ECLI:NL:GHAMS:2026:533

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.359.829/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377b BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing gezamenlijk gezag en omgangsregeling vader met minderjarige

De vader verzocht het gerechtshof Amsterdam om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind toe te kennen, een omgangsregeling vast te stellen en een informatieregeling met dwangsom op te leggen. De rechtbank had deze verzoeken afgewezen en de informatieregeling laten vervallen. De vader ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof bevestigde dat er geen communicatie is tussen de ouders en dat het gezamenlijk gezag het risico inhoudt dat het kind klem komt te zitten tussen de ouders. De moeder is ziek, maar dit leidt niet tot een noodzaak voor gezamenlijk gezag. De minderjarige ervaart veel stress door de procedures en heeft een negatief beeld van de vader.

Met betrekking tot de omgang stelde het hof vast dat de minderjarige ernstige bezwaren heeft tegen contact met de vader en dat een opbouwende omgang niet in haar belang is. Ook de informatieregeling werd bekrachtigd als vervallen, omdat het verstrekken van informatie de minderjarige te veel belast.

Het hof volgde het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtbank en wees de verzoeken van de vader af. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag, omgangsregeling en informatieregeling vanwege het belang van het kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.359.829/01
zaaknummer rechtbank: C/15/363985 / FA RK 25-1811
beschikking van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader
advocaat: mr. M.D. Balesar te Heerhugowaard,
en
[de moeder] ,
die woont op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder
advocaat: mr. J.M. Neervoort te Den Helder.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] (15 jaar).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] . Daarnaast is aan de orde of een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] en een informatieregeling moeten worden vastgesteld.
1.2
De rechtbank heeft de verzoeken van de vader over gezamenlijk gezag, de vaststelling van een omgangsregeling en het verbinden van een dwangsom aan de informatieregeling, afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de informatieregeling komt te vervallen.
De vader is het daarmee niet eens en wil dat zijn inleidende verzoeken worden toegewezen. De moeder is het wel eens met de beschikking van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 1 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 4 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige] gesproken. De voorzitter heeft op de zitting in hoger beroep de inhoud van dit gesprek kort en zakelijk samengevat.
2.4
De zitting heeft op 21 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door mr J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2011.
De ouders hebben tot oktober 2010 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [minderjarige] .
3.2
Bij vonnis van 24 maart 2011 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland beslist dat de moeder de vader maandelijks op de hoogte dient te stellen van de ontwikkeling van [minderjarige] , bezoekjes aan het consultatiebureau en eventuele medische ingrepen, met welke informatie de moeder een recente foto van [minderjarige] dient mee te sturen (op straffe van een dwangsom).
3.3
Bij beschikking van de rechtbank van 1 april 2015 is bepaald dat de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader zal zijn zoals in de aan de beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst.
3.4
Bij beschikking van de rechtbank van 23 juli 2019 is de beschikking van 1 april 2015 en de daarvan deel uitmakende vaststellingsovereenkomst gewijzigd en is bepaald dat De Jeugd- en Gezinsbeschermers in het belang van [minderjarige] , de omgangsafspraken tussen [minderjarige] en de vader zal bepalen. Deze omgangsafspraken bestaan onder meer uit de dag, duur, frequentie en eventuele begeleiding die nodig wordt geacht. Het verzoek van de vader tot toekenning van het gezamenlijk gezag is afgewezen.
3.5
Bij beschikking van de rechtbank van 23 juli 2019 is ook het vonnis van 24 maart 2011 gewijzigd en bepaald dat de moeder de vader eenmaal per twee maanden schriftelijk informeert over gewichtige aangelegenheden aangaande de minderjarige, waarbij een recente foto zal worden gevoegd.
3.6
Bij beschikking van dit hof van 27 oktober 2020 is de beschikking van de rechtbank van 23 juli 2019 met betrekking tot de informatieregeling en het gezag bekrachtigd. Met betrekking tot de omgang is de beschikking van de rechtbank van 1 april 2015, en de daarvan deel uitmakende vaststellingsovereenkomst, gewijzigd en is de vader het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd.
