ECLI:NL:GHAMS:2026:536

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.354.211/01 en 200.354.027/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:450 BWWet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging onderbewindstelling en mentorschap wegens geestelijke toestand betrokkene

Betrokkene, geboren in 1952, is onder bewind gesteld en er is een mentorschap ingesteld wegens zijn lichamelijke en geestelijke toestand. De kantonrechter had deze maatregelen op 31 januari 2025 bevolen, waarna betrokkene in hoger beroep ging om deze te laten vernietigen of beëindigen.

De rechtbank had een zorgmachtiging verleend op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, waarbij betrokkene werd opgenomen voor diagnostiek en behandeling. Er is vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis en hoarding, wat leidt tot ernstig nadeel en gevaar voor zichzelf en zijn omgeving. Betrokkene vertoont agressief gedrag en heeft conflicten met buren en hulpverleners.

Betrokkene betwist de diagnoses en stelt dat hij zijn financiën zelfstandig kan beheren, maar uit de feiten blijkt dat hij moeite heeft met bankzaken en schulden heeft laten ontstaan. Het hof oordeelt dat betrokkene duurzaam niet in staat is zijn belangen behoorlijk waar te nemen en dat zowel het bewind als het mentorschap noodzakelijk zijn. De bestreden beschikkingen worden bekrachtigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de onderbewindstelling en het mentorschap en wijst het hoger beroep van betrokkene af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.354.211/01 (bewind) en 200.354.027/01 (mentorschap)
zaaknummers rechtbank: 11450257 EB VERZ 24-12992 (bewind) en 114503 19 EB VERZ 24-12993 (mentorschap)
beschikking van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.R.P. Hoppenbrouwers te Amsterdam,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- Goedhart Amsterdam BV, gevestigd te Amsterdam (hierna ook: Goedhart)
- Arkin, gevestigd te Amsterdam (hierna: Arkin).

1.De zaken in het kort

Zaaknummer 200.354.211/01 (bewind)
1.1
De zaak gaat over de vraag of een bewind nodig is over de (toekomstige) goederen van betrokkene.
1.2
De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) heeft in een beschikking van 31 januari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de goederen van betrokkene onder bewind gesteld. Goedhart Amsterdam B.V. is benoemd tot bewindvoerder van betrokkene.
Betrokkene is het daarmee niet eens en wil dat de bestreden beschikking vernietigd wordt en dat het verzoek tot onderbewindstelling wordt afgewezen of dat het bewind zo snel mogelijk wordt beëindigd.
Zaaknummer 200.354.027/01 (mentorschap)
1.3
De zaak gaat over de vraag of een mentorschap nodig is ten behoeve van betrokkene.
1.4
De kantonrechter heeft in een andere beschikking van 31 januari 2025 (hierna eveneens: de bestreden beschikking) een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene. Betrokkene is het daar niet mee eens en wil dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en dat het verzoek tot instelling van mentorschap wordt afgewezen of dat het mentorschap zo snel mogelijk wordt beëindigd.

2.De procedure in hoger beroep

Zaaknummer 200.354.211/01 (bewind)
2.1
Betrokkene is op 30 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
Goedhart heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd.
Zaaknummer 200.354.027/01 (mentorschap)
2.3
Betrokkene is op 30 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.4
Goedhart heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd.
In beide zaken
2.5
De zitting waarop de zaken gelijktijdig zijn behandeld, heeft op 21 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- Goedhart, vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] .
Namens Arkin is niemand verschenen.

3.De feiten

1.1
Betrokkene is geboren [in] 1952 te [plaats B] , Suriname.
1.2
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2025 is voor de duur van zes maanden een zorgmachtiging verleend op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) zodat betrokkene de noodzakelijke verplichte zorg kan ontvangen. Als gevolg hiervan verblijft hij op dit moment bij Arkin Ouderen te [plaats C] voor diagnostiek en het in kaart brengen van zijn hulpbehoefte. Ten tijde van de zitting in hoger beroep werd gewerkt aan terugkeer naar huis en verbleef betrokkene enkele kortere perioden per week overdag in zijn eigen woning.

4.De omvang van het hoger beroep

Zaaknummer 200.354.211/01 (bewind)
4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking op het verzoek van Arkin de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke/geestelijke toestand, met benoeming van Goedhart tot bewindvoerder.
4.2
Betrokkene verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot onderbewindstelling af te wijzen of het bewind op de kortst mogelijke termijn te beëindigen.
Zaaknummer 200.354.027/01 (mentorschap)
4.3
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking op het verzoek van Arkin ten behoeve van betrokkene een mentorschap ingesteld wegens zijn lichamelijke/geestelijke toestand met benoeming van Goedhart tot mentor.
4.4
Betrokkene verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot instelling van een mentorschap af te wijzen of het mentorschap op de kortst mogelijke termijn te beëindigen.

