ECLI:NL:GHAMS:2026:557

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
200.361.030/01 SKG
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis inzake afgifte bruidsschat en voorschot schadevergoeding

Partijen zijn in 2018 gehuwd en de vrouw ontving een bruidsschat bestaande uit diverse gouden sieraden en munten. Na ontbinding van het huwelijk is in een eerdere procedure vastgesteld dat deze sieraden tot het persoonlijk vermogen van de vrouw behoren en dat de man deze moet afgeven indien hij ze onder zich heeft.

De vrouw vorderde in kort geding afgifte van de sieraden en subsidiair een schadevergoeding indien afgifte niet mogelijk zou zijn. De voorzieningenrechter wees de primaire vordering af maar veroordeelde de man tot betaling van € 40.000,- als voorschot op schadevergoeding.

De man stelde in hoger beroep onder meer dat de vrouw geen spoedeisend belang had, dat hij de sieraden niet onder zich had en dat de waarde van de sieraden onjuist was vastgesteld. Het hof oordeelde dat de vordering tot afgifte zich leent voor kort geding en dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Het hof vond het aannemelijk dat de man de sieraden onder zich had en niet had teruggegeven, en dat de schade van de vrouw voorshands op € 40.000,- kan worden gesteld.

De grieven van de man faalden en het hof bekrachtigde het bestreden vonnis. De proceskosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de man verplicht tot afgifte van de bruidsschat en betaling van € 40.000,- voorschot schadevergoeding, met compensatie van proceskosten.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.361.030/01 SKG
zaaknummer rechtbank : C/13/774901 / KG ZA 25-694 NB/EB
arrest van de meervoudige familiekamer van 3 maart 2026
inzake
[de man],
wonende te [plaats A] ,
appellant,
hierna ook te noemen: de man
advocaat: mr. S. Kandemir te Dordrecht,
tegen
[de vrouw],
wonende te [plaats A] ,
geïntimeerde,
hierna ook te noemen: de vrouw
advocaat: mr. F. Ayar te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

1.1
De man is bij dagvaarding van 23 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 25 september 2025 (hierna: het bestreden vonnis). Dat vonnis is in kort geding gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven.
1.2
De vrouw heeft een memorie van antwoord met producties ingediend.
1.3
De man concludeert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en dat het hof – opnieuw rechtdoende – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vrouw alsnog niet ontvankelijk verklaart, althans haar initiële vorderingen alsnog afwijst en zijn initiële vorderingen alsnog toewijst.
1.4
De vrouw concludeert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis bekrachtigt en de man veroordeelt in de kosten van de procedure.
1.5
Partijen hebben de zaak ter zitting van 8 januari 2026 doen bepleiten door hun advocaten. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw een H3-formulier van 2 januari 2026 met productie ingediend en de man een H12-formulier van 7 januari 2026 met productie. De man is tijdens de mondelinge behandeling bijgestaan door een tolk in de Turkse taal, de heer A. Arpot.
1.6
Ten slotte is arrest gevraagd.

2.Feiten en uitgangspunten

2.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
  • i) Partijen zijn [in] 2018 te [plaats A] met elkaar gehuwd.
  • ii) Bij die gelegenheid heeft de vrouw een bruidsschat gekregen;
  • iii) Partijen huurden een kluis aan de [A-straat] te [plaats A] . De man heeft die kluis bezocht op 20 januari 2023 om 13:14 uur;
  • iv) Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is, onder meer, geoordeeld dat de gouden sieraden (de bruidsschat) naar Turks recht tot het persoonlijk vermogen van de vrouw behoren en dat de man deze gouden sieraden, voor het geval hij deze onder zich heeft, moet afgeven aan de vrouw;
  • v) De echtscheiding is op 15 april 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.
2.2
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis naar aanleiding van de vorderingen van de vrouw:
  • de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 40.000,-, bij wijze van voorschot op schadevergoeding;
  • bepaald dat de vrouw geen rechten aan deze veroordeling kan ontlenen als de man haar de sieraden, afgebeeld op productie 3 bij dagvaarding (in eerste aanleg), teruggeeft;
een en ander met compensatie van de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraadverklaring en afwijzing van de primaire vordering van de vrouw (tot veroordeling van de man tot afgifte van de sieraden).

