ECLI:NL:GHAMS:2026:49

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.358.147/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onderzoek naar ondertoezichtstelling van minderjarige in verband met contactherstel en identiteitsontwikkeling

In deze zaak gaat het om de ondertoezichtstelling van de minderjarige [kind 1], die door de kinderrechter is opgelegd voor de duur van een jaar, tot 3 juni 2026. De vader van [kind 1] is in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing, omdat hij van mening is dat er geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging voor [kind 1]. De kinderrechter had eerder bepaald dat [kind 1] onder toezicht zou worden gesteld van de gecertificeerde instelling (GI) op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De vader stelt dat [kind 1] een stabiele thuissituatie heeft en dat er geen zorgen zijn vanuit school. De Raad voor de Kinderbescherming en de GI zijn van mening dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is, gezien het gebrek aan contact tussen [kind 1] en haar moeder en de zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader. Tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat er al een jaar geen contact is tussen [kind 1] en haar moeder, wat volgens het hof een bedreiging vormt voor de ontwikkeling van [kind 1]. Het hof heeft de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd, omdat het van mening is dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is voor het herstel van contact tussen [kind 1] en haar moeder en om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de vader. Het hof heeft de GI verzocht om voortvarend te werk te gaan in het belang van [kind 1].

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.147/01
zaaknummer rechtbank: C/15/365109 / JU RK 25-657
beschikking van de meervoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. Y. Bruin te Heerhugowaard,
en
Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie: Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [kind 1] , hierna: [kind 1] , geboren [in] 2020 te [plaats B] ;
- [de moeder] , hierna: de moeder, bijgestaan door mr. M.D. Balesar, advocaat te Heerhugowaard;
- de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna: de GI.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de ondertoezichtstelling van [kind 1] .
1.2
De kinderrechter heeft [kind 1] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 3 juni 2026.
De vader is het daar niet mee eens en vindt dat het verzoek van de raad om [kind 1] onder toezicht te stellen, moet worden afgewezen. De raad wil dat de ondertoezichtstelling in stand blijft.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 18 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 3 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter). Bij die beschikking heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, [kind 1] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 3 juni 2026.
2.2
De raad heeft op 12 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een brief van de GI van 15 september 2025 (zonder de daarin genoemde bijlagen);
- een brief van de raad van 2 oktober 2025;
- een mailbericht van de raad van 17 oktober 2025;
- een mailbericht van de GI van 9 december 2025.
2.4
De zitting heeft op 10 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- een vertegenwoordiger van de GI.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [kind 1] en van haar oudere broers [kind 2] en [kind 3] .
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad die is beëindigd vlak na de geboorte van [kind 1] in 2020. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind 1] .
[kind 1] verblijft bij de vader. Er is sinds eind 2024 geen contact meer tussen [kind 1] en de moeder.
3.2
Bij de in zoverre niet bestreden beschikking van 3 juni 2025 zijn [kind 2] en [kind 3] ook onder toezicht gesteld van de GI. De hoofdverblijfplaats van [kind 2] en [kind 3] is bij de vader; zij verbleven ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep al enkele maanden in een netwerkpleeggezin. De GI heeft gemeld dat zij daags na de mondelinge behandeling zullen overgaan naar een gezinshuis.
[kind 1] heeft daarnaast meerdere halfbroers en -zussen.
3.3
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 12 februari 2024 is bepaald dat het door de ouders op 22 januari 2024 getekende ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. In dit ouderschapsplan is een zorgregeling opgenomen die inhoudt – voor zover hier van belang – dat [kind 1] om het weekend van vrijdag 17.00 uur tot en met zondagmiddag/avond bij de moeder verblijft (gelijktijdig met haar broers).

