ECLI:NL:GHAMS:2026:548

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
200.337.124/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 6:76 BWArt. 6:98 BWArt. 7:404 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperkte schadevergoeding wegens eigen schuld bij beveiligingsopdracht met diefstalincident

In deze civiele zaak heeft appellant een beveiligingsopdracht verstrekt aan geïntimeerde, die deze opdracht door een derde liet uitvoeren. Tijdens deze opdracht vond een diefstalincident plaats, waardoor appellant schade leed. Het hof oordeelde in een tussenarrest dat geïntimeerde aansprakelijk is voor de schade, maar stelde de omvang van de schade en de mate van eigen schuld nog open.

Na nadere onderbouwing van de gederfde winst door appellant en het verweer van geïntimeerde over eigen schuld, concludeert het hof dat appellant onvoldoende heeft gecontroleerd of de derde over de vereiste grijze pas beschikte. Dit nalaten wordt als eigen schuld aangemerkt, waardoor de schadevergoeding aanzienlijk wordt verminderd.

Het hof weegt de verwijtbaarheid van beide partijen en bepaalt dat 80% van de schade aan appellant kan worden toegerekend, en 20% aan geïntimeerde. Gezien de billijkheidscorrectie wordt de vergoeding uiteindelijk vastgesteld op 6% voor geïntimeerde en 94% voor appellant. De wettelijke rente wordt slechts over een klein deel van de directe schade toegekend. De kosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van een beperkte schadevergoeding van €5.414,17 wegens eigen schuld van appellant.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.337.124/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/729851/ HA ZA 23-160
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2026
in de zaak van
[appellant],
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. L.Q. Jolink te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
tevens incidenteel appellant,
advocaat: mr. A.J. Engelsma te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[appellant] heeft [geïntimeerde] ingehuurd voor een beveiligingsopdracht. [geïntimeerde] heeft die opdracht laten uitvoeren door een derde, die tijdens die opdracht een diefstal heeft (mede)gepleegd. [appellant] vindt dat [geïntimeerde] de schade die [appellant] daardoor heeft geleden moet vergoeden. Die schade bestaat volgens haar uit het bedrag dat [appellant] aan haar opdrachtgever heeft uitgekeerd en de gederfde winst als gevolg van het uitblijven van nieuwe opdrachten van die opdrachtgever.
1.2.
Het hof heeft een tussenarrest gewezen waarin onder meer het verweer van [geïntimeerde] dat geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, is verworpen en is geoordeeld dat [geïntimeerde] in beginsel aansprakelijk is voor de door [appellant] als gevolg van het diefstalincident geleden schade. Partijen hebben zich vervolgens mogen uitlaten over de onderwerpen gederfde winst en eigen schuld. In dit eindarrest komt het hof tot de conclusie dat de schade voor een belangrijk deel te wijten is aan de eigen schuld van [appellant] , zodat de schade voor een groot deel voor haar rekening moet blijven.

2.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

2.1.
Op 30 september 2025 is een tussenarrest gewezen waarin het procesverloop tot aan dat arrest vermeld is. In het tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld een akte te nemen over de omvang van de door [appellant] gederfde winst en over het beroep van [geïntimeerde] op eigen schuld van [appellant] . Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte uitlating met producties van [appellant] ,
- antwoordakte van [geïntimeerde] .
2.2.
Partijen hebben daarna opnieuw arrest gevraagd.

