellingsovereenkomst waarop artikel 3:307 lid 1 BW Pro van toepassing is, met een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf opeisbaarheid. Bovendien was vóór het verstrijken van deze termijn een nadere afspraak gemaakt die de opeisbaarheid opschortte tot een jaar na het overlijden van de erflater.

De executeur voerde ook rechtsverwerking aan wegens verzwijging van de vordering door de erfgenaam, maar het hof verwierp dit verweer omdat de afspraken tussen partijen duidelijk waren en de executeur niet in een slechtere positie was gebracht. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en compenseerde de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verjaringsverweer van de executeur af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.343.232/01
zaaknummer rechtbank : C/13/737050 / HA ZA 23-681
arrest van de meervoudige familiekamer van 10 maart 2026
inzake
[eiser] q.q. (executeur van [erflater ] ),
wonende te [plaats A] ,
appellante,
advocaat: mr. E. Bongers te Haarlem,
tegen:
[verweerder],
wonende te Kingston, [plaats B ] (Canada),
geïntimeerde,
advocaat: H.J. Naber te Dordrecht .

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [eiser] en [verweerder] genoemd.
[eiser] is bij dagvaarding van 25 juni 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2024, gewezen tussen [verweerder] als eiser en [eiser] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord;
- akte aan de zijde van [eiser] ;
- antwoordakte aan de zijde van [verweerder] .
Ten slotte is arrest gevraagd.
[eiser] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog:
1. de vorderingen van [verweerder] zal afwijzen, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten in beide instanties;
2. [verweerder] zal veroordelen tot restitutie aan [eiser] van de wettelijke rente die zij over het bedrag ad € 643.758,66 tot aan de datum van dit arrest heeft voldaan door overmakingen naar de derdengeldrekening van de advocaat van [verweerder] , een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over elk van de betalingen, te rekenen vanaf het moment van bijschrijving op bedoelde derdenrekening tot de dag van algehele restitutie.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] dan wel tot ongegrond verklaring van het hoger beroep van [eiser] en tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten in beide instanties.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2.Feiten en procesverloop

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.
2.1.
[eiser] is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [erflater ] (hierna: [erflater ] ), die [in] 2018 is overleden. [erflater ] had uit een eerder huwelijk twee zoons, [zoon 1] (hierna: [zoon 1] ) en [zoon 2] (hierna: [zoon 2] ). [verweerder] is de zoon van [zoon 2] en de kleinzoon van [erflater ] .
2.2.
[erflater ] heeft op 8 september 2017 bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Dit testament verving een eerder testament uit 2007. In het testament is bepaald dat de wettelijke verdeling van toepassing is. [eiser] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard en [zoon 1] beneficiair. [eiser] heeft alle goederen van de nalatenschap verkregen en [zoon 1] en [zoon 2] hebben een vordering op [eiser] verkregen ter zake van hun kindsdeel. [eiser] is in het testament benoemd tot executeur.
2.3.
[erflater ] had een broer, [broer] (hierna: [broer] ). [broer] is [in] 2021 overleden. Voor zijn overlijden, namelijk op 21 februari 2020, heeft [broer] een testament opgemaakt. Op 16 maart 2020 heeft [broer] een aanvulling op het testament opgemaakt. In de aanvulling staat:
“(….) Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten, af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden aan mijn neef[hof: [verweerder] ]
(…) de tot mijn nalatenschap behorende vordering, waarvan blijkt uit een akte op elf december tweeduizend achttien verleden voor mr. [notaris 1] , notaris te [plaats C] , dan wel het gedeelte daarvan dat ten tijde van mijn overlijden nog bestaat, zulks tegen inbreng in mijn nalatenschap van vijf en twintig procent (25%)
van de netto opbrengst (…).
2.4.
Uit notariële verklaringen van [broer] en [zoon 1] van respectievelijk 11 december 2018 en 19 juni 2019 valt af te leiden dat [erflater ] , [broer] en [zoon 1] eind jaren negentig gezamenlijk geld hadden belegd in effecten. [erflater ] beheerde de effectenportefeuille namens alle drie. Op 20 november 1999 spraken zij af dat [erflater ] de effectenportefeuille zou verkopen als de totale waarde zou dalen tot onder € 5.700.000,-. Ondanks deze afspraak heeft [erflater ] de effectenportefeuille niet meteen verkocht toen de waarde onder voornoemd bedrag was gedaald. Daardoor heeft [broer] een verlies geleden van € 1.400.000,- op zijn deel van de effectenportefeuille.
