ECLI:NL:GHAMS:2026:5

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
200.343.697
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eindarrest in hoger beroep over schadebegroting na graafwerkzaamheden op naastgelegen perceel

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 een eindarrest gewezen in hoger beroep, met zaaknummer 200.343.697. De zaak betreft een schadebegroting na graafwerkzaamheden op een naastgelegen perceel. De appellant, vertegenwoordigd door advocaat mr. E. Bosscher, heeft schadevergoeding gevorderd van de geïntimeerden, die bestaan uit een vennootschap onder firma en twee besloten vennootschappen, vertegenwoordigd door advocaat mr. K.M. Janssen. Het hof heeft in een eerder tussenarrest op 12 augustus 2025 partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de kosten van het herstel van de fundering. De appellant heeft een offerte overgelegd voor het slopen en vervangen van de fundering, terwijl de geïntimeerden lagere offertes hebben gepresenteerd. Het hof heeft geoordeeld dat de offerte van de appellant, die een gedetailleerde begroting van de kosten bevatte, de beste benadering van de herstelkosten is. Het hof heeft de schade van de appellant begroot op € 13.214,17, inclusief wettelijke rente vanaf 12 juli 2022. Het hof heeft de aansprakelijkheid van de geïntimeerden voor de schade bevestigd en hen veroordeeld tot betaling van de herstelkosten, evenals de proceskosten van beide instanties. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.343.697/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/330120/ HA ZA 22-430
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 januari 2026
in de zaak van
inzake
[appellant],
wonende te [plaats 1] op Langedijk,
appellant,
advocaat: mr. E. Bosscher te Heerenveen,
tegen
de vennootschap onder firma
[geïntimeerde 1],
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[geïntimeerde 2],
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[geïntimeerde 3],
alle gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. K.M. Janssen te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellant] en (gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud:) [geïntimeerden] genoemd.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Op 12 augustus 2025 heeft het hof een tussenarrest gewezen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- de akte van [appellant] ;
- de akte van [geïntimeerden] ;
- de antwoordakte van [appellant] ;
- de antwoordakte van [geïntimeerden] .
Daarna is weer arrest bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de kosten van het herstel van de fundering.
2.2.
[geïntimeerden] voert aan dat herstel mogelijk zou zijn door de fundering hydraulisch recht te drukken en overlegt een offerte daarvan. Het hof passeert dit verweer tegen de hoogte van de schade. Het partijdebat in eerste aanleg zag op het herstel van de fundering van de schutting, waarbij [appellant] zijn schade begrootte op de herstelkosten, uitgaande van het herplaatsen van schutting en fundering ervan. Ook de twee kostenramingen van de kant van [geïntimeerden] gingen daarvan uit. Het betoog dat herstel ook op deze wijze mogelijk zou zijn, wordt nu voor het eerst in hoger beroep met enige motivering gevoerd, nadat beide partijen hun schriftelijke memorie hebben genomen en nadat de mondelinge behandeling is geweest. Dat is te laat. Ook overweegt het hof dat [geïntimeerden] niet nader onderbouwt dat het herstel op deze wijze mogelijk is en daarbij betrekt het hof ook dat het deskundigenbericht in eerste aanleg het hydraulisch rechtdrukken van de fundering niet noemt als mogelijkheid. Het hof zal daarom uitgaan van herstel door het opnieuw plaatsen van de fundering.
2.3.
[appellant] overlegt een offerte voor het slopen en geheel vervangen van de fundering van aannemer Droog van € 15.156,65 inclusief btw, gebaseerd op een eerdere offerte uit 2022, waarop een indexering is toegepast.
2.4.
[geïntimeerden] overlegt offertes voor sloop & afvoer van de fundering van € 2.722,50 en twee offertes voor het aanleggen van de fundering van en € 8.282,45 ( [bedrijf 1] ) en € 8.772,50 ( [bedrijf 2] ). Volgens [geïntimeerden] moeten die lagere offertes gevolgd worden, of moet een gemiddeld bedrag genomen worden. Ook betwist [geïntimeerden] de toewijsbaarheid van een geïndexeerd bedrag. Volgens [appellant] moet ook een nieuw-voor-oud voordeel van 20% worden toegepast.
2.5.
Het hof zal de schade van [appellant] begroten op de herstelkosten. De offerte van Droog, overgelegd door [appellant] , vermeldt een aantal uren, een uurtarief en maakt zo de begroting van de kosten inzichtelijk. [geïntimeerden] overlegt weliswaar offertes die op een lager bedrag sluiten, maar die vermelden geen aantal uren en geen uurtarief, zodat voor het hof niet inzichtelijk is waar het verschil in gelegen is. De enkele verwijzing naar een lager offertebedrag, volstaat ook niet als betwisting van het aantal uren dat volgens de offerte van Droog benodigd zou zijn, en ook niet als betwisting van het uurtarief dat Droog hanteert. In de offerte van [bedrijf 2] is de levering van “complete ankersets t.b.v. de staalconstructie” uitgesloten, zonder dat [geïntimeerden] voldoende onderbouwd betwist dat ook die vervangen moeten worden. Het hof zal daarom, alles afwegende, de herstelkosten begroten conform de offerte van Droog. Het zal daarbij uitgaan van de eerste offerte uit mei 2022 als de beste benadering van de herstelkosten ten tijde van de beschadiging van de fundering. Op die kosten stelt het hof het verlies dat [appellant] (vóór en onafhankelijk van herstel) in zijn vermogen heeft geleden toen [geïntimeerden] zijn schutting en oprit beschadigde. Die schade moet [geïntimeerden] , met wettelijke rente, vergoeden. Er is dan geen plaats voor een correctie “nieuw voor oud”. De schutting is in 2020-2021 geplaatst en het hof acht niet onderbouwd dat de te verwachten levensduur van de betonnen fundering van een schutting zodanig (kort) is dat herstel, ook na vijf jaar, een relevant voordeel oplevert dat bij de schadebegroting meegenomen moet worden.