Feitelijk hebben [minderjarige] en de vader sinds mei 2019 geen omgang meer met elkaar.
Sinds 6 februari 2024 geeft de moeder geen uitvoering meer aan de informatieregeling.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van de vader afgewezen om:
- hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [minderjarige] ,
- te bepalen dat [minderjarige] gedurende vier opeenvolgende weekenden, één zaterdag per week omgang heeft met de vader, na deze vier keer dat [minderjarige] om de week van zaterdag tot zondag omgang heeft met de vader en dat [minderjarige] vervolgens na wederom een periode van vier weken om de week van vrijdagavond tot zondagavond omgang heeft met de vader,
- te bepalen dat de moeder een dwangsom van € 50,- verbeurt per dag dan wel per dagdeel dat zij geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft om de informatieregeling na te komen, met een maximum van € 5.000,-.
Ook heeft de rechtbank bepaald dat de informatieregeling zoals vastgelegd in de beschikking van de rechtbank van 23 juli 2019 komt te vervallen.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, dat zijn verzoeken alsnog worden toegewezen.
4.3
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Gezag
Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.2
De vader vindt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten heeft afgewezen. Hoewel er op dit moment geen communicatie is tussen de ouders, is geen sprake van een zodanige strijd dat gezamenlijk gezag onmogelijk is. Bovendien stelt de vader dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de gewijzigde omstandigheden. In verband met de gezondheid van de moeder is het noodzakelijk dat de vader ook belast wordt met het gezag, zodat gezagsbeslissingen over [minderjarige] altijd genomen kunnen worden. Gezamenlijk gezag bevordert bovendien de gelijkwaardigheid tussen de ouders, voorkomt eenzijdig genomen beslissingen en biedt zekerheid indien de moeder door haar ziekte tijdelijk of structureel niet in staat is gezagshandelingen te verrichten, aldus de vader.
5.3
De moeder vindt dat de rechtbank een weloverwogen afweging heeft gemaakt en terecht heeft vastgesteld dat de slechte communicatie en de feiten en omstandigheden sinds 2019 niet zijn verbeterd. Er wordt tussen de ouders niet gecommuniceerd, overleg tussen hen is niet mogelijk. [minderjarige] zit klem tussen de ouders. Ook heeft de rechtbank terecht aangehaald dat het feit dat de moeder ziek is niet maakt dat het delen van het ouderlijk gezag daardoor wel in het belang van [minderjarige] zou zijn. De moeder vreest dat in geval van gezamenlijk gezag er geen overeenstemming kan worden bereikt over de inzet van hulpverlening omdat de vader de zorgen over [minderjarige] nooit heeft erkend.
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag af te wijzen. Sinds 2012 heeft de raad als gevolg van verschillende procedures en ondertoezichtstellingen zicht op [minderjarige] . De raad concludeert uit de informatie die gedurende die jaren over haar is verzameld, dat [minderjarige] hechtingsproblematiek heeft. Er is in het verleden veel gebeurd waardoor zij het gevoel heeft gehad te moeten kiezen tussen de ouders. [minderjarige] draagt al meer bagage met zich mee dan een gemiddeld kind. Daarnaast is zij nu geconfronteerd met de ziekte van de moeder en de plaatsing in een gezinshuis, waardoor [minderjarige] nog meer te dragen heeft. Van [minderjarige] kan nu niet worden verwacht dat zij ruimte heeft voor de vader, aldus de raad.