2.5.
In een door [erflater ] op 16 mei 2002 geschreven en te [plaats C] ondertekend stuk aan [broer] staat:
“Beste [broer] , Ik voel mij verantwoordelijk voor de verliezen, op de rekening “Met z’n drieën” geleden, voorzover die te maken hebben met een inadequate uitvoering van onze afspraken van 20 november 1999. (…).”
Op de achterzijde heeft [erflater ] op 14 november 2002 geschreven:

Ik ben van mening dat deze schade bedraagt ongeveer één miljoen Euro. Ik stel jou voor, [broer] , dat wij het eens worden over een schadebedrag van 500.000 Euro, vermeerderd met de wettelijke rente min 2%, ingaande 1 december 2002.”
2.6.
Op datzelfde stuk heeft [broer] op 14 november 2002 geschreven:
“Ik ga met dit voorstel, dat ik zeer redelijk vind, zonder voorbehoud, akkoord.”
2.7.
In een handgeschreven stuk dat op 3 oktober 2007 zowel door [erflater ] als [broer] te [plaats C] is ondertekend staat:
“(…) ( [erflater ] ) en (…) ( [broer] ) spreken af dat als [erflater ] aan het World Population Fund (…) € 400.000,- (…) schenkt, tijdens zijn leven of uiterlijk binnen een jaar na zijn overlijden daarmee alle vorderingen van [broer] op [erflater ] (vordering van € 500.000,- + rente) zullen zijn gekweten.”
2.8.
[verweerder] heeft in eerste aanleg van [eiser] de nakoming gevorderd van de tussen [erflater ] en [broer] gesloten overeenkomst van 14 november 2002. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en beslist dat [eiser] persoonlijk, althans als executeur in de nalatenschap van [erflater ] , althans als mede-erfgenaam van [erflater ] is gehouden tot nakoming van voornoemde overeenkomst en heeft [eiser] veroordeeld aan [verweerder] een bedrag te betalen van € 643.758,66 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele betaling. De rechtbank heeft beslist dat als [eiser] in de ene hoedanigheid heeft betaald, zij in de andere hoedanigheid is gekweten.
2.9.
[eiser] is met drie grieven tegen de beslissing van de rechtbank opgekomen. Het hof zal deze grieven zo mogelijk gezamenlijk en in samenhang met het verweer van [verweerder] hierna bespreken.

3.Beoordeling

3.1.
De grieven 1 en 2 van [eiser] gaan beide over de vraag of de vordering van [verweerder] is verjaard. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord.
3.2.
In grief 1 stelt [eiser] dat de rechtbank ten onrechte haar verjaringsverweer heeft verworpen, omdat de rechtbank bij de beoordeling van dat verweer niet heeft betrokken dat de vordering van [verweerder] haar oorsprong vindt in een verplichting tot schadevergoeding zodat de beoordeling van het verjaringsverweer aan de hand van het bepaalde in artikel 3:310 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) had moeten plaatsvinden. Rechtsvorderingen tot vergoeding van schade verjaren blijkens genoemd artikel na verloop van vijf jaren na aanvang van de dag waarop de benadeelde bekend is met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon. [eiser] stelt dat [broer] volgens zijn eigen stelling ergens in het jaar 2000, maar in ieder geval in het eerste kwartaal van 2001, bekend moet zijn geweest met de schade. De termijn voor verjaring is volgens [eiser] dan ook op zijn laatst aangevangen in het eerste kwartaal 2001. Vervolgens hebben [erflater ] en [broer] kennelijk enige tijd een discussie gevoerd over de omvang van de schade en het deel dat voor rekening van [erflater ] zou komen. De op 14 november 2002 tot stand gekomen afspraak constitueerde geen nieuwe verbintenis. Het op die datum bereikte akkoord vormde niet meer dan een nadere invulling van een twee jaar voordien ontstane verbintenis tot schadevergoeding. Uit niets blijkt dat de tussen [erflater ] en [broer] in november 2002 en/of oktober 2007 gemaakte afspraken mede tot doel hadden de opeisbaarheid van de verbintenis tot schadevergoeding te verleggen naar een moment in de toekomst, aldus [eiser] . In het op 14 november 2002 door [erflater ] getekende document ligt een erkenning van het bestaan van de vordering besloten, waardoor op grond van artikel 3:318 BW Pro een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar aanving. Met de overeenkomst van 3 oktober 2007 hebben [erflater ] en [broer] niet bedoeld om af te spreken dat [broer] betaling van het bedrag van € 500.000,- niet (meer) terstond zou kunnen opeisen. De vordering die [broer] op [erflater ] had bleef terstond opeisbaar en [broer] had na 3 oktober 2007 dus gewoon aanspraak kunnen maken op betaling van het bedrag van € 500.000,- plus rente. Die aanspraak zou [erflater ] in die periode dan slechts hebben kunnen pareren door alsnog een bedrag van € 400.000,- aan het World Population Fund (hierna: WPF) te schenken. Dit alles betekent volgens [eiser] dat de vordering tot betaling van het bedrag van € 500.000,- al op 4 oktober 2012 is verjaard. Nu vast staat dat in de periode 3 oktober 2007 tot 27 april 2021 geen stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden, heeft [broer] bij testament van 16 maart 2020 een lege huls aan [verweerder] gelegateerd. Al hetgeen door [verweerder] in eerste aanleg is aangevoerd omtrent de verjaringstermijn en de uitleg van de op 3 oktober 2007 gesloten overeenkomst snijdt dan ook geen hout, aldus [eiser] .