3.Beoordeling

3.1
De man is met zestien grieven opgekomen tegen het bestreden vonnis. Samengevat komen de grieven van de man erop neer dat de voorzieningenrechter ten onrechte een (voldoende) spoedeisend belang aan de zijde van de vrouw heeft aangenomen, dat de voorzieningenrechter ten onrechte er van uitgegaan is dat hij de gouden sieraden en munten heeft weggenomen, en dat de voorzieningenrechter de waarde van de sieraden ten onrechte op een bedrag van € 45.000,- heeft gesteld. Het hof zal deze bezwaren van de man hierna beoordelen. Alvorens daaraan te toe komen, zal het hof evenwel eerst vaststellen over welke sieraden het in deze procedure gaat.
De omvang van de bruidsschat
3.2
De vrouw heeft in eerste aanleg als productie 3 een foto overgelegd van de sieraden die zij als bruidsschat heeft gekregen. Daarbij heeft zij gesteld dat het gaat om:
- 14 stuks gouden armbanden van 30 gram per stuk;
- een lint met 14 gouden munten;
- een gouden ketting met vijf gouden munten;
- een gouden ketting met een grote gouden munt;
- een gouden ketting met een gouden munt;
- een gouden munt.
3.3
De man heeft in eerste aanleg niet betwist dat de bruidsschat van de vrouw uit deze sieraden en munten bestaat. De voorzieningenrechter heeft dit dan ook in r.o. 2.1 van het bestreden vonnis als uitgangspunt genomen. In zijn memorie van grieven heeft de man geen grief tegen dit uitgangspunt gericht. Pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man gesteld dat de bruidsschat van de vrouw niet uit zoveel sieraden en munten heeft bestaan en dat de sieraden die te zien zijn op voornoemde foto niet van de vrouw zijn. Dit is te laat. Grieven dienen in beginsel te worden aangevoerd in het eerste processtuk dat een partij in hoger beroep indient. De vrouw heeft niet ondubbelzinnig ingestemd met de aanvoering van een nieuwe grief door de man op zitting en ook van de overige in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen op de hiervoor vermelde regel is in deze zaak geen sprake. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat de bruidsschat van de vrouw bestaat uit de hiervoor onder 3.2 opgesomde gouden sieraden en munten.
Spoedeisend belang
3.4
Volgens de man heeft de voorzieningenrechter ten onrechte geoordeeld dat de vrouw een voldoende spoedeisend belang bij het door haar gevorderde heeft. Daarnaast lenen de vorderingen van de vrouw zich niet - aldus de man - voor een kort geding procedure. Daarvoor is de zaak volgens de man te complex. De man betwist dat hij de gouden sieraden en munten onder zich heeft. In de echtscheidingsprocedure is ook al over de gouden sieraden geprocedeerd en toen kon ook al niet worden vastgesteld wie de sieraden had. Bovendien heeft de vrouw een geldbedrag gevorderd. Daarvoor gelden in kort geding strenge eisen. De vrouw heeft volgens de man ook voor het overige geen spoedeisend belang gesteld. Zij heeft slechts gesteld dat zij heeft gehoord dat de man een woning in Turkije wil kopen en dat zij vreest dat de man de sieraden zal inwisselen om met de opbrengst daarvan de koopprijs van die woning te voldoen. De man gaat echter helemaal geen woning in Turkije kopen.
3.5