3.De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1.
Het gaat in deze zaak nu alleen nog om de volgende twee vragen:
(i) hoeveel bedraagt de door [appellant] gevorderde schade in de vorm van gederfde winst ten gevolge van het diefstalincident?
(ii) is [geïntimeerde] aansprakelijk voor de volledige door [appellant] gevorderde schadevergoeding (gederfde winst van € 85.438,- plus het schadedrag van € 4.808,17, dus in totaal € 90.246,17), dan wel kan [geïntimeerde] met succes een beroep doen op eigen schuld (als bedoeld in artikel 6:101 BW Pro) van [appellant] die tot gevolg heeft dat [geïntimeerde] niet of tot een lager bedrag jegens [appellant] aansprakelijk is.
3.2.
Beide vragen zijn relevant voor de beoordeling van zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep. Het hof blijft bij zijn oordelen als verwoord in het tussenarrest en beantwoordt beide vragen hierna als volgt.
omvang van de door [appellant] gederfde winst
3.3.
Naar aanleiding van het tussenarrest heeft [appellant] bij akte als productie 23 een brief van haar accountant van 23 oktober 2025 overgelegd. In deze brief wordt door de accountant toegelicht waarom het gemiddelde netto-bedrag van de door [appellant] gederfde winst over de jaren 2019 en 2020 door het wegvallen van omzet bij haar klant Securitas € 85.438,- bedraagt. [appellant] heeft daarmee voldaan aan de in het tussenarrest onder 5.11 aan haar geboden gelegenheid om de netto gederfde winst nader te onderbouwen.
3.4.
In zijn antwoordakte gaat [geïntimeerde] alleen in op de hiervoor onder (ii) vermelde vraag, maar niet op de toelichting en berekening van de accountant van [appellant] , laat staan dat hij de juistheid daarvan (gemotiveerd) betwist. Voor zover [geïntimeerde] zijn aanvankelijke betwisting van de omvang van de door [appellant] gederfde winst had willen handhaven, had het – gegeven de hem daartoe in het tussenarrest door het hof geboden mogelijkheid – op zijn weg gelegen inhoudelijk te reageren op de verdere toelichting daarvan door [appellant] en zijn betwisting nader te onderbouwen. Nu [geïntimeerde] dit heeft nagelaten, wordt de omvang van de door [appellant] gederfde winst tussen partijen door het hof vastgesteld op een bedrag van € 85.438,-.
eigen schuld van [appellant]
3.5.
Het hof heeft in het tussenarrest overwogen dat [geïntimeerde] verschillende argumenten heeft aangevoerd waarom de door [appellant] geleden schade voor haar eigen rekening dient te blijven (rov. 5.15 van het tussenarrest). Het hof heeft die argumenten aangemerkt als een beroep van [geïntimeerde] op eigen schuld van [appellant] (artikel 6:101 BW Pro). Het hof heeft vervolgens geconstateerd dat dit punt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onderbelicht was gebleven. Ter voorkoming van een verrassingsbeslissing heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld zich bij akte hierover uit te laten.
3.6.