3.3.
In grief 2 stelt [eiser] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vordering van [verweerder] niet is verjaard omdat in de overeenkomst van 14 november 2002 geen datum voor betaling is afgesproken en daarom een verjaringstermijn aanving van twintig jaar vanaf het moment dat de vordering van [erflater ] werd erkend, in casu 3 oktober 2007. [eiser] stelt dat het aan de orde van de dag is dat partijen bij een overeenkomst geen termijn afspreken voor de nakoming van de wederzijdse verplichtingen uit die overeenkomst. Bij al die overeenkomsten geldt in beginsel het bepaalde in artikel 6:38 BW Pro, namelijk dat de verbintenis terstond kan worden nagekomen, maar ook terstond kan worden gevorderd. De verjaring van dit soort overeenkomsten verloopt volgens artikel 3:307 lid 1 BW Pro vijf jaar na de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden. In dit geval betekent dat, gelet op het bepaalde in artikel 6:38 BW Pro, dat de verjaring vijf jaar na het sluiten van de overeenkomst verliep, omdat de vordering toen reeds opeisbaar was.
3.4.
Met betrekking tot het in de toelichting op grief 1 door [eiser] gestelde merkt [verweerder] op dat uit het vonnis van de rechtbank niet duidelijk wordt of de rechtbank bij de beoordeling van de verjaring artikel 3:310 BW Pro in aanmerking heeft genomen. In de optiek van [verweerder] hoefde de rechtbank dat ook niet te doen, omdat duidelijk was dat [broer] en [erflater ] kort na het ontstaan van de schade, namelijk op 14 november 2002, ruim binnen de termijn van vijf jaar, een overeenkomst hadden gesloten over een door [erflater ] aan [broer] te betalen vergoeding. De overeenkomst van 14 november 2002 is een overeenkomst tot geven of doen, waarop artikel 3:307 BW Pro van toepassing is. Dit artikel bepaalt dat een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Vanaf het sluiten van de overeenkomst op 14 november 2002 is de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW Pro niet meer van belang. De stelling van [eiser] dat de overeenkomst van 14 november 2002 slechts een erkenning van het bestaan van een vordering impliceerde en geen nieuwe verbintenis constitueerde, is niet juist. In de overeenkomst stelt [erflater ] dat hij verantwoordelijk is voor de schade, die hij vaststelt op een miljoen, en stelt hij voor het schadebedrag te bepalen op € 500.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente minus 2%. [broer] en [erflater ] hadden niet eerder overeenstemming bereikt over de omvang van de schade. [eiser] miskent derhalve dat de overeenkomst van 14 november 2002 een overeenkomst is tot een geven of doen in de zin van artikel 3:307 BW Pro. Ook de overeenkomst van 3 oktober 2007 is volgens [verweerder] geen erkenning van de eerdere overeenkomst van 14 november 2002, maar een nieuwe overeenkomst tot een geven of doen waarin gewijzigde afspraken zijn opgenomen en waarop artikel 3:307 BW Pro van toepassing is. De afspraak van 3 oktober 2007 hield in dat [erflater ] zijn leven lang plus nog een jaar na zijn dood de tijd kreeg om zich van de vordering van [broer] te bevrijden door een schenking van € 400.000,- te doen aan het WPF. Deze overeenkomst kan niet anders worden begrepen dan dat [broer] de vordering tijdens het leven van [erflater ] en binnen een jaar na diens overlijden niet kon opeisen. De overeenkomst van 3 oktober 2007 had dus zowel een ontbindend als een opschortend karakter. Ontbindend vanuit het gezichtspunt van [erflater ] bezien, in de zin dat [erflater ] van zijn schuld bevrijd zou zijn als hij de donatie aan het WPF zou doen. Opschortend vanuit het standpunt van [broer] bezien, in die zin dat als [erflater ] de donatie niet zou doen, hij het hogere bedrag van € 500.000,- aan [broer] zou hebben te betalen. Daarom is de verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen [in] 2019, een jaar na de dood van [erflater ] . Niet in geschil is dat [verweerder] zijn vordering op 6 mei 2021 heeft opgeëist, waardoor de verjaringstermijn is gestuit.