5.5
Voorafgaand aan de zitting in hoger beroep heeft de voorzitter in aanwezigheid van de griffier met [minderjarige] gesproken. Tijdens dit gesprek heeft [minderjarige] verteld dat zij last heeft van de vele gerechtelijke procedures die de vader heeft aanspannen. Deze procedures vergroten de druk op [minderjarige] . Zij ervaart op dit moment al veel druk doordat zij in een moeilijke periode zit omdat haar moeder ziek is. [minderjarige] heeft daardoor zorgen over haar moeder en woont tijdelijk ergens anders, ver weg van haar school en vrienden. Daar komen de procedures dan ook nog bij. De stress en onzekerheid die dit met zich meebrengt zijn een zware last voor haar, zij zou de vader willen vragen om hiermee te stoppen. De procedures werken namelijk averechts. Zij voelt hierdoor juist meer weerstand tegenover contact met de vader. Ze krijgt ook veel stress van het feit dat zij steeds door de verschillende rechters wordt gevraagd naar haar mening. Zij moet iedere keer herhalen dat zij niet gedwongen wil worden tot contact. Zij heeft op dit moment een negatief beeld van de vader. Twee recente voorbeelden die onder andere hebben bijgedragen aan dit negatieve beeld zijn de reactie van de vader op haar brief tijdens de zitting bij de rechtbank in 2025 en een aanvaring met de vader op een buurtbarbecue in 2025. Ook heeft [minderjarige] geen leuke herinneringen aan de tijd waarin zij de vader nog wel zag.
De beoordeling door het hof
5.6
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat bij toewijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag nog steeds het onaanvaardbaar grote risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen haar ouders. Het hof onderschrijft en neemt over hetgeen de rechtbank in de rechtsoverwegingen 6.2 tot en met 6.5 heeft overwogen. Iedere communicatie tussen partijen ontbreekt; er bestaat geen basis voor een effectieve uitoefening van gezamenlijk gezag. Ook de mening van [minderjarige] weegt zwaar mee. Hetgeen de vader heeft aangevoerd over de gezondheidssituatie van de moeder leidt niet tot een andere beslissing. Niet gebleken is dat als gevolg van de gezondheidsproblemen van de moeder noodzakelijke gezagsbeslissingen niet genomen (kunnen) worden. Daarom zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [minderjarige] , afwijzen.
Omgang
Het wettelijk kader
5.7
Uit artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Beoordeeld dient te worden of, en zo ja, een wijziging van de beslissing van dit hof van 27 oktober 2020 gerechtvaardigd en in het belang van [minderjarige] is.
De standpunten
5.8
De vader vindt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om een opbouwende omgangsregeling met [minderjarige] vast te leggen heeft afgewezen. De rechtbank heeft daarbij onvoldoende gewicht toegekend aan het recht van [minderjarige] om omgang te hebben met beide ouders. Het ontbreken van omgang sinds mei 2019 vormt op zichzelf geen grond om omgang te blijven weigeren, aangezien de vader een geleidelijke en kindgerichte opbouw heeft verzocht en ook bereid is om het tempo van [minderjarige] te volgen. Daarnaast is de vader van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Weerstand van het kind of bestaande problematiek betekent niet automatisch dat omgang onmogelijk is. Een zorgvuldig begeleide opbouwende omgang kan bijdragen aan herstel van de band en het welzijn van [minderjarige] . De rechtbank is direct overgegaan tot afwijzing van de omgang zonder het perspectief op herstel te hebben onderzocht. Dat is niet in het belang van [minderjarige] , aldus de vader.
5.9
De moeder vindt dat de rechter terecht de felle weerstand van [minderjarige] tegen omgang met de vader serieus heeft genomen. [minderjarige] is nog altijd angstig voor de vader. Daarnaast kampt zij nog steeds met uiteenlopende problematiek door gebeurtenissen in het verleden. Deze problematiek is ondanks inzet van diverse hulpverlening over een langere periode niet weggenomen. Als zij opnieuw contact zou moeten aangaan met de vader bestaat er een grote kans dat trauma’s bij [minderjarige] getriggerd worden, wat schadelijk zou zijn. Omgang onder begeleiding of met een opbouw zou dit niet anders maken, aldus de moeder.