2.6.
Het hof begroot de vermogensschade aan de zijde van [appellant] daarom op de herstelkosten, door het opnieuw plaatsen van de schutting. Op basis van de offerte Droog bedragen die herstelkosten € 13.214,17 (€ 10,920,00 met 21 % btw).
Wettelijke rente
2.7.
De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerden] de wettelijke rente over de hoofdsom verschuldigd is vanaf 12 juli 2022. Tegen die beslissing is geen grief gericht. Het hof zal daarom ook de wettelijke rente vanaf 12 juli 2022 toewijzen.
Geen bewijslevering
2.8.
Het hof komt aan nadere bewijslevering niet toe, omdat er door partijen geen voldoende onderbouwde feiten zijn gesteld die – als die feiten zouden worden bewezen – tot een andere beslissing zouden kunnen leiden.
Conclusie en proceskosten
2.9.
Het hoger beroep van [appellant] slaagt gedeeltelijk. [geïntimeerden] is aansprakelijk voor € 12.947,00 aan herstelkosten, zoals toegewezen in eerste aanleg, en in aanvulling daarop voor € 13.214,17 voor herstel van de fundering van de schutting. Zoals in het tussenarrest al overwogen, is [geïntimeerden] niet aansprakelijk voor eventuele schade die door verdere zetting van de grond veroorzaakt zou (kunnen) worden. Ook acht het hof niet meer dan het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 7.140,00 aan – kort gezegd – buitengerechtelijke kosten toewijsbaar.
2.10.
Dat betekent ook dat [geïntimeerden] – uiteindelijk – in eerste aanleg de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is. Weliswaar wordt een aanzienlijk deel van de vordering van [appellant] afgewezen, maar in de procedure heeft [geïntimeerden] het causaal verband tussen de gevorderde schade en haar handelen betwist, terwijl zij nu wordt veroordeeld tot betaling van – in totaal – € 33.301,17. Van onvoorwaardelijke bereidheid van [geïntimeerden] om dit of een hoger bedrag te betalen, om zo een procedure te voorkomen, is niet gebleken. De proceskosten van de eerste aanleg zullen op basis van dit toegewezen bedrag worden begroot.
2.11.
Het hof begroot de beslagkosten op één punt van het toepasselijke tarief (tarief III, € 786,00) voor het verzoek, op € 314,00 voor griffierecht en op (op basis van de overgelegde stukken) € 265,64, € 265,54 en € 90,34 aan explootkosten, in totaal derhalve op € 1.721,62.
2.11.1.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] worden vastgesteld op:
- explootkosten
143,47
- griffierecht
1.301,00
- kosten deskundigenbericht
4.646,40
- beslagkosten
1.721,62
- salaris advocaat
2.358,00
(3 punten × tarief III)
- nakosten
178,00
- totaal:
10.348,49
2.12.
In hoger beroep is de veroordeling tot betaling van € 12.947,00 en € 7.140,00 niet aan het hof voorgelegd. [geïntimeerden] heeft op dit punt geen hoger beroep ingesteld en de grieven van [appellant] zien alleen op de afwijzing van het meerdere. Van dat deel van zijn vordering, wijst het hof in hoger beroep een bedrag van € 13.214,17 toe. Gelet daarop zal het hof de proceskosten begroten op basis van dit bedrag.
2.12.1.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] worden vastgesteld op:
- explootkosten
146,32
- griffierecht
827,00
- salaris advocaat
3.035,00
(2,5 punten × appeltarief II)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
- totaal:
4.186,32
2.13.
Het hof zal de veroordelingen ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
2.14.
Voor zover [appellant] aan [geïntimeerden] bedragen heeft betaald op basis van het bestreden eindvonnis, is de gevorderde veroordeling tot terugbetaling daarvan toewijsbaar.

3.Beslissing

Het hof:
3.1.
bekrachtigt het bestreden eindvonnis van 10 april 2024, voor zover [geïntimeerden] (hoofdelijk) is veroordeeld tot betaling van € 20.087,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 juli 2022, tot de dag van algehele voldoening;
3.2.
vernietigt het bestreden eindvonnis van 10 april 2024 voor het overige;
en opnieuw rechtdoende:
3.3.
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 13.214,17 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6: 119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 juli 2022, tot de dag van algehele voldoening;
3.4.
veroordeelt [geïntimeerden] (hoofdelijk) tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] op basis van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan;
3.5.
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de kosten van beide instanties aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg vastgesteld op € 10.348,49, en in het hoger beroep vastgesteld op € 4.186,32, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [geïntimeerden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening;
3.6.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. F.W.J. Meijer, mr. H.K.N. Vos, en mr. J.G.A. Struycken en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.