3.5.
Met betrekking tot grief 2 stelt [verweerder] dat de rechtbank de overeenkomst van 14 november 2002 terecht heeft aangemerkt als een overeenkomst tot een doen of geven en daarom terecht aan de hand van artikel 3:307 BW Pro heeft beoordeeld of de vordering al dan niet is verjaard. Echter, ook als de overeenkomst van 14 november 2002 niet als een overeenkomst van onbepaalde tijd zou moeten worden gezien en dus meteen een verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen, heeft dit volgens [verweerder] nog niet tot gevolg dat de vordering van [broer] op 4 oktober 2012 is verjaard, zoals [eiser] betoogt. Zoals ten aanzien van grief 1 naar voren is gebracht, is de tweede overeenkomst van 3 oktober 2007, die is gesloten binnen vijf jaar na 14 november 2002, niet alleen een erkenning door [erflater ] van de vordering die [broer] op hem had, maart behelst deze ook nieuwe afspraken over hoe [erflater ] zich van de schuld aan [broer] zou kunnen bevrijden, met als gevolg dat de opeisbaarheid van de vordering werd opgeschort tot een jaar na de dood van [erflater ] . Het primaire standpunt van [verweerder] is dan ook dat de verjaringstermijn van vijf jaar is begonnen [in] 2019. Subsidiair stelt [verweerder] zich op het standpunt dat als gevolg van de overeenkomst van 3 oktober 2007 de vordering van [broer] op [erflater ] er één voor onbepaalde tijd werd. De verjaringstermijn van artikel 3:307 lid 1 BW Pro begint dan te lopen op de dag nadat de vordering is opgeëist. In casu is dat 6 mei 2021 toen [verweerder] zich met zijn vordering tot [eiser] wendde. Van verjaring van zijn vordering is derhalve geen sprake, aldus [verweerder] .
3.6.
Het hof stelt allereerst vast dat geen van partijen in hoger beroep de geldigheid van de afspraak tussen [erflater ] en [broer] op 14 november 2002 heeft betwist. Er kan dan ook vanuit gegaan worden, gelet op het handgeschreven voorstel van [erflater ] op 14 november 2002 en de acceptatie daarvan door [broer] op dezelfde datum zoals hiervoor onder 2.5 en 2.6 geciteerd, dat [erflater ] en [broer] op 14 november 2002 een minnelijke regeling hebben getroffen voor de door [broer] door toedoen van [erflater ] geleden schade. Die overeenkomst hield in dat [erflater ] aan [broer] een schadevergoeding van € 500.000,- zou betalen. Deze afspraak heeft te gelden als een vaststellingsovereenkomst ter afwikkeling van de door [broer] geleden schade, waarop artikel 3:310 BW Pro niet van toepassing is. Een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting uit hoofde van een vaststellingsovereenkomst valt immers onder de verjaringsregel van artikel 3:307 lid 1 BW Pro, dat bepaalt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaar na de dag dat deze opeisbaar is geworden. Artikel 6:38 BW Pro bepaalt dat indien geen tijd voor de nakoming van een schuld is bepaald, de verbintenis terstond kan worden nagekomen of terstond nakoming kan worden gevorderd. Nu in de overeenkomst van 14 november 2002 geen tijd voor de nakoming is bepaald, heeft te gelden dat de vordering van [broer] op [erflater ] in principe zou verjaren op 14 november 2007 als [erflater ] voor die tijd de overeenkomst niet was nagekomen of [broer] de verjaring van de vordering niet tussentijds had gestuit. De stelling van [eiser] dat de rechtbank ten onrechte artikel 3:310 BW Pro niet in de beoordeling heeft betrokken, is dan ook onjuist.