5.De motivering van de beslissing

In beide zaken
De wettelijk kaders
5.1
Uit artikel 1:431, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter een bewind kan instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
5.2
Uit artikel 1:450, eerste lid, BW volgt dat de rechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap kan instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
De standpunten
5.3
Betrokkene vindt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn (niet-) vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen en als gevolg daarvan een bewind heeft ingesteld en ten behoeve van hem een mentorschap heeft ingesteld.
Betrokkene stelt dat de rechtbank bij het nemen van de bestreden beslissingen zich met name heeft laten leiden door de inhoud van de brief van Arkin van 19 november 2024. Betrokkene is echter van mening dat hij prima in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Van de uitkeringen die hij maandelijks ontvangt betaalt hij door middel van automatisch incasso zijn vaste lasten. Van het resterende bedrag voorziet hij in zijn verdere levensonderhoud; daarnaast heeft hij geen schulden. De onderbewindstelling is dus ongegrond. Betrokkene vindt het moeilijk dat het bewind hem in zijn zelfbeschikkingsrecht beperkt.
Ten aanzien van de stoornissen die bij hem aanwezig zouden zijn stelt betrokkene dat hij in 1975 vanuit Suriname naar Nederland is gekomen. Een gedeelte van zijn familie is in Suriname gebleven. Zij waren daar werkzaam in de bauxiet verwerking en hebben hiervan nadien veel nadelige lichamelijke gevolgen ondervonden, onder andere resulterend in vroegtijdig overlijden. Deze gebeurtenissen hebben betrokkene destijds erg aangegrepen. Mogelijk is dit in 2001 geweest, maar hij weet dat niet meer zeker. Betrokkene betwist echter dat hij in een psychose is geraakt. Bovendien kunnen deze gebeurtenissen - van 24 jaar geleden - nu niet mede aanleiding zijn om zijn goederen onder bewind te stellen en een mentorschap in te stellen.
In 2017 is een tumor in de hersenen van betrokkene door middel van een operatie verwijderd. Ook in de jaren na deze operatie is hij in staat geweest om zijn financiën goed te beheren. Hij betwist dat deze situatie in 2025 - zonder enige concrete aanleiding - gewijzigd zou zijn als gevolg waarvan zijn goederen nu onder bewind moeten worden gesteld.
Verder betwist betrokkene dat hij lijdt aan een schizotypische en/of paranoïde persoonlijkheidsstoornis. Hij stelt dat het niet duidelijk is hoe deze diagnose tot stand is gekomen en hoe deze nu nog van invloed is bij de beslissing om zijn goederen onder bewind te stellen en een mentorschap in te stellen.
Ook de kwestie rondom de rechtszaak waarin besloten is dat betrokkene zijn vorige woning moest verlaten, is geen reden om zijn goederen onder bewind te stellen, dan wel een mentorschap in te stellen. Betrokkene heeft zich inmiddels neergelegd bij deze verhuizing.
5.4
Ter zitting in hoger beroep heeft Goedhart verklaard door de kwetsbaarheid van betrokkene zowel de onderbewindstelling als het mentorschap in het belang van betrokkene noodzakelijk te vinden. Betrokkene heeft na meerdere klachten over burenruzies zijn vorige woning moeten verlaten. In mei 2025 is hij verhuisd naar zijn huidige woning. Inmiddels zijn er ook weer klachten van zijn nieuwe buren. De klachten gaan over stankoverlast. Er is opnieuw sprake van een (dreigend) conflict met de buren. Tijdens de opname van betrokkene is gezien dat de structuur die hem daar geboden wordt, hem goed doet. Op dit moment wordt gewerkt aan een voorzichtige terugkeer naar huis. Betrokkene wil graag terug naar huis maar is zorgmijdend, terwijl voor terugkeer naar huis ambulante begeleiding en ondersteuning nodig zijn. Zowel de onderbewindstelling als het mentorschap zouden daarom in stand moeten blijven, aldus Goedhart.
De beoordeling door het hof
5.5
Uit de onder 1.2 vermelde beschikking van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2025 blijkt dat ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging is verleend op grond van de Wvggz voor de duur van zes maanden.
De beschikking luidt onder meer als volgt:
‘(…)
2.1.
Uit de overgelegde stukken en liet behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO en hoarding.
2.2.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel gelegen in ernstig lichamelijk letsel, ernstige
verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. De woning van betrokkene staat vol met dozen en potten, waar hij zich alleen in paadjes tussen de opgestapelde dozen kan bewegen. De woonsituatie is hiermee brandgevaarlijk.
Betrokkene draagt daarnaast kapotte en vuile kleding en eet beschimmeld eten.
De advocaat heeft afwijzing van het verzoek bepleit. Hij voert hiertoe aan dat er een