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de raad, bepaald dat [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] onder toezicht zullen worden gesteld van de GI voor de duur van een jaar, te weten van 3 juni 2025 tot 3 juni 2026.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidende verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [kind 1] af te wijzen.
4.3
De raad verzoekt afwijzing van het verzoek van de vader en bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
De standpunten
5.2
De vader vindt dat er ten aanzien van [kind 1] niet is voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. Er is geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging van [kind 1] . Zij heeft een stabiele thuissituatie bij de vader en ook vanuit school zijn er geen zorgen over haar. Die zijn er wel ten aanzien van haar broers [kind 2] en [kind 3] , maar zij wonen inmiddels niet meer bij de vader. De vader staat open voor de opbouw van contact tussen de moeder en [kind 1] en hij is bereid om in dat kader mee te werken met de hulpverlening. Een ondertoezichtstelling van [kind 1] zal contraproductief werken, aldus de vader.
5.3
De raad meent dat de kinderrechter terecht en op goede gronden heeft besloten om [kind 1] onder toezicht te stellen. De zorgen die er waren ten tijde van het raadsonderzoek, zijn volgens de raad nog steeds aanwezig. Er is al een jaar geen contact tussen [kind 1] en haar moeder. Het lukt de ouders niet om in het vrijwillig kader dit contact tot stand te brengen of hulp hiervoor in te schakelen. De raad acht Ambulante Spoedhulp van belang om meer zicht te krijgen op de thuissituatie bij de vader.
5.4
De GI sluit zich aan bij het standpunt van de raad en meent dat de ondertoezichtstelling van kracht moet blijven. Volgens de moeder heeft [kind 1] een aantal zorgelijke uitspraken gedaan en daarom is het van groot belang om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden en belastbaarheid van de vader. Dit is de GI tot op heden nog niet gelukt; dat is mede te wijten aan uitvoeringsproblemen aan de kant van de GI.
5.5
De moeder sluit zich aan bij de raad en de GI. Het belangrijkste voor haar is dat het contact tussen haar en [kind 1] wordt opgestart, waarvoor de inzet van hulpverlening nodig zal zijn. Dit lukt de ouders niet in het vrijwillig kader. Daarnaast wil de moeder ook dat er zicht komt op de opvoedvaardigheden van de vader.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof overweegt als volgt.
Aan het hof ligt de vraag voor of de kinderrechter op goede gronden de ondertoezichtstelling van [kind 1] heeft uitgesproken voor de duur van een jaar en of de gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn.
[kind 1] is samen met haar broers [kind 2] en [kind 3] opgegroeid in een onrustige opvoedsituatie. Tussen de ouders is sprake van een voortdurende strijd en een groot wantrouwen. Vlak na de geboorte van [kind 1] kreeg de moeder een postnatale angststoornis en is de relatie tussen de ouders definitief beëindigd. [kind 1] is toen bij de vader blijven wonen, aanvankelijk met [kind 2] en [kind 3] . Vervolgens zijn [kind 2] en [kind 3] regelmatig van woonplek gewisseld, omdat er tussen de ouders continu strijd was over de opvang en verzorging van hen. Ten tijde van de bestreden beschikking woonden zij bij de vader en [kind 1] , maar ter zitting in hoger beroep is gebleken dat zij vlak na de bestreden beschikking naar een netwerkpleeggezin zijn gegaan en op korte termijn zullen worden overgeplaatst naar een gezinshuis. [kind 1] heeft in het verleden in het kader van een in het ouderschapsplan vastgelegde zorgregeling omgang gehad met de moeder, maar sinds een jaar is er geen direct contact meer geweest tussen haar en de moeder. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat [kind 1] in het verleden tegenover haar zorgelijke uitspraken heeft gedaan, zoals dat zij zou worden opgesloten door de vader en zijn vrouw en dat de moeder haar zou hebben ‘weggedaan’.
Het hof is met de raad en de GI van oordeel dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van [kind 1] en dat die met name gelegen is in het ontbreken van contact tussen haar en de moeder. Het hof overweegt dat onbelast contact met beide ouders van groot belang is voor de identiteitsontwikkeling van kinderen. Daarnaast vormt het ontbreken van de benodigde communicatie en het gebrek aan onderling vertrouwen tussen de ouders een directe bedreiging van de ontwikkeling van [kind 1] . Hierdoor kan [kind 1] in een loyaliteitsconflict komen en durft zij mogelijk niet meer op haar eigen oordeel te vertrouwen. Bovendien is er weinig zicht op de opvoedvaardigheden en mogelijkheden van de vader, waardoor de zorgelijke uitspraken die [kind 1] eerder tegenover de moeder heeft gedaan, niet goed kunnen worden geduid. Het hof acht het spijtig dat de GI gedurende de ondertoezichtstelling nog geen concrete stappen heeft gezet om contactherstel tussen de moeder en [kind 1] te bewerkstelligen en meer zicht op de opvoedsituatie bij de vader te verkrijgen.
Met de raad is het hof van oordeel dat het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Het lukt de ouders niet zelfstandig om hun onderlinge communicatie te verbeteren en om de omgang tussen de moeder en [kind 1] weer tot stand te brengen. Daarvoor is op dit moment de ondersteuning vanuit hulpverlening noodzakelijk, waarvoor de GI zich zal moeten gaan inzetten. Daarnaast is het van belang dat er door middel van de ondertoezichtstelling zicht komt op vaders opvoedvaardigheden. De vader werkt hier op dit moment onvoldoende aan mee. Het hof verzoekt de GI om binnen de ondertoezichtstelling in het belang van [kind 1] de komende periode voortvarend langs deze lijnen te werk te gaan.
5.7
Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, H.A. van den Berg en M.E. Burger, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.