3.7.
Daarnaast staat vast dat, voordat de verjaring van de overeenkomst van 14 november 2002 een feit was, [broer] en [erflater ] op 3 oktober 2007 een nadere afspraak hebben gemaakt, zoals hiervoor onder 2.7 weergegeven. Die afspraak hield in dat wanneer [erflater ] aan het WPF een bedrag van € 400.000,- zou schenken tijdens zijn leven of uiterlijk binnen een jaar na zijn overlijden, daarmee alle vorderingen van [broer] op [erflater ] zouden zijn gekweten. Ook de geldigheid van deze afspraak heeft geen van partijen in hoger beroep voldoende kenbaar betwist. Of het hierbij gaat om een nadere invulling van de overeenkomst van 14 november 2002, zoals [eiser] stelt, dan wel een nieuwe overeenkomst betreft, zoals [verweerder] stelt, doet voor de verjaring van de vordering van [broer] op [erflater ] niet ter zake. In beide gevallen ligt naar het oordeel van het hof in die afspraak besloten dat [broer] de vordering van € 500.000,- niet meer kon opeisen zolang [erflater ] nog leefde. Eerst wanneer na het overlijden van [erflater ] zou blijken dat hij niet tijdens zijn leven of bij testament een bedrag van € 400.000,- aan het WPF had geschonken (te betalen binnen een jaar na zijn overlijden), was de vordering van [broer] opeisbaar. Het komt het hof voor dat [erflater ] en [broer] de op 3 oktober 2007 gemaakte afspraak over en weer zo hebben bedoeld en aldus hebben mogen begrijpen, omdat in de andersluidende uitleg van [eiser] de vordering van € 500.000,- op 3 oktober 2012 zou zijn verjaard, indien deze niet tijdig was gestuit. Dat is onlogisch en niet goed verenigbaar met de afspraak dat [erflater ]
zijn hele levennog mocht schenken. Daarnaast acht het hof het niet voor de hand liggend dat [broer] en [erflater ] hebben bedoeld om de schenking aan het WPF als een ontbindende voorwaarde aan te merken, omdat dit zou betekenen dat [broer] het bedrag van € 500.000,- steeds van [erflater ] had kunnen vorderen, dat [erflater ] dit bedrag dan aan hem had moeten betalen, maar dat [erflater ] terugbetaling had kunnen vorderen van [broer] , indien hij op enig moment nog een bedrag van € 400.000,- aan het WPF had geschonken (met alle risico’s voor [erflater ] van dien). Het voorgaande betekent dat op grond van de afspraak die [broer] en [erflater ] op 3 oktober 2007 hebben gemaakt de verjaringstermijn van de vordering tot betaling van het bedrag van € 500.000,- op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro niet eerder dan na het overlijden van [erflater ] [in] 2019 is gaan lopen. Op 17 juli 2023, de datum waarop de onderhavige procedure is gestart, was de verjaringstermijn van vijf jaar dus nog niet verstreken. Hoewel op basis van een andere beoordeling dan de rechtbank, komt het hof dus eveneens tot het oordeel dat het verjaringsverweer van [eiser] niet slaagt. De grieven 1 en 2 van [eiser] treffen dan ook geen doel.
3.8.
