Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:580

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
23-001939-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77h SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling openlijke geweldpleging en opzettelijk ontploffing veroorzaken bij voetbalwedstrijd

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een onbekend slachtoffer en het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing met vuurwerk gericht op leden van de Mobiele Eenheid (ME) tijdens een voetbalwedstrijd in Amsterdam op 7 november 2024.

De rechtbank had de verdachte vrijgesproken, maar het hof vernietigde dit vonnis voor de feiten in zaak A en oordeelde dat het bewijs, waaronder verklaringen van verbalisanten en foto’s van de verdachte direct na aanhouding, overtuigend was. De verdachte werd vrijgesproken van het feit dat hij vuurwerk gooide, omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij dit daadwerkelijk deed.

Het hof legde een taakstraf van 90 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie van 2 maanden op, met een proeftijd van 2 jaar. De straf houdt rekening met de ernst van de feiten, de positieve gedragsontwikkeling van de verdachte en eerdere onherroepelijke straffen. De verdachte werd veroordeeld voor het geweldplegen met houten stokken en trappen tegen het slachtoffer en het aansteken en gooien van vuurwerk dat een ontploffing veroorzaakte met gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 uur taakstraf en 2 maanden voorwaardelijke jeugddetentie voor openlijke geweldpleging en het veroorzaken van een ontploffing met vuurwerk.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001939-25
datum uitspraak: 5 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-356783-24 en 13-093721-25 en 13-384316-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2007,
adres: [adres] .

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is bij het hierboven genoemde vonnis van 17 juli 2025 vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 13-356783-24 (zaak A) onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Ook ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13-093721-25 (zaak B) onder 2 tenlastegelegde is de verdachte vrijgesproken. De verdachte is veroordeeld voor zaak B onder 1 en voor de zaak met parketnummer 13-384316-24 (zaak C). Voor deze feiten is aan hem straf opgelegd.
De officier van justitie heeft op 22 juli 2025 (onbeperkt) hoger beroep ingesteld. Bij akte van 17 februari 2026 heeft de advocaat-generaal het hoger beroep beperkt tot de beslissingen die de rechtbank heeft genomen in zaak A, waar de verdachte van alle drie de feiten is vrijgesproken.
Het voorgaande betekent dat het hof, nu de verdachte geen hoger beroep heeft ingesteld, geen oordeel toekomt met betrekking tot de beslissingen in de zaken B en C. In zoverre blijft het vonnis van de rechtbank dan ook in stand.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2026 en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw
naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – in zaak A tenlastegelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 7 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten op/nabij de Karspeldreef, in elk geval op of aan de openbare weg en/of een voor publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, waarvan de identiteit tot op heden onbekend is gebleven, door:
- houten stokken uit de grond te trekken en hiermee (hard) op voornoemd slachtoffer af te rennen en/of
- een sprong te maken en vervolgens voornoemd slachtoffer op/tegen de borst te trappen, waardoor het slachtoffer achterover is gevallen en/of
- ( vervolgens) een aanloop te nemen en (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd van voornoemd slachtoffer te trappen en/of
- terwijl het slachtoffer overeind probeerde te komen, (nogmaals) met geschoeide voet op/tegen het hoofd te trappen;
2.
hij, op of omstreeks 7 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten op/nabij het Bijlmerplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of een voor publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van de politie Eenheid Amsterdam door: één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk op/tegen, althans in de richting van/naar voornoemde verbalisanten af te schieten en/of te gooien, waarbij voornoemd vuurwerk vlakbij de lichamen van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is gekomen;
3.
hij, op of omstreeks 7 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een stuk zwaar (illegaal) vuurwerk aan te steken, althans in aanraking te brengen met open vuur, en/of vervolgens dit stuk vuurwerk te gooien naar en/of in de richting van de daar aanwezige verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele eenheid van de politie Eenheid Amsterdam terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voornoemde verbalisanten te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bespreking bewijsverweren

Signalement van de verdachte
De verdachte ontkent de tenlastegelegde feiten in zaak A te hebben gepleegd. De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitnotities voor alle feiten vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij - kort gezegd - aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onbetrouwbaar is, omdat de verdachte ten onrechte is herkend als vuurwerkgooier en geweldpleger. Zij heeft onder meer gewezen op het feit dat slechts één van de verbalisanten het vuurwerk gooien zou hebben gezien en dat het signalement van de dader zoals omschreven door de verbalisanten niet overeenkomt met de verdachte. De verbalisanten hebben aangegeven dat de dader een zwarte jas droeg, terwijl op de foto gemaakt in het cellencomplex na de aanhouding te zien is dat de verdachte geen zwarte jas droeg maar een wit/grijze jas.