De stellingen van [geïntimeerde] houden kort gezegd het volgende in. De schade van [appellant] dient wegens haar eigen schuld op grond van artikel 6:101 BW Pro, waaronder met name de in dit artikel verwoorde billijkheidscorrectie, volledig voor haar rekening te komen. Volgens [geïntimeerde] had [appellant] moeten controleren of de door hem ingeschakelde persoon ( [naam] ) over een zogeheten “grijze pas” beschikte. [appellant] – en niet [geïntimeerde] , die zo wist [appellant] , geen erkend beveiligingsbedrijf was – kon deze informatie opvragen via V-base. [naam] had in 2019 al een keer voor [appellant] gewerkt, dus [appellant] wist wie hij was en dat hij kwam werken omdat Schut daar via WhatsApp akkoord op had gegeven. Dat [appellant] heeft nagelaten de aanwezigheid van een grijze pas te controleren terwijl zij daartoe wel in de gelegenheid was en dat zich vervolgens een incident heeft voorgedaan, behoort voor haar rekening en risico te blijven. Bovendien nam [appellant] het niet zo nauw met de regels en werkte zij vaker met beveiligers van wie zij wist dat die niet over de juiste papieren beschikten. Dat blijkt onder meer uit de WhatsApp-berichten overgelegd als productie 4 bij conclusie van antwoord, aldus steeds [geïntimeerde] .
3.7.
[appellant] heeft in haar akte uitlating betwist dat sprake is van eigen schuld aan haar zijde. Het hof zal de stellingen van [appellant] betrekken bij de beoordeling van het beroep van [geïntimeerde] op eigen schuld en oordeelt als volgt.
3.8.
Artikel 6:101 lid 1 BW Pro bepaalt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Hierbij geldt dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro rust op de vergoedingsplichtige – in dit geval dus [geïntimeerde] – de stelplicht en (in het geval van een voldoende gemotiveerde betwisting) de bewijslast van de feiten en omstandigheden die aan het beroep op artikel 6:101 lid 1 BW Pro ten grondslag worden gelegd.
3.9.
Het staat vast dat [appellant] er tijdens het WhatsAppgesprek van 10 juni 2020 (zie rov. 3.4 van het tussenarrest) mee bekend was dat [geïntimeerde] de beveiligingsdienst niet zelf kon vervullen. Verder staat vast dat [appellant] er toen mee akkoord is gegaan dat [geïntimeerde] daarvoor een derde zou inschakelen, en dat [appellant] op dat moment niet wist wie deze derde was. Tussen partijen is niet langer in geschil dat [geïntimeerde] in het WhatsAppgesprek de naam van [naam] niet heeft genoemd. Klaarblijkelijk heeft [appellant] hem daarnaar ook niet gevraagd. Het hof trekt hieruit de conclusie dat [appellant] ermee akkoord is gegaan dat [geïntimeerde] niet zelf de beveiligingsdienst bij Bunge zou vervullen (vergelijk artikel 7:404 BW Pro) maar dat een op dat moment voor [appellant] onbekende derde dat zou doen.
3.10.
Partijen twisten over de vraag of de door [geïntimeerde] in te schakelen derde diende te beschikken over de juiste papieren. Het gaat dan in het bijzonder om de zogeheten “grijze pas”, die wordt verstrekt aan personen die een vakdiploma beveiliging hebben behaald. Via de zogeheten “V-base” kan gecontroleerd worden of een persoon beschikt over een (geldige) grijze pas. [geïntimeerde] heeft naar het oordeel van het hof terecht aangevoerd dat hij niet heeft hoeven begrijpen dat voor [appellant] een harde voorwaarde was dat de door hem in te schakelen derde over een geldige grijze pas beschikte. [geïntimeerde] heeft gewezen op eerdere correspondentie met [appellant] waarin [appellant] bij een andere opdracht ermee akkoord is gegaan dat [geïntimeerde] een vervanger zou sturen zonder geldige grijze pas. [appellant] schrijft daarin letterlijk het volgende aan [geïntimeerde] :