Grief 3 van [eiser] bestaat uit twee delen. [eiser] stelt dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.17 ten onrechte heeft overwogen dat de uitkomst van de procedure niet onaanvaardbaar is en daarmee ten onrechte de stelling van [eiser] heeft verworpen dat het opeisen van de vordering in de concrete omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voorts stelt [eiser] in grief 3 dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten daarbij te betrekken dat, gelet op het bepaalde in artikel 6:23 BW Pro, de ontbindende voorwaarde van de donatie aan het WPF als vervuld had te gelden, althans dat de rechtbank heeft nagelaten te oordelen dat [broer] zijn rechten op opeising van zijn vordering had verwerkt, zo niet geheel, dan toch gedeeltelijk. Ter toelichting op deze grief stelt [eiser] allereerst dat zij de onderhavige procedure had kunnen voorkomen door uiterlijk op 10 mei 2019 een donatie te doen aan het WPF indien zij van het bestaan van die mogelijkheid weet had gehad. Volgens [eiser] wijst alles erop dat [broer] dat terdege wist. [eiser] verwijst naar de onder 2.4 genoemde notariële verklaring van [broer] van 11 december 2018, dus zeven maanden na het overlijden van [erflater ] en vijf maanden vóór afloop van de periode waarin [eiser] kwijting van de vordering had kunnen verkrijgen door de donatie te doen. [eiser] stelt dat [broer] het bestaan van zijn vordering en de daarbij behorende documenten bewust heeft verzwegen. Voorts wijst [eiser] op het feit dat [broer] na het overlijden van [erflater ] als advocaat van [verweerder] een tweetal procedures tegen haar is gestart. In die procedures heeft hij geen melding gemaakt van zijn eigen vordering op [erflater ] . Ook los van deze procedures had [broer] redelijkerwijs melding moeten maken van de door hem gepretendeerde vordering. [broer] heeft als advocaat van zijn neven op 17 maart 2020 gedetailleerd commentaar geleverd op een memorandum van notaris [notaris 2] over de omvang en samenstelling van de gemeenschap van goederen die tussen [erflater ] en [eiser] had bestaan, het privévermogen van [erflater ] en de omvang van diens nalatenschap. Over zijn eigen vordering op [erflater ] zweeg [broer] in alle talen. Dat berustte zeker niet op een misverstand of vergeetachtigheid, temeer daar [broer] een dag eerder, op 16 maart 2020 speciaal op dit punt zijn testament had laten aanpassen en [verweerder] een legaat toekende. Het gevolg van dit alles is - aldus [eiser] - dat sprake is van rechtsverwerking wat betreft de vordering van [broer] . Gezien de prominente rol die [broer] vanaf eind 2018 op zich had genomen bij de afwikkeling van de nalatenschap van [erflater ] is het, alles in aanmerking nemend, ongehoord en volstrekt onbegrijpelijk dat [broer] zijn eigen vordering van zeer aanzienlijke omvang heeft verzwegen en (ook) niet bij notaris [notaris 3] (
toelichting hof:die bij beschikking van 9 maart 2000 was bevolen een notariële boedelbeschrijving op te maken van de nalatenschap van [erflater ] ) heeft ingebracht. Aldus heeft [broer] eraan bijgedragen dat bij [eiser] de gedachte kon postvatten dat van een claim van [broer] geen sprake meer was. De aangedragen documenten waarop de vordering van [broer] op [erflater ] wordt gebaseerd, zijn bovendien schimmig en de ondertekening vond plaats in de periode dat [erflater ] ernstig ziek was. [broer] had van [erflater ] nooit mogen verwachten dat hij na september 1999 de beleggingsactiviteiten zou voortzetten, laat staan dat het ethisch toelaatbaar was hem hard af te rekenen op een niet adequaat beheer van de portefeuille in die periode. Al het voorgaande draagt bij aan het oordeel dat [broer] in de gegeven omstandigheden zijn recht op incassering van de vordering heeft verwerkt, aldus [eiser] . Dit heeft evenzeer te gelden voor [verweerder] als de verkrijger van de vordering. Onder verwijzing naar artikel 6:23 BW Pro stelt [eiser] dat [broer] , die belang had bij de niet-vervulling van de ontbindende voorwaarde in de overeenkomst van 3 oktober 2007, door het bestaan van de overeenkomst voor [eiser] te verzwijgen, heeft belet dat de voorwaarde in vervulling kon gaan, waardoor in de onderlinge verhouding tussen [broer] en [eiser] de voorwaarde als vervuld moet worden beschouwd. Door het in vervulling gaan van de ontbindende voorwaarde wordt [broer] geacht kwijting te hebben verleend voor zijn vordering, aldus [eiser] . Concluderend beroept [eiser] zich primair op rechtsverwerking en subsidiair op de redelijkheid en billijkheid, die zich ertegen zouden verzetten dat [eiser] door de bewuste verzwijging in een slechtere vermogenspositie zal geraken.
3.9.