5.1
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd het verzoek van de vader af te wijzen. Er is bij [minderjarige] sprake van loyaliteitsproblematiek die al haar hele leven speelt. Hierdoor voelt zij geen ruimte en wijst zij de vader af. Zowel bij de rechtbank als bij het hof heeft [minderjarige] aangegeven geen contact met de vader te willen. Het zou in haar situatie contraproductief zijn om de verzoeken van de vader desondanks toe te wijzen, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.11
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat er sprake is van zwaarwegende omstandigheden die maken dat het verzoek van de vader tot opbouw van de omgang met [minderjarige] dient te worden afgewezen. Gelet op haar kwetsbaarheden en de moeilijke omstandigheden waarin zij op dit moment overeind moet proberen te blijven, kan [minderjarige] niet met een dergelijk traject worden belast. [minderjarige] heeft nog steeds ernstige bezwaren tegen contact met de vader. Zij is inmiddels vijftien jaar oud en is uitgesproken in haar weerstand tegen contact met de vader. [minderjarige] heeft haar handen vol aan de hulpverlening die zij op dit moment ontvangt. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verteld dat er behoefte is aan meer hulpverlening voor [minderjarige] maar dat zij daar op dit moment nog geen emotionele ruimte voor heeft. Dit leidt ertoe dat het hof, net als de rechtbank en overeenkomstig het advies van de raad, het verzoek van de vader tot wijziging van de beslissing inzake de omgang zal afwijzen.
Informatieregeling met dwangsom
Het wettelijk kader
5.12
Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW is de met het gezag belaste ouder gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
Indien het belang van het kind zulks vereist kan de rechter zowel op het verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft (art. 1:377b, lid 2 BW).
Met betrekking tot een eventuele wijziging van een informatieregeling geldt het bepaalde in art. 1:377 e BW (art. 1:377 b, lid 3)
De standpunten
5.13
De vader vindt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de informatieregeling komt te vervallen. De rechtbank heeft miskend dat de informatieregeling slechts kan worden beperkt in uitzonderlijke omstandigheden. Voor de vader is de informatieregeling de enige manier om op de hoogte te blijven van de gebeurtenissen in [minderjarige] haar leven. Dit brengt het risico met zich mee dat [minderjarige] het gevoel krijgt dat de vader geen rol meer speelt in haar leven en bemoeilijkt de mogelijkheden voor toekomstig contactherstel. Voor de moeder is het voldoen aan de informatieregeling bovendien een minimale en proportionele verplichting waarbij de informatie eenvoudig via verschillende middelen kan worden gedeeld, aldus de vader.
5.14
De moeder stuitte bij het verstrekken van informatie aan de vader op enorme weerstand bij [minderjarige] . [minderjarige] werd woedend wanneer de moeder de vader informatie over [minderjarige] verstrekte terwijl zij dat niet wilde. [minderjarige] voelde zich niet gehoord, niet begrepen en niet serieus genomen in haar problematiek omdat de moeder ondanks alles wat er met haar was gebeurd toch informatie aan de vader gaf. Hierdoor is de moeder sinds 6 februari 2024 gestopt met het delen van informatie.
5.15
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking ook op dit punt te bekrachtigen.
De beoordeling door het hof
5.16
Met de vader is het hof van oordeel dat juist in situatie waarbij hij helemaal geen omgang heeft met [minderjarige] en hij door het ontbreken van gezag ook geen informatie over haar ontvangt, hij groot belang heeft bij een informatieregeling. Zo kan hij toch nog op de hoogte blijven van haar ontwikkeling. Het hof onderschrijft echter hetgeen de rechtbank in de rechtsoverwegingen 6.13 en 6.14 van de bestreden beschikking heeft overwogen. Een informatieregeling is op dit moment te ontregelend voor [minderjarige] . Daarbij komt dat aan de mening van [minderjarige] , die inmiddels vijftien jaar oud is, ook gewicht toekomt. Het belang van de vader bij een informatieregeling moet dus wijken voor het belang van [minderjarige] . Het hof zal de bestreden beschikking ook op dit punt bekrachtigen.
Het vooroverwogene betekent dat het verzoek van de vader met betrekking tot het opleggen van een dwangsom niet toewijsbaar is.
Brief aan [minderjarige]
5.17
Tot slot wil het hof de ouders meedelen dat tijdens het kindgesprek met [minderjarige] is afgesproken dat de beslissing van het hof aan haar persoonlijk zal worden teruggekoppeld. Het hof zal dit doen door middel van een brief die als bijlage aan deze beschikking is gehecht.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, mr. A.N. van de Beek en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.