Het hof overweegt als volgt.
Verbalisant [verbalisant 2] heeft gezien dat één jongen iets aanstak en in de richting van de Mobiele Eenheid (ME) gooide. [verbalisant 2] zag vervolgens een paar lichtflitsen, gevolgd door een zeer harde knal die door beide verbalisanten gehoord werd. De jongen die het voorwerp gooide droeg een bruine Burberry pet, had donker halflang krullend haar, een zwarte jas en een grijze capuchon. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zijn deze jongen, die zich vervolgens met een kleiner groepje had afgesplitst, gaan volgen en hebben hem de gehele tijd in het zicht gehad. Zij waren er ook bij toen hij – op hun aanwijzen – door de aanhoudingseenheid werd aangehouden op metrostation Bullewijk. Deze gang van zaken rond de aanhouding blijkt ook uit de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , die de verdachte [medeverdachte] hebben aangehouden en zagen dat hun collega [verbalisant 5] de verdachte aanhield.
Het hof ziet geen aanleiding om aan deze gang van zaken te twijfelen, temeer nu uit het dossier blijkt dat de verbalisanten vanaf het moment van het gooien tot aan de aanhouding onafgebroken zicht hebben gehad op de verdachte.
Dat de verdachte niet de persoon zou zijn over wie [verbalisant 2] spreekt, zoals de verdediging heeft betoogd, volgt het hof niet op basis van de bewijsmiddelen en overweegt daartoe verder als volgt. Met uitzondering van de zwarte jas komt het door [verbalisant 2] opgegeven signalement overeen met de al in het dossier aanwezige foto van de verdachte en zijn kleding, zoals genomen in het cellenblok op het politiebureau.
Op de terechtzitting in hoger beroep is [verbalisant 2] als getuige gehoord. Hij heeft daarbij verklaard dat hij op zijn telefoon foto’s heeft van de op 7 november 2024 aangehouden verdachten. Deze foto’s zijn ‘op straat’ genomen, direct na de aanhouding en zijn op de zitting getoond en aan de advocaat-generaal toegezonden. De foto van de verdachte is vervolgens door het hof aan het dossier toegevoegd. Het hof verwerpt de stelling van de raadsvrouw dat niet vast staat op welk moment deze foto is gemaakt. [verbalisant 2] heeft immers onder ede verklaard dat deze foto direct na de aanhouding is genomen. Daarnaast staat op de foto van de medeverdachte de datum 7 november 2024 en tijdstip 21:24, wat overeenkomt met het tijdstip van de aanhouding. Op de foto van de verdachte is te zien dat hij een zwarte jas draagt over een wit met grijze jas, met een grijze capuchon. Verder draagt hij ook op deze foto een bruine ‘Burberry’ pet, waarbij donker krullend haar te zien is aan de zijkanten. Daarmee is wat het hof betreft iedere mogelijke twijfel, zoals eerder beschreven in het vonnis van de rechtbank, weggenomen. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte degene is geweest die door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] is gezien en gevolgd.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
Het hof stelt voorop dat aan de verdachte wordt verweten dat hij openlijk ‘
in vereniging’geweld heeft gepleegd tegen leden van de ME door vuurwerk in hun richting af te schieten of te gooien. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet blijkt dat sprake is van het ‘
in vereniging’gooien of afschieten van vuurwerk. In het door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal staat immers nadrukkelijk dat [verbalisant 2] zag dat
één (1) jongen(die door [verbalisant 2] is herkend als de verdachte) iets aanstak en gooide in de richting van de ME In het aanvullende proces-verbaal dat door de verbalisanten is opgemaakt, herhalen zij dat het vuurwerk werd gegooid door de verdachte. Naar het oordeel van het hof kan uit de bevindingen van de verbalisanten worden afgeleid dat de verdachte in een grote groep stond en hij van daaruit de verdachte het vuurwerk heeft gegooid. Maar dat enkele feit is onvoldoende om vast te stellen dat naast de verdachte ook een ander of anderen aan het gooien van het vuurwerk een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft of hebben geleverd.