Het hof oordeelt als volgt. In eerste aanleg heeft de vrouw primair afgifte van de gouden sieraden gevorderd. Een vordering tot afgifte leent zich bij uitstek voor een kort geding procedure. Als kan worden vastgesteld dat iemand een of meer goederen van een ander zonder geldige titel onder zich houdt, kan van de degene die recht op die goederen heeft niet worden gevergd dat hij die toestand duldt in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure. In deze procedure heeft de vrouw subsidiair om een schadevergoeding gevraagd. Dit heeft zij gevraagd voor het geval de man de sieraden feitelijk niet meer kan afgeven. Deze subsidiaire vordering ligt dus in het verlengde van de gevorderde afgifte. Naar het oordeel van het hof geldt daarmee ook voor de gevorderde schadevergoeding dat als in voldoende mate vaststaat dat de man de sieraden onder zich heeft gehad maar om de een of andere reden feitelijk niet meer kan afgeven, van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij duldt dat betaling van de alsdan door hem verschuldigde schadevergoeding uitblijft in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure. Daarbij geldt dan wel dat de omvang van de gestelde schade voorshands voldoende aannemelijk moet zijn.
3.6
Het hof zal hierna uiteenzetten waarom in voldoende mate vast staat dat de man de sieraden onder zich heeft (gehad). Eveneens staat naar het oordeel van het hof voldoende vast wat de schade is die de vrouw lijdt als de man de sieraden en munten niet meer kan afgeven. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, is het spoedeisend belang van de door de vrouw gevraagde voorzieningen gegeven. De grieven van de man die betrekking hebben op het spoedeisend belang slagen dan ook niet.
De verdere beoordeling van de grieven
3.7
De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de sieraden onder zich heeft (gehad). Volgens de man had de vrouw de sieraden op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap (3 april 2024) onder zich. De gesprekken en berichten waarnaar de voorzieningenrechter in de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.6 van het bestreden vonnis verwijst, dateren allemaal van ruim vóór 3 april 2024. De sieraden waarover de vrouw het heeft, hebben bovendien nooit in de kluis gelegen. In de kluis hebben alleen de hypotheekakte, de autopapieren en twee gouden munten van ieder 1.25 gram gelegen. De man heeft verder gewezen op een foto van de vrouw die op 28 augustus 2024 is genomen. Dat is dus na de peildatum van 3 april 2024. Op die foto heeft de vrouw drie zware gouden armbanden om. Daaruit volgt volgens de man dat de vrouw de gouden sieraden, althans een deel daarvan, heeft. Dat de vrouw deze sieraden heeft gekocht met haar aandeel in de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, is volgens de man niet geloofwaardig. De factuur die de vrouw ter onderbouwing van haar stellingen heeft overgelegd, ziet op een ring en één armband. Die factuur heeft dus geen betrekking op drie gouden armbanden. Bovendien lijkt de factuur niet authentiek.
3.8
Het hof oordeelt als volgt. In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter in de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.6 verwezen naar een aantal telefoongesprekken en berichten tussen de man en zijn ex-schoonmoeder, alsmede tussen de man en de vrouw. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de inhoud van die gesprekken en berichten het sterke vermoeden volgt dat de man de gouden sieraden en munten uit de kluis heeft genomen en in die periode onder zich had. In hoger beroep heeft de man dat ook niet betwist. Evenmin heeft hij betwist dat hij de twee enige sleutels van de kluis in zijn bezit had en dat de vrouw geen toegang had tot de kluis. In hoger beroep heeft de man slechts erop gewezen dat de hiervoor genoemde gesprekken en berichten dateren van ruim vóór 3 april 2024. Daarmee lijkt hij te suggereren dat hij de sieraden en munten vóór 3 april 2024 aan de vrouw heeft teruggegeven. Dat hij dit inderdaad heeft gedaan, heeft hij echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Immers, als de man de sieraden daadwerkelijk aan de vrouw zou hebben teruggegeven, dan had het voor de hand gelegen dat hij in ieder geval zou