[verweerder] voert gemotiveerd verweer. [verweerder] meent dat niet valt in te zien waarom [broer] gedurende het leven van [erflater ] iets over zijn vordering aan [eiser] zou hebben moeten melden. Het betrof een overeenkomst tussen [broer] en [erflater ] . Het was aan [erflater ] , niet aan [broer] , om [eiser] wel of niet van de overeenkomst en de vordering in kennis te stellen. Voorts is het de vraag of [eiser] benadeeld is of kan zijn doordat [broer] zijn vordering niet na de dood van [erflater ] bij [eiser] heeft gemeld. De overeenkomst van 3 oktober 2007 hield in dat [erflater ] van de vordering zou zijn gekweten als hij ( [erflater ] , dus niet [eiser] ) tijdens zijn leven of binnen een jaar na zijn dood de bedoelde donatie zou hebben gedaan. Met ‘binnen een jaar’ is bedoeld dat [erflater ] ook van de vordering zou zijn gekweten als de bedoelde donatie ter uitvoering van zijn testament binnen een jaar na zijn overlijden zou zijn betaald. Dat dit zo bedoeld is, kan ook worden opgemaakt uit de (onder 2.4 hiervoor genoemde) beëdigde verklaring van [broer] van 11 december 2018. [erflater ] heeft de donatie van € 400.000,- aanvankelijk ook in een eerder testament opgenomen, maar heeft dat later weer geschrapt. Als [broer] zijn vordering binnen een jaar na de dood van [erflater ] bij [eiser] had gemeld, had een donatie door [eiser] aan het WPF geen zin meer gehad, althans zou daarmee de verplichting tot het betalen van de schadevergoeding van € 500.000,- aan [broer] niet meer vervallen. [broer] wist overigens niet of hij na het overlijden van [erflater ] nog wel een vordering had. Weliswaar wist hij door zijn bijstand aan [verweerder] dat de donatie niet was opgenomen in het testament van [erflater ] , maar hij wist niet of [erflater ] al bij leven een donatie aan het WPF had gedaan. Daarom staat in de beëdigde verklaring uit 2018 dat [broer] denkt dat hij een vordering heeft. Tot slot lag het niet voor de hand, en was het ook niet juist geweest, indien [broer] de vordering in zijn reactie naar notaris [notaris 3] op het memorandum van notaris van [notaris 2] had gemeld. [broer] schreef deze reactie niet namens zichzelf, maar als advocaat van [verweerder] . [verweerder] concludeert dat het alsnog opeisen van de vordering, gelet op de omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is, althans dat [eiser] het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt.
3.10.
Naar het oordeel van het hof moet de afspraak die [broer] en [erflater ] op 3 oktober 2007 met elkaar hebben gemaakt zo worden uitgelegd dat zij met elkaar hebben afgesproken dat [erflater ] uiterlijk in zijn testament een bedrag van € 400.000,- aan het WPF kon schenken welk bedrag dan binnen een jaar na zijn overlijden zou moeten worden betaald, en dat [erflater ] alsdan van zijn schuld aan [broer] van (in hoofdsom) € 500.000,- zou zijn gekweten. Deze uitleg wordt gesteund door de beëdigde verklaring die [broer] op 11 december 2018 voor notaris [notaris 1] heeft afgelegd. In die verklaring geeft [broer] uitleg over de onderlinge verhoudingen in de familie [verweerder] en de met [erflater ] gemaakte afspraken in verband met de geleden beleggingsverliezen. Op pagina 4 van die verklaring staat onder meer:
“Weer veel later in oktober tweeduizend zeven hebben wij over deze vijf honderd duizend euro (€ 500.000,00) afgesproken dat ik hem die volledig zou kwijtschelden als hij bij leven of testament een schenking van vier honderd duizend euro (€ 400.000,00) zou doen aan een goed doel dat mij in die tijd aansprak, namelijk het World Population Fund. Zie productie E, waarin dit door [erflater ] is vastgelegd.
Daarmee was voor mij de kous af. Wij vonden dat beiden wel een goede oplossing. Hij heeft dit indertijd nog bij een notaris in een testament laten vastleggen. Daarna hebben hij en ik er niet meer over gesproken.
Ik weet dat in zijn laatste testament geen gift aan het World Population Fund is genoemd en ik vermoed dat hij na tweeduizend zeven ook geen gift van vier honderd duizend euro (€ 400.000,00) aan het Word Population Fund heeft gedaan.
Dus ik denk dat ik een vordering heb op mijn overleden broer, en/of op de gemeenschap waarin hij was gehuwd van vijf honderd duizend euro (€ 500.000,00), te vermeerderen met rente.
Ik denk er ernstig over om deze vordering te cederen aan de kinderen van [erflater ] of aan een van hen.”