Naar het oordeel van het hof is daarom niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 1
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte geen onderdeel heeft uitgemaakt van het groepje jongens dat openlijk geweld heeft gepleegd tegen een onbekend gebleven man voor de ingang van het ING-gebouw.
Zoals het hof hierboven heeft overwogen, hebben de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] onafgebroken zicht gehad op de groep waartoe ook de verdachte behoorde, ook toen de verdachte zich met een kleiner groepje had afgesplitst van de grotere groep. Zij zijn dat groepje gevolgd en hebben vervolgens gezien dat verschillende jongens uit de groep houten stokken uit de grond trokken en de man daarmee begonnen te slaan. Ook hebben de verbalisanten gezien dat één van de jongens een sprong maakte en de man op zijn borst trapte, waarna de man achterover viel. Vervolgens was te zien dat de verdachte een aanloop nam en de man, met zijn voet, een trap tegen zijn hoofd gaf. Toen de man weer overeind probeerde te komen, kreeg hij als laatste nog een trap tegen zijn hoofd van een van de andere jongens.
In het kader van openlijke geweldpleging is voldoende dat wordt bewezen dat elke dader (voorwaardelijk) opzet had op het in vereniging plegen van openlijk geweld. Niet vereist is dat betrokkenheid van elke dader bij iedere afzonderlijke geweldshandeling komt vast te staan. Uit het voorgaande blijkt dat geweld is toegepast tegen de man door de groep waarvan de verdachte deel uitmaakte. De verdachte heeft daaraan een wezenlijke bijdrage geleverd. Het hof is dan ook van oordeel dat de tenlastegelegde openlijke geweldpleging, met elke afzonderlijk ten laste gelegde geweldshandeling, bewezen kan worden.
Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 3
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van zwaar of illegaal vuurwerk, of dat überhaupt sprake is geweest van vuurwerk. Ook kan niet worden bewezen dat sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Om die reden moet de verdachte worden vrijgesproken.
Het hof acht het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en overweegt als volgt.
De verdachte bevond zich met een groep jongeren tegenover een linie van de ME op het Bijlmerplein in Amsterdam. Verbalisant [verbalisant 2] ziet dat de verdachte iets aansteekt en in de richting van de op linie staande mensen van de ME gooit. Dit voorwerp kwam ongeveer 15 meter voor de linie van de ME terecht, waarna een paar lichtflitsen volgden. Enkele seconden later hoorden verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] een zeer harde knal.
Gelet op de voornoemde kenmerken van vuurwerk, te weten ‘aansteken’, ‘lichtflitsen’ en vervolgens ‘een zeer harde knal’ kan het hof niet anders dan vaststellen dat het door de verdachte aangestoken en weggegooide voorwerp in elk geval als vuurwerk kan worden aangemerkt dat per definitie gevaar voor zwaar lichamelijk letsel kan opleveren wanneer dit in de richting van personen wordt gegooid.
Overigens is het in dit verband geen vereiste dat het om officieel als ‘zwaar’ of ‘illegaal’ aan te merken
vuurwerk gaat. Door het stuk vuurwerk op de hiervoor beschreven wijze af te steken en weg te gooien op een afstand van circa 15 meter richting de ME, heeft de verdachte opzettelijk een ontploffing teweeg gebracht, waarvan het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is dat het gevaar op kan leveren voor zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van omstanders, in dit geval in het bijzonder voor de leden van de ME. Ook als er niemand direct wordt geraakt, zoals in dit geval, kan er door de harde knal die door de ontploffing wordt veroorzaakt bijvoorbeeld gehoorschade ontstaan. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het ondanks voornoemde waarnemingen om iets anders dan vuurwerk ging, noch dat de verdachte ervan uitging of mocht uitgaan dat het gooien hiervan naar de ME geen enkel gevaar op zou leveren.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feiten 1 en 3:
1. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 10-12 procesdossier].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
Op 7 november 2024 stonden wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , in burger gekleed en belast met het handhaven van de openbare orde, op het Bijlmerplein te Amsterdam. Daar zagen wij, verbalisanten, een groep jongens van ongeveer 40 man. In de verte zagen wij collega's van de Mobiel Eenheid op linie staan voor deze groep jongeren.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag één (1) jongen iets aansteken en gooien in de richting van de collega's van de Mobiele Eenheid. Ik zag dat het voorwerp neerkwam ongeveer 15 meter voor de linie van de Mobiele Eenheid. Ik zag vervolgens een paar lichtflitsen. Enkele seconde later hoorden wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , een zeer harde knal.