Gab je mag die ene gozer sturen zonder pas
Als hij zijn shit maar doet
Als hij maar snapt hoe het moet
3.11.
Het beeld dat hieruit naar voren komt, is dat het [appellant] er vooral om te doen is dát de dienst wordt vervuld en niet welke persoon dat doet en of die persoon beschikt over een geldige grijze pas. Een vergelijkbaar beeld komt naar voren in het WhatsAppgesprek van 10 juni 2020 tussen [appellant] en [geïntimeerde] voor de opdracht waar het in deze zaak om gaat. Weliswaar wordt in die correspondentie niet expliciet gesproken over de vraag of de in te schakelen derde over een geldige grijze pas moet beschikken, maar ook hier lijkt het [appellant] er vooral om te doen dat de dienst wordt vervuld. In het WhatsAppgesprek geeft [appellant] immers zonder enig voorbehoud akkoord op het inschakelen door [geïntimeerde] van een haar onbekende derde, met de toevoeging “
Als hij maar zijn ding doet”.
3.12.
Indien het – zoals [appellant] stelt – voor haar zo belangrijk is dat zij de naam kent van de persoon die de werkzaamheden gaat uitvoeren en dat deze persoon beschikt over een geldige grijze pas, had het op zijn minst genomen op de weg van [appellant] als professioneel beveiligingsbedrijf gelegen bij [geïntimeerde] hierover op 10 juni 2020 navraag te doen voordat zij akkoord ging met de inschakeling van een derde. Dat heeft [appellant] echter nagelaten. Daarbij komt nog dat [geïntimeerde] verder onbetwist heeft aangevoerd dat [appellant] ermee bekend was dat hij als kleine zzp’er zelf niet feitelijk kon controleren of [naam] over een grijze pas beschikte, of deze echt was en of deze nog wel geldig was. Deze controle kon alleen [appellant] zelf doen, want alleen zij had toegang tot de daarvoor benodigde systemen (V-base). [appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat zij met de vraag “
Heeft hij eerder gezeten?” heeft bedoeld te vragen of de door [geïntimeerde] in te schakelen derde bekend was met het werk en beschikte over de juiste papieren. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] die vraag niet zo ruim heeft hoeven opvatten. Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat [geïntimeerde] niet heeft hoeven begrijpen dat voor [appellant] een harde voorwaarde was dat de door hem in te schakelen derde over een geldige grijze pas beschikte. [geïntimeerde] heeft de vraag in redelijkheid zo mogen opvatten dat [appellant] wilde weten of de door hem in te schakelen derde ervaring had met beveiligingswerk. Daarover heeft hij onbetwist verklaard dat hij [naam] eerder voor een andere opdrachtgever had ingezet en dat er toen niets is voorgevallen. Of [naam] eerder een opdracht voor [appellant] heeft vervuld is hierbij niet van belang. Van [appellant] mocht worden verwacht dat zij zou nagaan of de vervanger van [geïntimeerde] op dat moment beschikte over een geldige grijze pas.
3.13.
Uit het voorgaande volgt dat de als gevolg van het diefstalincident ontstane schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [appellant] kan worden toegerekend. Indien [appellant] aan [geïntimeerde] de naam had gevraagd van de door hem in te schakelen derde, had [appellant] eenvoudig kunnen controleren of deze persoon – [naam] – over een geldige grijze pas beschikte. Dan was gebleken dat dit niet het geval was. [appellant] had dan aan [geïntimeerde] moeten laten weten dat hij de dienst niet door [naam] mocht laten invullen omdat deze niet gekwalificeerd was voor het werk.
3.14.
Zoals het hof in het tussenarrest heeft geoordeeld, is artikel 6:76 BW Pro de grondslag van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] . Het gaat om een wettelijke aansprakelijkheid, op grond waarvan in dit geval de gedragingen van [naam] aan [geïntimeerde] als opdrachtnemer worden toegerekend, ook al was [geïntimeerde] feitelijk op geen enkele wijze bij het diefstalincident betrokken. Gegeven deze grondslag, is dan de vraag wat [geïntimeerde] nu eigenlijk precies kan worden verweten. Het enige verwijt dat [geïntimeerde] naar oordeel van het hof in redelijkheid kan worden gemaakt is dat hij niet bij [naam] heeft gevraagd of deze over een grijze pas beschikte. Weliswaar hoefde [geïntimeerde] er niet vanuit te gaan dat het bezit van een geldige grijze pas een harde voorwaarde was om ingeschakeld te kunnen worden voor een dienst van [appellant] (zie rov. 3.10), maar het mag in het algemeen wel van [geïntimeerde] worden verwacht dat hij enig onderzoek doet naar de achtergrond van een door hem in te schakelen derde. [geïntimeerde] had geen toegang tot de V-base, maar had wel eenvoudig kunnen navragen of [naam] over een grijze pas beschikte. Niet gebleken is dat hij dit heeft gedaan. Dit verwijt weegt echter naar het oordeel van het hof aanzienlijk minder zwaar dan het aan [appellant] als professionele partij te maken en hiervoor bedoelde verwijt (het zonder verdere navraag akkoord gaan met de inschakeling door [geïntimeerde] van een [appellant] onbekende derde).
3.15.