wilsbekwaamheidsbeoordeling gemaakt had moeten worden. Er is geen sprake van ernstig nadeel in de vorm van ernstig lichamelijk letsel voor een ander. De behandelaren kijken enkel naar hoe betrokkene zich gedraagt tegenover het personeel van Mentrum. Deze mensen dringen zich aan hem op, terwijl betrokkene geen bemoeienis wil. Dit is onterecht. De rechtbank volgt de advocaat niet in zijn verweer. De verpleegkundigen en de mentor hebben aangevoerd dat er moeilijk contact is te leggen met betrokkene. Betrokkene had op zijn vorige woonplek veel toestanden met de buurtbewoners. Hij is nu verhuisd en er zijn alweer klachten binnengekomen van de buren. Er is niet samen te werken met betrokkene. Hij knokt tegen alles en iedereen en heeft veel woede in zich.
Betrokkene is niet alleen agressief geweest naar mensen van het ACT, maar heeft ook medewerkers van het Leger des Heils bedreigd. De rechtbank acht met bovenstaande voldoende aangetoond dat er sprake is van ernstig nadeel in de vorm ernstig lichamelijk letsel voor een ander.
2.3.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
2.4.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en liet advies van de geneesheer-directeur, alsmede gelet op hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk voor de duur van zes maanden:
- toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische
maatregelen. ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter
behandeling van een somatische aandoening;
- beperken van de bewegingsvrijheid, telkens voor de duur van maximaal drie maanden;
- insluiten, telkens voor de duur van maximaal twee weken;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene, telkens voor de duur van maximaal twee weken;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen, telkens voor de duur van maximaal drie maanden;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en het nakomen van afspraken met het ambulant behandelteam;
- opnemen in een accommodatie, telkens voor de duur van maximaal drie maanden.
2.5.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Met de zorgmachtiging kan er diagnostiek worden verricht en een adequate behandeling worden opgezet. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. (…)’
Met de machtiging is betrokkene opgenomen, aanvankelijk in de (spoed)kliniek van Mentrum aan de [A-straat] te [plaats A] en vervolgens bij Altra Ouderen te [plaats C] . Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat inmiddels geleidelijk wordt gewerkt aan terugkeer naar huis. Thuis kan betrokkene onbegeleid wonen mits hij voldoende steun heeft om in een dergelijke setting te kunnen wonen, aldus Goedhart. Dat betrokkene steun nodig heeft bij zelfstandig wonen, is genoegzaam komen vast te staan uit de inhoud van de beschikking van 17 september 2025, de door Arkin gegeven schriftelijke toelichting bij de inleidende verzoeken en de toelichting van de Goedhart Uit de hiervoor aangehaalde beschikking van 17 september 2025 blijkt dat ook de huidige woning van betrokkene alweer vol staat. Betrokkene heeft in mei 2025 noodgedwongen zijn vorige woning moeten verlaten als gevolg van burenruzies, en ook nu is weer sprake van een (dreigend) conflict met de nieuwe buren.
Goedhart heeft ter zitting in hoger beroep verteld dat betrokkene enige tijd hulp heeft ontvangen van het Leger des Heils bij het pinnen van geld. Hij had daarbij hulp nodig nadat hij sinds de onderbewindstelling niet begreep hoe hij met zijn nieuwe pinpas en nieuwe pincode geld moest opnemen. Het Leger des Heils heeft deze hulp echter beëindigd nadat betrokkene de hulpverleners heeft bedreigd.
Bij het instellen van het bewind had betrokkene een huurachterstand. Betrokkene heeft verklaard zelf nooit schulden te hebben gehad en vindt dat hij zijn financiën zelf kan beheren door middel van automatische afschrijvingen. Gebleken is echter dat hij niet controleert of de automatische afschrijvingen ook succesvol worden afgeschreven. Betrokkene bleek bij aanvang van het bewind te veel geld te hebben uitgegeven aan het versturen van pakketten naar Suriname ten gevolge waarvan er onvoldoende saldo overbleef om de huur af te schrijven. Betrokkene heeft dit (kennelijk) niet opgemerkt waardoor een huurachterstand is ontstaan. De bewindvoerder heeft deze schuld aan de verhuurder afgelost. Betrokkene blijft echter ontkennen dat hij een schuld had en is achterdochtig over de hulpverlening van Goedhart. Hij wil graag weer zijn oude bankpas terug met zijn eigen regie daarover. Uit het voorgaande blijkt echter dat betrokkene moeite heeft met het omgaan met zijn bankpas en met bankieren in het algemeen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat betrokkene duurzaam niet ten volle in staat is om zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Zowel het bewind als het mentorschap zijn dan ook in zijn belang noodzakelijk. Er zijn geen minder ingrijpende alternatieven.
Betrokkene wil graag zelfstandig blijven wonen. Daarvoor zijn een bewind en mentorschap onontbeerlijk. Het hof zal de bestreden beschikkingen bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.354.211/01 (bewind):
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
in de zaak met zaaknummer 200.354.027/01 (mentorschap):
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, mr. A.N. van de Beek en mr. J.W. van Zaane, leden van het hof, bijgestaan door mr. W.J. Boon als griffier en is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.