Signalement jongen vuurwerk:
- licht getinte huidskleur;
- bruine Burberry pet;
- donker halflange krullend haar;
- grijze capuchon;
- zwarte jas.
Dit bleek later te zijn: ** [verdachte] , [verdachte] geboren op [geboortedag 1] 2007 **
Wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , zagen dat de groep jongeren na de knal uiteen renden. Wij zagen dat [verdachte] zich verplaatste met een kleinere groep jongens van ongeveer acht man. Wij hebben dit gecommuniceerd naar onze commandant, waarop wij de opdracht kregen om deze jongens te volgen.
Wij, verbalisanten, liepen vanaf het Bijlmerplein in de richting van de Bijlmerdreef. Wij zagen dat [verdachte] met de groep onder het viaduct van de Bijlmerdreef doorliepen. Wij zagen dat de groep voor het ING gebouw, linksaf het plein opliepen. Vervolgens zagen wij dat de groep contact maakte met een man die zat voor de ingang van het ING gebouw.
Wij hoorden en zagen dat de groep jongens en de man tegen elkaar schreeuwden. Vervolgens
zagen wij dat de groep jongens de man in eerste instantie passeerden en wegliepen richting de Bijlmerdreef. Wij zagen dat enkele jongens uit de groep houten stokken uit de grond trokken. Wij zagen dat de jongens zich vervolgens omdraaiden en richting de man renden. Wij zagen dat één van de jongens een sprong maakte en de man op zijn borst trapte. Wij zagen dat de man hard, achterover, op de grond viel. Wij zagen dat de man op zijn arm leunde en overeind probeerde te komen. Wij zagen dat [verdachte] een aanloop nam en de man, met zijn voet, een trap tegen zijn hoofd gaf. Wij zagen dat de man weer overeind probeerde te komen. Wij zagen dat de jongens de stokken gebruikten om de man te slaan. Als laatste zagen wij één jongen nog een laatste trap na geven op het hoofd van de man. Wij zagen dat het hoofd van de man achterover klapte en dat de man op de grond bleef liggen. Later hoorden wij collega's doorgeven dat zij het slachtoffer niet meer hebben aangetroffen.
Wij, verbalisanten, kunnen de jongen, die als tweede een trap tegen het hoofd van de man gaf, als volgt omschrijven:
- licht getinte huidskleur;
- zwarte Gucci pet;
- zwarte jas;
- lichtgrijze joggingsbroek.
Dit bleek later te zijn: ** [medeverdachte] , [medeverdachte] geboren op [geboortedag 2] 2009 **
Wij zagen dat [medeverdachte] en [verdachte] met zijn tweeën verder renden in de richting van het station Bijlmer Arena. Wij zagen dat zij direct naar binnen renden en door de poortjes met de roltrap omhoog naar de metro gingen. Wij zagen dat zij metro 50 in gingen in de richting van metrohalte Bullewijk. Wij zagen dat zij bij de eerst volgende halte, Bullewijk, uitstapten. Wij zagen dat de aanhoudingseenheid hen vervolgens heeft aangehouden.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 4-6 aanvullend procesdossier].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
Toen wij, verbalisanten, op 7 november aankwamen op het Bijlmerplein zagen wij een groep van ongeveer 40 jongeren staan. Deze groep stond tegenover een linie politieagenten van de Mobiele Eenheid. Wij kunnen de sfeer omschrijven als grimmig. Nadat deze groep uit elkaar was gerend, door het afsteken van vuurwerk door [verdachte] , hielden wij zicht op het groepje waarin [verdachte] zich verplaatste. Dit waren acht jongens. In dit groepje van acht was verdachte [medeverdachte] ook aanwezig. [medeverdachte] is op dat moment pas bij ons in beeld gekomen.