Het voorgaande betekent dat zowel omstandigheden aan de zijde van [geïntimeerde] als omstandigheden aan de zijde van [appellant] tot de schade hebben bijgedragen. Het hof is, gelet op de mate van verwijtbaarheid van enerzijds het handelen dan wel nalaten van [geïntimeerde] en anderzijds het handelen dan wel nalaten van [appellant] , van oordeel dat de schade voor het overgrote deel aan [appellant] moet worden toegerekend. De mate waarin deze aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen – de causaliteitsafweging – bepaalt het hof daarom op 80% voor het handelen dan wel nalaten van [appellant] en op 20% voor het handelen dan wel nalaten van [geïntimeerde] . Dat betekent dat op basis van de eerste maatstaf van artikel 6:101 lid 1 BW Pro (in samenhang met artikel 6:98 BW Pro) de vergoedingsplicht van [geïntimeerde] wegens eigen schuld van [appellant] met 80% moet worden verminderd.
3.16.
Vervolgens resteert nog de vraag of de tweede in artikel 6:101 lid 1 BW Pro genoemde maatstaf, de zogenoemde billijkheidscorrectie, een andere verdeling van de schade rechtvaardigt of dat de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, een en ander wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval. Het hof acht hierbij met name de volgende omstandigheden van dit geval relevant:
- de aard van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] (artikel 6:76 BW Pro), waarbij het element schuld geen rol speelt en gedragingen van een derde aan [geïntimeerde] worden toegerekend;
  • het feit dat [geïntimeerde] feitelijk op geen enkele wijze bij het diefstalincident was betrokken;
  • het feit dat [geïntimeerde] niet bekend was met het strafrechtelijk verleden van [naam]
  • de aard en omvang van de ondernemingen van partijen, dat wil zeggen [geïntimeerde] als kleine zelfstandige enerzijds en [appellant] als groot professioneel beveiligingsbedrijf anderzijds;
  • de beperkte omvang van de éénmalige beveiligingsopdracht en de geringe daarvoor door [appellant] te betalen vergoeding in relatie tot de totale door [appellant] gevorderde schade;
  • de bekendheid bij [appellant] van het commerciële belang van haar relatie met Securitas als grote opdrachtgever en de onbekendheid daarmee bij [geïntimeerde] ;
  • de zeer beperkte mate waarin het voor [geïntimeerde] voorzienbaar was dat het diefstalincident er toe zou leiden dat Securitas haar relatie met [appellant] zou beëindigen; en
  • de bekendheid bij [appellant] van de risico’s van het inzetten van personen die niet over de juiste kwaliteiten of documenten beschikken.
3.17.
Gelet hierop en alles overwegende, is het hof van oordeel dat de billijkheid een andere verdeling van de schade dan de op grond van de causaliteitsverdeling bepaalde verdeling rechtvaardigt en dat de schade van [appellant] voor 94% (dat wil zeggen voor een bedrag van € 84.831,40) aan [appellant] en voor 6% (dat wil zeggen voor een bedrag van € 5.414,77) aan [geïntimeerde] moet worden toegerekend.
Rente
3.18.
Ten aanzien van de door [appellant] gevorderde rente oordeelt het hof als volgt. [appellant] vordert slechts wettelijke rente over de door haar gevorderde directe schade (een bedrag van € 4.808,17) met ingang van 9 augustus 2021. Zij vordert geen wettelijke rente over de door haar gevorderde gederfde winst (een bedrag van € 85.438,-). Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat van deze schadebedragen 6% voor toewijzing in aanmerking komt. Wat betreft de directe schade gaat het dan om een bedrag van € 288,50. Uitsluitend over dit bedrag kan [appellant] aanspraak maken op wettelijke rente met ingang van 9 augustus 2021. Voor het restant van het aan [appellant] toe te wijzen bedrag (€ 5.414,77 min € 288,50, dus € 5.126,27) heeft [appellant] geen recht op toewijzing van wettelijke rente omdat zij dat niet heeft gevorderd.
Slotsom
3.19.
Dit alles betekent dat zowel [appellant] in het principaal hoger beroep als [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep deels in het gelijk en deels in het ongelijk wordt gesteld en dat de door hen tegen het bestreden vonnis opgeworpen grieven gedeeltelijk slagen en voor het overige falen. [appellant] en [geïntimeerde] hebben geen belang bij een verdere behandeling van deze grieven.
3.20.
Het hof zal om praktische redenen het bestreden vonnis volledig vernietigen en de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] toewijzen als hierna bepaald.
3.21.
Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] of [geïntimeerde] toe te laten tot bewijslevering, omdat beide geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
Kosten
3.22.
In het feit dat partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de kosten van zowel de eerste aanleg als die van het hoger beroep (zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep) te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

4.Beslissing

Het hof:
zowel in het principaal als het incidenteel hoger beroep:
4.1.
vernietigt het bestreden vonnis, en doet opnieuw recht:
4.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 5.414,17 aan [appellant] , te vermeerderen met wettelijke rente over een bedrag van € 288,50 vanaf 9 augustus 2021 tot de dag van volledige betaling;
4.3.
compenseert de kosten van partijen, zowel in eerste instantie als in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
4.4.
verklaart de veroordeling onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.J. Bisschop, J.L.M. Groenewegen en C.S. Schillemans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026