Ook voor het overige vindt de hiervoor beschreven uitleg van de in 2007 gemaakte afspraak steun in de stukken van het geding. Zo valt uit de eigen mededelingen van de zijde van [eiser] , zoals die volgen uit rechtsoverweging 4.5 en 4.6 van het bestreden vonnis, af te leiden dat [erflater ] in een eerder testament uit 2007 de overeengekomen schenking had laten opnemen. Weliswaar stelt [eiser] thans in hoger beroep in haar nadere akte van 4 februari 2025 dat zij niet ermee bekend is of [erflater ] in oktober 2007 zijn testament heeft aangepast in die zin dat daarin een legaat van € 400.000,- aan het WPF was opgenomen, doch zij heeft geen grief gericht tegen bedoelde overwegingen van de rechtbank, terwijl uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 5 januari 2024 valt af te leiden dat haar (toenmalige) advocaat dienovereenkomstig heeft verklaard. Ook notaris [notaris 3] spreekt in zijn e-mail van 7 april 2021 over een door [erflater ] op 3 oktober 2007 getekend en later weer herroepen aanvullend testament.
3.11.
Bij deze uitleg van de op 3 oktober 2007 tussen [erflater ] en [broer] gemaakte afspraak is niet meer relevant of [broer] het bestaan van de overeenkomst(en) tussen hem en [erflater ] , al dan niet bewust, na het overlijden van [erflater ] voor [eiser] heeft verzwegen. Evenmin is relevant of [eiser] wist, noch op welk moment [eiser] ermee bekend raakte, dat de overeenkomst van 3 oktober 2007 bestond en wat de precieze inhoud daarvan was. Op grond van de op 3 oktober 2007 gemaakte afspraak had [erflater ] de mogelijkheid om uiterlijk bij testament een bedrag van € 400.000,- aan het WPF te schenken, te betalen binnen één jaar na zijn overlijden. Doordat (het aanbod tot) schenking uiterlijk bij testament door [erflater ] moest zijn gedaan, kon [eiser] na het overlijden van [erflater ] niet alsnog aan deze voorwaarde voor kwijting van de schuld van [erflater ] aan [broer] voldoen, dus ook niet als [broer] het bestaan van de overeenkomst en voorwaarde voor kwijting aan [eiser] kenbaar zou hebben gemaakt. Van een situatie als bedoeld in artikel 6:23 BW Pro is reeds om die reden geen sprake. Het voorgaande betekent tevens dat de vraag of [broer] na het overlijden van [erflater ] aan [eiser] had moeten melden dat de overeenkomsten van 14 november 2002 en 3 oktober 2007 bestonden niet van belang is voor de uitkomst van deze procedure. Gelet op alle omstandigheden van het geval is van rechtsverwerking door [broer] op grond van bewuste verzwijging dan ook geen sprake. Deze rechtsverwerking kan evenmin worden gebaseerd op de stelling van [eiser] dat de ondertekening van de documenten waarop de vordering van [broer] op [erflater ] is gebaseerd, is geschied in een periode dat de gezondheid van [erflater ] ernstig te wensen overliet. Daarnaast kan ook niet gezegd worden dat [eiser] door het zwijgen van [broer] na het overlijden van [erflater ] in een slechtere vermogensrechtelijke positie is geraakt. Dat laatste is immers de consequentie van de beslissing die [erflater ] tijdens zijn leven heeft genomen en de zuivere aanvaarding van de nalatenschap van [erflater ] door [eiser] . Grief 3 faalt dus ook.
3.12.
[eiser] heeft in de memorie van grieven een bewijsaanbod gedaan. Het bewijsaanbod ziet op de onbekendheid van [eiser] met de vordering van [broer] c.q. [verweerder] en de daaraan ten grondslag liggende documenten. Zoals hiervoor overwogen is de onbekendheid met de vordering en de daaraan ten grondslag liggende documenten van [eiser] voor de uitkomst van deze procedure niet van belang, zodat het hof het bewijsaanbod als niet ter zake dienend, passeert.
3.13.
Het hof zal, nu de grieven van [eiser] tegen het bestreden vonnis falen, de beslissing van de rechtbank van 10 april 2024 bekrachtigen. Gelet op de relatie tussen partijen zal het hof, evenals de rechtbank, de kosten van het hoger beroep compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
4. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. A.R. Sturhoofd, mr. R.M. Troost en mr. T.M. Subelack, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.