Op het moment dat [verdachte] het vuurwerk gooide in de richting van de Mobiele Eenheid, stonden wij, verbalisanten, op ongeveer 10 meter afstand. Wij hadden onbelemmerd zicht op de verdachte.
Het overgrote deel van de groep was donker gekleed met veelal petjes of capuchons op. Wij, verbalisanten, konden [verdachte] goed in het zicht houden omdat hij zich verplaatste in een kleiner groepje. Opvallend aan [verdachte] was dat hij een lichtbruine pet van het merk 'Burberry' op had.
Opvallend aan [medeverdachte] was dat hij als enige van de groep van acht een lichtgrijze joggingbroek aan had en een zwarte Gucci pet op. Wij hebben vanaf het Bijlmerplein constant zicht gehad op deze twee verdachten die zich verplaatste in een groepje van acht. Hierdoor konden wij hen goed onderscheiden van de anderen in het groepje.
Kort nadat wij, verbalisanten, aankwamen op het Bijlmerplein zagen wij [verdachte] vuurwerk aansteken en in de richting van de politie gooien. [verdachte] stond op dat moment in het midden van deze groep. Wij zagen een flits en zagen dat de groep van 40 personen begon te rennen. Wij hoorden het vuurwerk afgaan. Wij zagen [verdachte] in een groepje van acht jongens in de richting van de Bijlmerdreef gaan. Wij hebben verder niemand anders vuurwerk zien gooien.
Het groepje van acht, met verdachte [verdachte] en [medeverdachte] , verplaatste zich richting het ING gebouw aan de Bijlmerdreef. Daar maakten zij contact met het latere slachtoffer. Wij hoorden bij het eerste contact al wat geschreeuw tussen de groep van acht en het slachtoffer. Wat er exact werd gezegd is bij ons niet bekend. Vervolgens liep de groep van acht door, terug richting de Bijlmerdreef. Wij zagen dat één jongen een stok pakte van of uit de grond. Wij hoorden dat iemand uit de groep wat riep richting het slachtoffer. De afstand tussen hen en het slachtoffer was toen zo'n 20 meter. Wij zagen dat onder andere verdachte [medeverdachte] en [verdachte] ook een stok uit de grond pakten. Uiteindelijk waren er vier jongens met een stok, waarmee het slachtoffer werd geslagen. Wij hoorden en zagen dat [medeverdachte] en [verdachte] ook richting het slachtoffer schreeuwden. Wij konden niet horen wat er precies geroepen werd, maar het klonk als ruzie. Ten tijde van de mishandeling stonden wij, verbalisanten, op ongeveer 15 meter afstand. Wij hadden onbelemmerd zicht op deze mishandeling. Van het groepje van acht waren er zeker nog twee, naast de aangehouden verdachten, die mee hebben gedaan met de mishandeling.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 7-9 procesdossier].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
Op 7 november 2024 bevonden wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , ons in burger gekleed, op de openbare weg, op de metrostation Bullewijk te Amsterdam. Wij maakten op dat moment deel uit van de
aanhoudingseenheid. De aanhoudingeenheid is een onderdeel van de Mobiele Eenheid met als speciale taak het aanhouden van verdachten.
Op donderdag 7 november 2024 omstreeks 21.20 uur kregen wij van de collega's van de verkenningseenheid AML46151 en AML42389 de melding dat er twee mannen konden worden aangehouden voor openlijke geweldpleging en het afsteken van vuurwerk. NN1 had het volgende signalement: Burberry pet, lichtkleurige broek, grijze capuchon.
