ECLI:NL:GHAMS:2026:60

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
23-002872-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en vrijspraak mishandeling met bedreiging na mediation

Op 13 januari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2022. De zaak betreft een verdachte die beschuldigd werd van mishandeling en bedreiging van een slachtoffer op 25 juli 2016 in Amsterdam. Tijdens de zittingen op 17 december 2025 en 13 januari 2026 heeft het hof de vordering van de advocaat-generaal en de verdediging van de verdachte gehoord. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte niet schuldig is aan de mishandeling, omdat niet met de vereiste mate van zekerheid kon worden vastgesteld dat de verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Daarom is de verdachte vrijgesproken van feit 1, de mishandeling. Echter, het hof heeft wel vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zoals ten laste gelegd onder feit 2. De verdachte had dreigende woorden geuit en een keelgebaar gemaakt richting het slachtoffer. Ondanks de bewezenverklaring van feit 2, heeft het hof besloten om geen straf of maatregel op te leggen, mede gezien de omstandigheden waaronder het feit is begaan en het succesvol doorlopen van een mediation-traject door zowel de verdachte als het slachtoffer. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan, waarbij de verdachte van het eerste feit is vrijgesproken en van het tweede feit als strafbaar is verklaard zonder oplegging van straf.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002872-22
datum uitspraak: 13 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-118320-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 december 2025 en 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 25 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door eenmaal of meermalen (met kracht) te slaan en/of te stompen op/tegen het hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer];
2.
hij op of omstreeks 25 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer]
- dreigend de woorden toegevoegd :"jij gaat zo dood jongen"
en/of
- ( vervolgens) (daarbij) door een of meer feitelijkheden bedreigd, immers heeft hij, verdachte, met zijn hand en/of zijn vinger(s) een of meer snijdende en/of trekkende bewegingen langs zijn keel gemaakt (zogenaamd keel-gebaar) welke bewegingen en/of gebaren hij, verdachte, maakte in de richting van en/of toonde aan voornoemde [slachtoffer],
althans (telkens) woorden en/of handelingen van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak feit 1

Naar het oordeel van het hof is op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vast te stellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, hetgeen onder 1 aan hem ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring feit 2

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op 25 juli 2016 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"jij gaat zo dood jongen" en door een feitelijkheid bedreigd, immers heeft hij, verdachte, met zijn vinger een snijdende beweging langs zijn keel gemaakt (zogenaamd keel-gebaar) welke beweging hij, verdachte, maakte in de richting van en toonde aan voornoemde [slachtoffer].
Hetgeen onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit zal op voet van artikel 359, derde lid Wetboek van Strafvordering worden volstaan met een opgave van de navolgende bewijsmiddelen:
een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [slachtoffer] van 26 juli 2016, doorgenummerde pagina’s 24- 28;
een proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2016, doorgenummerde pagina’s 44-46; en
de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 17 december 2025.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr)

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft bepaald dat de verdachte schuldig wordt verklaard aan hetgeen aan hem onder 1 en 2 ten laste is gelegd, maar dat aan hem geen straf of maatregel wordt opgelegd.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
De raadsman heeft ter terechtzitting eveneens bepleit dat wordt volstaan met het toepassen van artikel 9a van het Sr.
Gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan alsmede de omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan, waaronder het door de verdachte en de aangever met goed gevolg doorlopen van een mediation-traject alsmede de zeer lange duur van de strafprocedure, acht het hof het passend te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. W.S. Ludwig en mr. M.C. van der Mei, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2026.
De oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]