stellen wanneer hij dit heeft gedaan. Dat heeft hij nagelaten. Verder heeft de man in deze procedure wisselende en met elkaar tegenstrijdige stellingen ingenomen. Zo heeft hij, zoals hiervoor reeds overwogen, pas voor het eerst op de mondelinge behandeling in hoger beroep betwist dat de bruidsschat van de vrouw uit de door haar genoemde sieraden en munten zou bestaan. Eerder heeft hij de samenstelling van de bruidsschat niet betwist. Daarbij komt dat de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangegeven dat de bruidsschat slechts uit 4 of 5 goudstukken bestond die hij in 2017 zelf in Turkije zou hebben gekocht. Tegelijkertijd heeft hij in zijn memorie van grieven gewezen op de drie gouden armbanden die de vrouw op de foto van 28 augustus 2024 om heeft en heeft hij gesteld dat hieruit volgt dat de vrouw de bruidsschat onder zich heeft. Die stellingen zijn niet met elkaar te verenigen. Als de bruidsschat slechts uit 4 of 5 gouden munten zou hebben bestaan, kan de vrouw met de drie armbanden niet (een deel van) de bruidsschat onder zich houden. Bovendien blijkt uit de inhoud van het gesprek op 26 januari 2023 tussen de man en zijn ex-schoonmoeder dat de man haar belooft dat hij “
haar de gouden sieraden ga geven” (r.o. 4.3 bestreden vonnis).
3.9
Het hof is dan ook op grond van het voorgaande - evenals de voorzieningenrechter - van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de man de sieraden en gouden munten onder zich heeft gehad en dat hij deze niet aan de vrouw heeft teruggegeven. Op grond van de beschikking van de rechtbank van 19 februari 2025 rust op de man dan ook de verplichting om die sieraden en munten alsnog aan de vrouw af te geven. Indien en voor zover de man feitelijk niet meer in staat is om aan die verplichting te voldoen, is voorshands ook voldoende aannemelijk dat hij jegens de vrouw schadeplichtig is. Vast staat immers dat de gouden sieraden en munten aan de vrouw toebehoorden. Als de man de gouden sieraden en munten niet meer aan de vrouw kan teruggeven, heeft hij een inbreuk gemaakt op haar recht op deze goederen. In dat geval rust op hem de verplichting om de schade die daaruit voortvloeit aan haar te vergoeden.
3.1
Om in kort geding een (voorschot op) een dergelijke schadevergoeding te kunnen toewijzen, is dan nog wel vereist dat de omvang van de schade voorshands voldoende vast staat (vgl. r.o. 3.5 hiervoor). Naar het oordeel van het hof staat die schade voorshands voldoende vast. Daarbij is allereerst van belang dat in dit hoger beroep moet worden uitgegaan van de omvang van de bruidsschat zoals de vrouw die heeft gesteld. Het gaat dus om de waarde van 14 gouden armbanden van 30 gram per stuk; een lint met 14 gouden munten; een gouden ketting met vijf gouden munten; een gouden ketting met een grote gouden munt; een gouden ketting met een gouden munt en een gouden munt. In hoger beroep heeft de vrouw als productie 2 een prijslijst overgelegd van een juwelier waaruit volgt dat één gouden armband van 30 gram een waarde vertegenwoordigt van € 3.315,-. Daarmee bedraagt de waarde van de armbanden volgens de vrouw alleen al (afgerond) € 46.000,-. De man heeft dit niet (voldoende) gemotiveerd betwist. Aldus is het hof van oordeel dat de schade die de vrouw heeft geleden voorshands in ieder geval op een bedrag van € 40.000,- kan worden gesteld.
Conclusie
3.11
De conclusie van het voorgaande is dat de grieven van de man falen. Het hof zal het bestreden vonnis dan ook bekrachtigen. Omdat partijen ex-echtgenoten zijn, zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

4.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. A.R. Sturhoofd en mr. T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.