De verkenningseenheid liep achter de twee mannen en kon ons vertellen dat beide mannen bij Metrostation Bijlmer de metro 50 richting Bullewijk waren in gegaan. Wij zijn hierop het perron opgelopen en zagen een metro 50 staan. Hierop zijn wij de metro in gegaan. Vervolgens stopte de metro bij Metrostation Bullewijk. Ik, verbalisant zag twee mannen uit de metro stappen. Ik zag dat de ene man het volgende signalement had, Burberry pet, grijze capuchon, en lichtkleurige broek. Ik hoorde op dat moment mijn commandant zeggen dat de andere man ook aangehouden mocht worden. De man bleek later te zijn genaamd: *** [medeverdachte] , [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats 2] ***
Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , hielden [medeverdachte] op donderdag 7 november 2024 omstreeks 21.25 uur aan. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , zag dat collega [verbalisant 5] NN1 had aangehouden. NN1 bleek later te
zijn genaamd: *** [verdachte] , [verdachte] geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats 1] ***.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 13-356783-24:
1.
hij, op 7 november 2024 te Amsterdam, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, waarvan de identiteit tot op heden onbekend is gebleven, door: - houten stokken uit de grond te trekken en hiermee op voornoemd slachtoffer af te rennen en
- een sprong te maken en vervolgens voornoemd slachtoffer op/tegen de borst te trappen, waardoor het slachtoffer achterover is gevallen en
- vervolgens een aanloop te nemen en met geschoeide voet op/tegen het hoofd van voornoemd slachtoffer te trappen en
- terwijl het slachtoffer overeind probeerde te komen, nogmaals met geschoeide voet op/tegen het hoofd te trappen.
3.
hij, op of omstreeks 7 november 2024 te Amsterdam, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een stuk vuurwerk aan te steken en dit stuk vuurwerk te gooien in de richting van de daar aanwezige verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele eenheid van de politie Eenheid Amsterdam terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voornoemde verbalisanten te duchten was.
Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen jeugddetentie en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2jaren.
De raadsvrouw heeft verzocht om een taakstraf op te leggen in het geval van strafoplegging.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich rondom de wedstrijd Ajax tegen Maccabi Tel Aviv samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een onbekend gebleven slachtoffer, waardoor er ook geen nadere informatie is over de mate van letsel bij het slachtoffer. Met het door verdachte gepleegde geweld heeft hij in ieder geval de lichamelijke integriteit van het slachtoffer in ernstige mate geschonden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij aan dit geweld heeft bijgedragen. Ook heeft de verdachte, toen de groep werd tegengehouden door de ME, vuurwerk in de richting van de ME gegooid. Dat vuurwerk is daarop ontploft. De verdachte heeft hierdoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel veroorzaakt en is respectloos voorbijgegaan aan het ambtelijk gezag van de politie en het publieke belang dat door de politie wordt gediend. Zij zijn er juist om de openbare orde te handhaven en de veiligheid van de burgers te waarborgen.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte houdt het hof in het kader van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) in aanzienlijke mate rekening met het vonnis van de rechtbank van 17 juli 2025, waarbij de verdachte in de zaken B ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde en C is veroordeeld tot 1 maand voorwaardelijke jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest. Deze straffen zijn inmiddels onherroepelijk. De onderhavige feiten uit zaak A waren daarbij in eerste instantie ook aan de orde, zodat het hof rekening houdt met een taakstrafmaximum van 240 uren. Verder houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de door de Raad voor de Kinderbescherming in het rapport van 30 juni 2025 geadviseerde bijzondere voorwaarden bij dit vonnis zijn opgelegd en dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. Uit actuele informatie van 12 februari 2026 van de IFA-coach van de verdachte blijkt dat er sprake is van een positieve ontwikkeling in het gedrag, houding en motivatie van de verdachte.
Hoewel het hof gelet op de ernst van de feiten goed kan volgen dat de officier van justitie in eerste aanleg een grotendeels onvoorwaardelijke jeugddetentie heeft gevorderd en de feiten dit in beginsel ook rechtvaardigen, acht het hof gelet op het voorgaande, met de advocaat-generaal, het in het belang van de verdachte en de samenleving dat deze positieve ontwikkeling niet wordt geblokkeerd of doorkruist door een straf die zou meebrengen dat de verdachte wederom in detentie moet verblijven.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke jeugddetentie en een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij de in beslaggenomen telefoon terug heeft gekregen, zodat het hof geen noodzaak ziet om nog een beslissing ten aanzien van het beslag te nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
45 (vijfenveertig) dagen jeugddetentie.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. M.T.C. de Vries en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. van Wieren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 maart 2026.
Mrs. M.T.C. de Vries en C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]